Resultaten voor het trefwoord frouke arns

tussenstand – frouke arns

dit is geen gedicht, maar een woordgebied
zoek hier niets van waarde of wat je niet wist
of het zouden deze vijf dingen moeten zijn:

ik ben nooit soldaat geweest
ook niet in een vorig leven

mijn diepste wens heb ik gedacht
op een kvittelchen, stopte het in de klaagmuur;
ik weet niet wat ik wenste

van oude foto’s speel ik de gezichten na
voel hoe het is om te denken dat ik voel
hoe het is om vanuit kleur zwart-wit te zijn

soms denk ik aan mensen die ik vergat

aan het open raam zag ik hoe alles
verdween in de nachtmond van de wereld
iets weerhield me om te gaan

gisting – frouke arns

in de koelte van de kelder verkleurden
je ogen naar een helser blauw
stroeve tannines slopen in je stem

waarmee je ze aanwees, de lang gerijpte
op eiken, de jonge, de zoete en zij bleef maar
vragen over soorten, oogst en streek
met haar hand het stof van de hals

en alles klopte toen jij het ontkurkte
het zachte walsen, het mondjesmaat
proeven en iemand riep aan de trap
waar blijven jullie nou

stick ‘em up – frouke arns

ze zit achter de counter en hoe
vingervlug haar handen over zijn bil-
jetten razen, oh! zo opgeteld
te worden

een schattig kruimeltje
vlak bij haar lippen en onder
in haar tas gaat een mobieltje af:
de haan. hij kukelt twee keer
voordat ze hem wegdrukt

slechts één keer kijkt ze op
laat hem door de draaideur
van haar ogen naar binnen
-even later staat hij weer buiten
zij zijn gescheiden

door kogelvrij glas

hij verlaat het pand
zijn revolver
op scherp

getekend – frouke arns

kijk, zegt ze, hier staat
het bankje met daarboven
veel blauw, dat is hemel,
het gele met stokjes is zon

en dit, vraagt zij, is dit het huis
waar we wonen, met ramen
als hoge ogen en bloemen
die lachen en wat doet die vogel
daar op jouw mond

kijk, wijst ze, daar zijn wij
twee poppetjes bij de waslijn
jij bent de moeder zonder oren
ik was het kind dat zong

fruits de mer – frouke arns

Van de zee het eerste woord, bloedrood uit haar mond.
Het is gezegd, geen weg voert terug. Zijn oog
ontwijkt wat golvend over tafel spoelt, hij vouwt
zijn handen, het servet. De rekening. Gebed

zonder einde. Het gutst en deint, dan kabbelt het.
Een krab scharrelt door hun zwijgen. Hoe zwaar

weegt die liefde helemaal? Laat gaan, wat
lichter is zal bovendrijven. Van de zee
het laatste woord, straks komen de sirenen
zingen zacht la luu la la, la luu la la

cumulus – frouke arns

dit moet ik onthouden
dacht ik en vergat

totdat een windvlaag
het wolkendek van mijn herinnering
opentrok en wij weer languit lagen
in die weide, spraken over troost
van het vergeten

walvissen met oude wonden
dobberend in een oceaan van tijd

nu ik je opberg in dit gedicht
zie ik pas het kruis
in het vergeelde gras

waar je al die jaren hebt gelegen

sporen – frouke arns

meneer, uw wimpers zijn zo lang
en zacht en blond, mag ik ze even
u geurt zo treurig naar kaneel, en
ook een vleugje mint, meneer
als u de krant dichtvouwt. uw mond
meneer, wanneer u spreekt, vertelt
zoveel, maar nu u zwijgt, zwelg ik
slechts in uw geur meneer en als u
uitstapt, blijf dan nog even hangen

waar nachttreinen toe leiden – frouke arns

korte slaapjes waarin de honingman
haar aandoet
knipperloos gestaar naar het voorbij-
razende land der blinden en
een besluit
uit haar tas het nagelschaartje
uit haar hart een gat ter grootte
van de kadansende gedachte

waar nachttreinen toe leiden?
naar een tochtige hartstreek
en met een beetje mazzel naar
een laat perron waar éénoog wacht,
de blik op oneindig.

een lied van de zee – frouke arns

ik weet nog hoe ik jou beging
van welke plekken ik je haalde
en hoe breed de ademtocht daar was

hoe je koppig in en uit mij groeide tot
barstens toe die bleke nacht waarop
de man, weggeroepen van het feest,
dichtstak wat brak alsof een
melodie op strakgespannen snaren

en ik weet nog hoe jij mij begon
toen ik voor goed opstond uit dat bed,
wankel nog, maar vastberaden

zoveel zee was ik nog nooit geweest

kleine belofte aan een stad nooit bezocht – frouke arns

jij zult mijn laatste minnaar zijn, zegt ze
lacht een uitroepteken in het blauw
boven daken van een stad nooit bezocht

ik hoef je klaterfonteinen vol onvervulde
glinstermunten niet, het schuimend
gister, zegt ze, je protspaleizen van dode
koninginnen en hun troubadour, wijs mij

zegt ze, de cloaca van je angsten, neem me
mee naar je riolen, de plek waar je papavers
bloeien, waar het stil is voor de storm;
toon mij al je stukgeslagen ruiten

jaag me, zegt ze
met je lauwe kustwind doorheen je dwarse
straten. ik zal er zijn en naar je kijken

naar jou kijken, zegt ze,
en je tonen wat mij verwondde