Resultaten voor het trefwoord fles

pauze – iniduo

‘Neemt niemand de telefoon op?’
wat is er eigenlijk mis met flessenpost aangezien
overzeese dromen smoren in een ongewilde noodstop

ik ben aan een dampige broodtrommel ontsproten
maar de kruimels achtervolgen alle geluiden in stilte
niettemin ben ik op weg, heb ik mijn land ontsloten

twaalf uur slaat de klok, de dag is doormidden gebroken
koffie uit automaten laat plastic achter in de mond
en smaakt bitter, ik weet het, ik heb eraan geroken

de stoet komt weer op gang zonder dat ik het merk
roest van de ziel is nu verwaaid met stuifzand in de lucht
genoeg gelummeld, geld moet rollen, aan ’t werk

op doordeweekse dagen is de aandacht niet bij de les
het schuim van hoge golven lonkt in de razende storm
ik voel een getemde zee maar werp mijn fles

verstekelingen in een fles – sanja simunic

zo, zei vader opgeruimd
nu gedragen wij ons als kaaskoppen
en gaan naar zeeland met vakantie

we zongen van dansen aan zee
we groeven een kuil voor een duitser
we aten boterhammen met zand

we ploegden door het rulle duin
zagen de zon achter dishoek ondergaan
stonden oog in oog met michiel de ruyter

we kenden alleen het land achter de horizon
onze pier was met schapebloed bestreken
snel gevuld onze kinderhand

alleen onze huid wilde maar niet verbleken
al smeerden we nog zo veel zonnebrand
of aten muisjes van de gruyter

’s avonds borgen we schep en vormpjes weer op
moeder sloot de luiken
we konden geen mosselen meer zien

loos – b. vogels

niets fonkelt nog
bubbels vergaan
de chroom verdwijnt
als schone schijn

hij staat rijkelijk op straat
zij werkt
met de laatste fles

dan heerst de glorie van plat water
zelfs het dak dreigt plaats te ruimen
voor briljanten sterren

het doorzichtige gelaat van de avond – maaike klaster

I.

Wil je weten hoe het voelt, de pijn
die jouw haat dagelijks veroorzaakt?

Daar kom je nog wel achter
en dan zit ik allang bovenop een heuveltop,
onder een dadel-, vijgen-, appelboom,
uit te kijken over het paradijs, de tuin van God,
van Jahweh, Vishnoe, Allah. Alles.
 
 
II.

Wil je niet weten hoe het voelt om tegelijk vlees en liefde te zijn?
Ik ben beide.
 
 
III.

Nu je over de dag uitkijkt, toont de straat het doorzichtige
gelaat van de avond, de laatste zonnestralen.

Alsof er een fles met ranja lekt en alle limonade
over onze daken stroomt. Alsof ergens een heel groot feest is
en degene die altijd aan ons denkt met uitgestrekte hand van ver
ons allemaal een glas inschenkt.

Met gulle stralen dooft het licht, sijpelt de avond ons leven binnen.
Alsof je het ontwaken ‘s ochtends hebt gedroomd,
want je zwemt zo door het raam naar buiten, dompelt je in
oranje onder, trekt baantjes, maakt rondjes, houdt je adem in
en duikt zo naar de dood omhoog.
 
 
IV.

Hoe ze mijn ziel, mij geest, mijn lichaam vermorzelden.
Hoe mijn hart hen nog steeds in gedachten had.

Hoe ik mijzelf uit die doodskist bevrijd heb
en nooit meer terugkeer
naar de haat waarmee ze mij wilden begraven.

Ik heb lief, dus ik besta.
Vraag maar na.
 
 
V.

Deze planeet zal ik verlaten
zonder schuldgevoel, spijt of schaamte.

Mijn huid, vlees en geraamte
laat ik achter voor de moeder die het maakte
en elk deel terugneemt in haar schoot,
tot iedere dochtercel is opgenomen in de grond
en koolstof uit aarde opnieuw tot leven komt.
Hoe vruchtbaar is een graf.

Er zullen appelbomen groeien waar ik lag.

vroeger blijft altijd – martin b

Vroeger rook ik altijd
de sigaren van mijn vader.

Vroeger bracht mijn vader mij
altijd naar het grasveld
in zijn blauwe Ford Fiesta.

Geen kind keek op.

Vroeger was ik verliefd
op hakjes. M’n vader vond dat altijd
iets voor jongetjes met mooi haar.

Vroeger speelde ik iedereen
door de benen. Mijn vader vond het
altijd eentje teveel.

Vroeger was ik aanvoerder.
Ik huilde altijd als ik werd gewisseld.
Mijn vader gaf mij dan patat.

Vroeger was ik topscorer.
Mjn vader vond dat nooit
een onderwerp van gesprek.

Vroeger was mijn vader
de sigarenkoning van het dorp.
Nooit kwam hij boos binnenlopen.

Vroeger hoorde ik op de trap
hoe mijn vader altijd zijn hoofd brak
in de nacht.

Vroeger bracht ik de krant rond
& zag ik altijd hoe leeg de fles Beerenburg
op het aanrecht stond.

Vroeger was mijn vader
altijd de aangewezen man
voor het uitlaten van de hond.

Vroeger zag ik altijd
hoe voorzichtig mijn vader
de platen van Ede Staal van stal haalde.

Vroeger vond ik mijn vader altijd
een hele vreemde, maar lieve man.

Iedereen liep met hem weg.

Nu zie ik mijn vader weer.
Hij loopt gelukkig niet weg. Wat wil je?
Hij ligt in een kankerbed.

& nu ben ik opeens de aangewezen vreemde man
die breekt & niet weet waar hij het zoeken moet.

Straks zie ik hoe mijn vader
een plekje heeft veroverd in de krant.

Geen duivel zal opkijken. Laat God maar
met hem weglopen.

impressie van een rijke jeugd – jan holtman

ik lurk aan de fles omdat mijn moeder
geen borstvoeding gaf , allergisch
voor dat bruin omrande roze, en de
schijn van een gelukkig huwelijk:

een Mercedes van de zaak, een vader
die graag rondjes door het dorp reed

ikaros – anouk smies

Ik peins me rijk van onwaarheden.
Verban ze naar de maan.
Ik weef een raket van minimaal gedachtegoed
broed op een uitvlucht
in mijn hersenlymfaal

Neem gebraden kippen mee. Honing.
Vette melk. Jouw platen en een foto
van wat al lang is geweest. Hondenharen
en met een fles terpentine

brand ik een melkweg leeg. Baan me een weg, zoals
in het instructieboek, de elleboog
als kruisboog geheven
en schiet een oudere aan

Aan de kant, meen ik. Het klinkt wat schraal
Het moet gesmeerd lopen
in dit vleesgeworden gedachtenkanaal
Wat me herinnert aan de bodylotion
Men boekt slechts enkele reis
in hoop op vacancy
Creeert de zon