Resultaten voor het trefwoord horror

zimmer frei – lammert voos

in duister rivierlandschap wiegt
de Judasboom en snateren zwaarmoedig
eenden, slapen zij tussen rozen in stekels
en dromen zich luchtiger vogels, beroeren
elkanders lippen, zoet als perzik

graaien met gretige vingers muskus
en paddenstoelen, geuren muf en aarde en
het Pruisisch blauw takkengordijn valt,
tikt heden gestadig naar geschiedenis

wassen zij morgen de zwarte lijken,
helderrood bloed van de wanden met
allesreiniger die in de aanbieding was,
uiteraard met schuursponsjes en
huishoudhandschoenen aan

zoemen mietsen rond hun hoofd,
de horren, the horror!

horror vacui (de vrees voor het lege) – rené hillenaar

Jouw conclusie heet God, een bevroren concept
zonder kans op beweging met vrees voor leegte.
Ik ben een hoornen man, wrijf handen op elkaar
en wuif bezwaren naar een leeggezogen vat.

Daar is geen druk en heerst een tikloze klok;
zolang je niet kijkt verstrijkt de tijd zonder doel.
Een uurwerk is een windmolen voor dwaze helden;
waarom zou je ronddraaien op dezelfde plaats?

Zo de Vader, zo de Zoon, bevelhebbers van niets
dan wat jij toelaat in je angst en beven.
Ik vecht tegen de wijzers in en ontdooi een heelal
van opeengestapelde momenten rond een vacuüm.

Zo de Vader, zo de Zoon, zo IK!

n.a.v. – phillipe te bar

Black Swan : Aronofsky, 2010

Bij elke nieuwe stap die gaat in het anders
onbekende, daar waar ik uit moet komen
in dromig drijfzand dat al van ver ruikt

naar rot: krozen, as-
grauw. Verlegen knorren klinkt hardop
naast zalvend, maar gemeen, gakken of loeien
dat gilt open
dit drommig, dromig drijfzand,
braakbal van een lamme duivel.

“Toe maar, meisje! Schud eens op die beenderen… scherven…huid
en haar, vol bloed totdat er orde ligt en niets
anders is dan moest.”

Ach, kermende horror wordt betreden,
mijn horror, begeleid door knekelgillen
van herrezen reigers die zich grijnzend tonen louter in skelet.

nu
al wordend
ben ik dood

Wat hoort u? Het is weer het sissen
van die lamme duivel die neemt
al wat mooi,
al wat goed.

Immer oud zijn villend, stropend
Perpetuum Mobile gehouwen uit dooddonker teer,
dat alles bedekt wat een poging tot veranderen waagt
en dus mij bedekt.
Alles bedekt, maar vooral mij.
Mij, alles, mij