Resultaten voor het trefwoord hel

opening – pallas van huizen­

Nooit waren we echt samen
nooit proefde jij mijn adem
nooit kleurden de vlekken blauw
jouw status is uitgewist, verdwenen
je bent iemand anders
zeldzaam alleen
hier in het niets kunnen we nog praten
ik hoef niets, jij hoeft niets
niemand hoeft iets
eigenlijk is het alleen maar voelen
elkaars geest aanraken
denken, weten
dansen, spelen en slapen
bijzonder als een met de dag en nacht
hier in het niets kunnen we nog praten
achter ons zwijgt de hel

hier in het niets kunnen we nog praten.

spiegelbreuk in wonderland – marc tiefenthal

1.

Kuifje en Wiske ongerijmd wikkelen zich
tot een dubbeltje. Een adem hier,
een adem daar houdt zich in en hoe
het rolt? De koe vangt een haas
die dan weer geen tijd heeft.
De koe eet de haas op.

De boom links draagt de mirre,
die rechts druipt van de rubber.
Ze raken geënt, de rubber geurt,
de mirre vloeit. Hel en hemel
koppelen zo snel dat de aarding smelt.

Stilaan, stilaan, wie schrijft wat,
dalen de wolken en stijgt de mist.
Het rad staat klaar.
Onderaan de trap liggen de scherven voor het rapen.

het onbetreden pad – christos makrigianis

Inleiding

Vrees niet kom nader lezer, hoop of gelukzaligheid kent hier geen
plek enkel de verderfelijkheid en vergankelijkheid van het leven, de liefde
zit naast ons bij het vuur. Ik zal je leiden tot het pad van decadentie,
zij die hoop kennen zullen deze afzweren. Zij die vergankelijkheid ervaren
zullen het pad kennen. Doch het pad is duister, en diep, maar
het eind is een beproeving voor de volledige duisternis die
het leven biedt. Kom luister naar mij, en volg mij dan. Laat
je wezen, je moraliteit hier achter, gooi deze in het vuur. Waar
wij heen gaan is geen plaats voor twijfel, geen plaats voor
licht, de dood hangt om ons heen. Knikt en geeft ons de zin,
de Styx zullen we doorkruisen en vele vergane poëten zullen ons pad kruisen.
Het is geen zaligheid die men hier ontvangt, enkel de koude, steenkoude
vergankelijkheid van de doodsteek van de liefde, en mijn leven.

Verleden dag

De geur van Gauloises, Chesterfield hangt nog in de lucht.
Mijn ogen hebben zich enkel geopend, maar kunnen lang,
lang nog niet zien. De fles ligt naast me, leeg, waar ben ik
in vergaan, en wie is diegene die mij het pad heeft gewezen?
Met gebroken passen, vult mijn hoofd herinneringen aan, ik
sta op verga, steek de sigaret aan en denk aan wat, wat er gebeurd is.
De kamer kleurt weer van de rook, de asbak allang overvol,
ik kijk naar buiten de zon heeft zijn gezicht al getoond, en het
enige wat ik wil is duisternis als het deken over het vergankelijk
leven aanschouwen. Ik sluit mijn ogen en denk na, wat heeft
tot het punt van het niets geleidt, waarom ben ik hier aan verwant.

Openbaring

Gefrustreerd vergeten dromen vertrok ik naar een nieuw
verderfelijk leven, school een leraar zal ik worden, of niet.
Mijn hart al jaren geleden de hoop op iets van gelukzaligheid
opgegeven, stortte zich weer de afgrond in. Van de ene naar
de andere klas vertrok ik, aanschouwde blauw, maar geen
idee wat er zal gebeuren, wat er kon gebeuren. Determinisme
is pure ondergang. Had mijn hart maar niet zo snel de ketens
om zich heen gebroken, gewacht tot mijn intellect het,
het juiste moment aangaf. Maar nee, ik dwaal af.
In terugblik naar alles gaf Baudelaire het juiste te kennen:

Daal, jij uit hoogten af of stijg je uit ravijnen,
O Schoonheid? Hels en hemels mengt je oog zijn schijn,
die ons met weldaad streelt, met misdaad ons komt pijnen,
en daarom ben je vergelijkbaar met wijn.

De blik, blauw, mijn blik liep langs jou heen, hoe
zou ik je kunnen aanschouwen. Verborgen achter bergen,
muren zoals jij was, en nu alweer terug bent gekeerd.
Had ik maar zoals ik mijn lezers waarschuw, hoop, hoop
opgegeven. Maar nee het idee is nu zelfs verderfelijk,
doch vloeit het bloed uit mijn hart, en zie ik wit.
Toenadering beetje bij beetje, de eens saaie treinreizen,
alleen, nu met gezelschap kunnen delend. Woorden
over hoe ik, waarover ik nadacht ontgingen mij niet.
Doch brak het moment , op de dag waarop dronkenschap
in het teken staat van school, aan. Ik liet de eens
voor mezelf behouden, vergankelijke driften in mijn hart
tot een uiting kom. “ Ik vind je leuk” , in retrospect
is die uiting geworden tot het breekpunt van mijn
ontroostbaar, gestoken hart dat zich over liet gaan in liefde.

De vraag die zich nu door mijn hoofd spookt,
is de uiting dom, onwetend, niet doordacht gebeurd,
is tijd, ruimte de essentie van diens leven, en het doorkruisen
van problemen. Het laten helen van wonden, het
verschaffen van de nu vergeten kansen. Wie weet,
dronken sla ik weer de bladzijde om , as valt
op de pagina, het barre landschap is nu aanwezig,
de herkenbare verstarde realiteit, die niets, maar
dan ook niets overlaat aan nieuwe kansen, maar
gewoon, altijd maar blijft en blijft.

Doch ik ben nu al verder gevorderd in het verhaal,
dit punt is nog getrokken, enkel de teistering van mijn
hart vanwege een vrouw, gesloten, wiens muren
uiteindelijk breken onder druk. Wie, had die gedacht,
is de ironische opmerking, alles kan kapot, hier, hier
van toepassing. Ik denk niet, ik denk van niet. Nee,
doch brak het, bij de vordering van de tijd, het verval van
onze jeugd, en de groeiende aantrekkingskracht.
Het breekpunt brak iets nieuws aan, een periode
van fluitende vogels, altijd maar zonnige dag, of
zo dacht ik dat het zou gaan. De eerst kus gedeeld,
tijd stond even stil, doch deed het dat niet. Doch vordert,
en vordert te tijd. Er kwam de dag van stilte, het weekend
ervoor was die al gevallen. Duizenden vragen, scenario’s
spookten, spookten door mijn hoofd. In mijn kamer, gesloten,
de telefoon ging af, ze kwam langs. De deur had nooit geopend
moeten worden, of de telefoon beantwoord denk ik,
hoewel dat later dan nog zal zijn voorgevallen. Rationaliteit,
is nu wel opeens aanwezig, waar oh waar was jij eerst.

Ze verliet de kamer, en de rest is de verleden dag.
Het gesprek verwerkt, terug bij het voorgaande, viel
er, en de fles whisky werd beetje bij beetje gedronken.

Hel, wel op Aarde

Dagen na de leegte van de fles whisky, de leegte van
mijn leven liet blijken, en sigaret na sigaret, of bier na
bier mijn hart niet deed verdorven maar enkel meer deed bezwijken.
Viel ik elke dag weer neer, dronkenschap een uitlaatklep
van een verloren ziel, geen grip, of geen begrip op of voor
gevoel.

     Ik is een ander

Ontwikkelingen, verandering, de weg waarnaar toe het zal
leiden grijp ik aan, maar de intense hitte, van hart,
van gevoelsmatige destructie, na het dronkenschap,
want daarvoor ben ik verdoofd, is ondraaglijk.
Zijn de poorten al op aarde, of ben ik zelf al neergedaald.
Is de eeuwige pijn, de merken op mijn lichaam,
de merken van vergankelijkheid op deze aarde.
Kon de verdoving des harts plaats vinden,
nee dat is een luxe niet geleverd voor de doodgedronken poet.

                MY heart aches, and a drowsy numbness pains
                My sense, as though of hemlock I had drunk,
                Or emptied some dull opiate to the drains
                 One minute past, and Lethe-wards had sunk:

Opiaten, verdoving van zowel ziel als geest, als hart.
Interessant als keuze, doch blijft drank de uitverkoren zoals
elke verderfelijk wind die door mijn leven waait,
wordt weggedronken door drank. De fles die de leegte,
nadert, nadert de onsterfelijkheid van mijn liefde, maar
niet van mijn gevoelens hun pracht. Ik loop, loop
de duisternis rond, de wandeling in het park niet ver hier vandaan.
Die bomen lachen, de wolken huilen, en ik verga.
Het mes nog steeds gestoken, in mijn wezen, in mijn hart,
blijft zitten als aandenken aan haar. De geur staat me bij,
ik zie alles zoals een tijd geleden was, nu voor me,
zo helder, als de dronkenschap het me toelaat, zeer onverwacht.
Dagen slijten weg, gebroken slenter ik de straten op, op
zoek naar; dat weet niemand en vooral ik niet.
De wind fluisterde ik vernam het van Keats, zijn stem
schreeuwde door mijn gedachte en de dolksteek was nu
pas diep. Volgde er een gesprek, voor de hereniging van oude
idealen, misschien wel de uiting van een waanbeeld die
spookt in hoofden. Nee, nee, de duisternis en mijn dronkenschap
sloten hun vriendschap, troostte mij met hun vooruitzicht van
de uiting van mijn gebroken wezen, van de onzekerheid die nu
volgde. Vol walging, of afschuw zie ik de tijd en het verloop
nu tegemoet. Zal zich herstellen, zoals zij zich herenigt heeft.
Wie wiet, wie weet. De blauwe ogen zijn de poorten van
hel, blauw is zwart, en de duisternis voelt zich ermee verbonden,
zoals ik doe, zoals mijn pracht.

Nu

De drank heeft tekens geplaatst op mijn lichaam, verward
niet wetend wat ik moet doen, verviel ik creaties buiten mij om
en in de verwerking van de daden van haar hart. Nu zie ik waar
de engel zich van had ontrokken, niet van hemel of hel, maar van
de verachting die heerst op deze aarde. Kan ik het plaatsen,
is de verwerking onmogelijk. Zal ik me weer verder beetje bij
beetje de dood in verdrinken, en met het roken de vergankelijkheid
van mijn leven laten inzien. Is de tijd genaderd, voor een nieuwe weg,
een nieuw pad, onbetreden, maagdelijk als de dag waarop ik het zag.
Nee schreeuwt mijn hart, ja mijn hoofd. Twee strijd woedt, ik ben verslagen,
maar nieuwsgierig naar verandering en revolutionaire daden,
en niet in woorden verzinken. De zon, gaf weer blijk van leven,
van nieuwe paden te betreden, nieuwe stappen te nemen. Ik voel
een vreemde manier van melancholie, met euforie, ze heeft haar plaats
gevonden en ik zie wel waar Absinthe mij nu zal doen ontwaken.
Liefde om me heen, gevoelens uiten zich keer om keer, ik verga
in pijn met vreugde in haar hereniging. Gelukzalig
treedt ze verder, ik volg niet ik ben onzeker, en verward.

ganzin van god – bert de kerpel

Er was eens een vetgemeste gans die een kei vond
En dat ze te lang en te gelukkig leefde
Ze nam hem, schudde de mest eraf en stak hem
Met beide poten in het gat van haar trechter

Toen de ganzenhoedster haar de poort door joeg
Na de godganse dag geen volk gehad te hebben
Ganzen immers worden afge-leverd in de hel
Trok ze haar pluimen uit en rolde al haar leden
Lillend en bevend door pek en eigen veren en zei:

‘Falada, waer bestu bleven, mi lanct naar uwen paardenkop’
Waarop het ros prompt de benen nam en een extra paar
Uit de spijkerton voor de prinses die nog nasnaterde.

linda (1993 -) – phillipe te bar

Wallen lagen onder haar
ogen als donkere dames
met lusten die zij
juist niet wil voelen

op haar snoeppapieren spookvel dat vaak zo smakelijk
zou kunnen knisperen, maar waaronder nou net weer
botten tot spiesen splijten om daar haar huid door te steken,
waardoor een weg uit die nachtzwarte uit pees en vlees
geweven holte zich opent; vanuit die ultrasone onderwereld
der labbekakorganen, meent zij, dat zij juist dat weer heeft;
onrustig gebeente, mergvol gestut van die bloedlauwe hel, dat
levenslang zinderend kraakt in haar zak van vaal en vlezig vel.
Haar botten willen zich ook wel eens in het volle licht warmen

aan de zon, waarvoor zij zich juist verschuilt als pasgeboren,
baarmoedernatte reeën doen die ook maar verloren rillen
in hoog, dorgeel gras.Voor even verlaten door hun moeder
die, zoals het hoort, gevaren afleidt als wolven en mensen.

De wereld is haar carnivoor waarvan zij, verloren lopende
polonaise van een meisje, de opengesperde muil inhost. Ze
offert zich liever lallend en alleen. Niemand waagt haar zo

aan te raken. Gelieve dat ook nooit te doen.
Teken haar; het is een nadrukkelijk verzoek.

loodgieter – bert de kerpel

In mijn fornuis zit een pompbak en
in mijn pompbak zit een lek maar
in mijn hel zitten er duizend.

Het is kaas met gaatjes
die je nooit met een cuttermes
verbinden mag, Pandora
draait zich om in haar graf,
de zotte doos.

Als je het vuur wat aanzet echter,
de kaas – ontvlambaar- opwarmt
tot een hete brok, dan ben ik best
verteerbaar.

see you there – jan van heemst

De stegen naar de hel
zijn bestraat met jonge vrouwen;
de wegen naar de hemel
geplaveid met flauwekul.

Ik ga dus naar de hel
waar ik een feest ga bouwen
en heb geen moer vertrouwen
in dat oeverloos gelul.

Want daar boven is geen hemel
maar slechts het spiegelende zand.
Geen oase met een kemel;
en zonder water, o mijn hemel,
krijg ik dorst en zonnebrand.

etterende beloften – kizan

Fortuna roept haar dienaar
Naar de poorten van de hel:

“Hier heeft een berg gezworen.
Vervul is mijn bevel.
Zwoeg door hete vuren,
Verteer deze zware last!”

Het striemt en doet zweren:
Een tooi dat dienstbaar past.

kruising – tijsterblom

rechtdoor is de dood
de dood is rechtdoor

links is de hemel
rechts is de hel

de hemel in vlammen
de hel is bevroren

gloeiende gloeiende
vloekende kleuren

rood van de hemel
blauw van de hel

de hemel een vloek
de hel een zegen

zwart zijn ze samen
bloed van de aarde

cool helder water – d.docters van leeuwen

de met benzine overgoten kat
die woef zegt
de hond uit de vriezer
die miauwt tegen de cirkelzaag
schreeuwen er om

’s zomers in de hel
gaan zwartrokken dansen
god verliest het enkelspel
demonen grijpen kansen

en satan verkoopt z’n ziel
voor een slokje koel helder water