Resultaten voor het trefwoord huizen

duivelse dreiging – laurens windig

Er sluipen duivels uit de bloemen
dreigend rond het mensdom
zij vangen aan met rekensom
onbevangen in geluidloos zoemen

stil onzichtbaar kruipen zij in huizen
waar gezinnen onbevreesd genieten
zich met volle liefde overgieten
onwetend van vernietigende luizen

lieveheersbeestjes zweven in het zicht
er klinkt muziek van schone klanken
kinderen zingen in een hemels licht

onwetend van het duivels janken
onder het roodzwart schildgezicht
verscholen redding is niet te bedanken

avondwandeling – c.p.vincentius

Een manke hond zwaait in de orkestbak;
kwispelt de maat, ‘t hinken moe.

Zangeressen huppelen samen hun liedje
en zwaaien hun overrijp decolleté.

Buiten staart onze maan naar de aarde
en huilt noordenwind straten leeg.

Drinkers wankelen, lallen naar huizen
en pissen overal portieken geel.

Na twaalven sterft veel van het lawaai
als vanuit ‘t westen regen nadert.

Buiten blijkt vooral kil en veel te helder,
binnen blijft illusie warmte vragen.

Brievenbus kleppert op vage windvlaag,
achter voordeur slaapt natte hond.

toegedekt – frido welker

het is een verloren wereld
ze ligt nog
op zondag gaat nog altijd niemand
tot ze maandag smelt is het landschap stil
bijna zoals zonder moeite, de beweging weg,
ingesneeuwd en zelf opgesloten
buiten bestaat niet
rusteloos voor de tv, geschrokken
is een continent stil

geen brommend luchtruim
geen stormen in een schimmige wereld
geen liefde
om het licht voor uit te doen
er zijn geen auto’s om het zout in te wrijven
maar de huid ligt al genoeg open
om pijnlijk te zijn
geen pleisters op de sneeuw
maar toegedekt de huizen

blubmaatschappij – gronama

In den beginne moesten wij
wennen aan al die lossigheid hier.

Geschubde straten met staarten
en vinnen waarbinnen wij leven.

Huizen staan telkens maar even
want alles raakt steeds aan de zwier.

Ons bankstel golft door de kamers
naast zwemmende kastjes van wier.

Wij mensen en vissen dineren
met deegbol aan haakjes en bier.

december maand – jan gutman

Lucifer brandt volop in de huizen
en de warmte druipt van de kaarsen af
Bomen gloeien het jaar uit terwijl het
licht terug de hemel in geschoten wordt.

Jezus is al lang weggemanaged
Economisch niet rendabel.
Aan zwavelstokjes brand je je vingers
maar die groeien in januari wel weer aan.

het diepe zuiden – menno wieringa

Een greppel in de mist
verlaten huizen
resten van plantages
een gewonde boom

geen mens

toch ze zijn er geweest
kinderen die spelen in het water
een spoorbrug en een trein
de ruiter op de oprijlaan

schijnbaar ongerept

beelden in zwart en wit
katoen tabak
de Unie trekt ten strijde
the night they drove old dixie down

landschap
dat zijn onschuld heeft verloren
bewogen
vlekken strepen krassen
stofjes haren
als van jaren her

terug – frido welker

er is weer een nacht
er is weer een trein
er is een groep mensen, zittend
luisterend
ouderdomsproblemen, vrouwenclubjes
uitstapjes naar -, weg
er is deze groep en niets
dat buiten passeert
wel lichten en huizen enzo
maar geen waarde
we zijn allemaal
we zijn wat we doen
en het enige wat we doen is gaan
de straat uit
het spoor over
op huis aan

* – peter korsman

je oogappel is een zwart gat
waar alles en iedereen
vandaan blijft

een zware schaduw van tijd
die woorden, tv, huizen schuwt
die de mensen angstvallig bewonen

alsof een verloren zoon
de lange weg terug
zou kunnen
zou willen
herinneren

huizen – gronama

Ver van het plebs staat in het groen
goed verborgen achter bomen
een huis gebouwd van heel veel poen
onder zijn munten weg te dromen.

Dichtbij het volk staan in het grijs
goed zichtbaar in het openbaar
de bouwsels met de laagste prijs
rauw vloekend voor de massa’s klaar.

poëzie op de tennisclub – hans van willigenburg

Mijn tennisvriend doet in huizen.
Hij ziet wat, praat wat, tekent wat, klust wat –
en dan? Dan is zijn imperium weer een object rijker.
‘Ik kijk naar het pand en ik kijk naar de locatie,’
zegt hij, alsof het een toverformule betreft.
Hij heeft een zoon die vaak uitslaapt.
‘Die begrijpt het niet,’ meent de tennisvriend.
‘Om kansen te pakken, moet je wakker zijn. Niet dan?’
Dat lijkt me wel, ja. Ik knik.
Hij zegt met nadruk dat hij ‘een andere kant’ heeft.
Laatst vond zijn tweede vrouw dat ze met hun eigen auto
naar een feest moesten rijden; dat zou hen in staat stellen
zelf te bepalen het tijdstip van vertrek.
Hij had socialere ideeën. Belde Peter en Linda.
‘Op de heenweg zó met die twee gelachen! Op de terugweg ook.’
Ja, het is werkelijk een voorrecht deze tennisvriend te hebben.
Hij bestelt een portie bitterballen, heft zijn kin en kijkt me aan
met zachte, toegeeflijke ogen die seinen:
‘Het gaat mij naar den vleze. Kom maar op!
Val me nu maar eens lastig met dat gedichtengedoe van jou…’