Resultaten voor het trefwoord geschreeuw

een kleine poëtica – jan holtman

De beste poëzie is volgens mij niet elitair of academisch. We moeten af van het idee dat dichters voor dichters schrijven. Onconventionele poëzie is slechte poëzie, want ook vrijheid luistert nauw naar de wetten. Het is schier onmogelijk om die wetten te beschrijven, want ze zijn er niet.
We kunnen na een studie theologie of letterkunde symboliek gaan duiden in een historisch perspectief en daarmee het gedicht proberen te verklaren. De schoonheid van een gedicht ligt echter niet verscholen in de verklaring, maar in de tekst zelf.
Wanneer een gedicht de schijn wekt dat het uit verveling is geschreven, kan het niets zijn. Een dichter die zich verveelt is niet aan het schrijven.

Een belangrijke voorwaarde voor poëzie lijkt mij dat het naast verwondering ook onbehagen moet scheppen. We willen niet in slaap gewiegd worden met antwoorden of verklaringen, noch deelgenoot gemaakt worden van het gevoel van de dichter. De tekst die iets anders is dan het gevoel van de dichter , moet ons raken. Een goed gedicht schept echter ook zo veel onbehagen, dat we als lezer blij zijn de dichter niet te zijn. Het gedicht jonge sla van Rutger Kopland heeft ons geraakt. Maar wie de documentaire gezien heeft, waarin de dichter in een tot schrijfhok omgebouwd kippenhok zit te mijmeren en te werken, kan toch niet anders dan concluderen dat er nauwelijks sprake is van identificatie met de dichter?

Een bevriende dichter verwoordde het zo: “Met het schrijven van poëzie benadruk je de beperktheid van taal, die bij goede poëzie althans, ruimte creëert voor beleving bij de lezer.” Ik deel die mening niet!, maar kan haar niet meer om uitleg vragen. Zetten we haar axioma in versvorm dan staat er wat:

met het schrijven van poëzie
wordt de beperktheid van taal
in vorm gebracht

Onopgesmukt! Geen hulpmiddelen! Geen geschreeuw! De taal, hoe beperkt dan ook, doet zijn werk! De bron van alle poëzie is lijden of verlangen. Is dat niet zo dan is er geen sprake van poëzie!

vlammen – sil darius

Verdorven dus onwetend
slentert hij door stegen,
in de schaduw van de nacht.

Zonder vrienden en verlaten
zoekt hij slapeloos en dolend
naar eenzame verwanten.

Er klinkt geschreeuw van
dronken zeelui, galmend
over grachten van de stad.

’t Zijn zielen vol van vuur,
ze verspreiden zich gestaag
in levens zonder antwoorden.

huis – inge boulonois

Blijft maar staan. Net als wij gehecht
aan vaste stek, de dingen op hun eigen
plek. Stof dat dommelt onder kasten,
boeken, vloerkleden, het waterbed.

Baarmoeder van heimwee.
Vesting voor geschreeuw, gezwijg,
voor kamerbrede tripjes van verlangen.
En altijd in het licht een tafel
om te leren delen.

Zelfs onbewoond nog wachtend op
gemorrel van een sleutel in het slot,
op digitale klokken stil van tijd verschietend.
Leeg of niet, pal achter ramen tikken ze:
seizoenen die in file door het uitzicht gaan –