Afstand doen,
Van al dat was
Herinneringen van toen
Toen het blijkte,
En toen het blaakte
De zucht, van evenwicht
Haar balans, niet kon breken
Soms is het beter,
Vergane schepen
Vergaan te laten
Resultaten voor het trefwoord evenwicht
Vandaag is misantropie aantrekkelijk
Voor de dadaïst in Kaapstad
Hij is op zoek naar inspiratie
En een goedkope beenprothese
Voor zijn vrouw, ze snakt naar evenwicht.
Deze ochtend werd hij gewekt
Door zweepslagen op een welpenflank
De welp was stom, de beul een albinoman
Er waren ook toeschouwers
De meesten waren arm en in januari geboren.
Niemand stopte de albinoman
Hij staakte zijn ranselen vanzelf
Toen het leeuwenjong bezweek
Na zijn theeloze ontbijt vindt de dadaïst
Een beenprothese op de drempel
Van een geïmproviseerd bordeel.
De dadaïst vindt twee hoeren
Met slechts een linkerbeen
Hij neukt ze beiden
Een beetje tegelijk, een beetje kwaad
Dat ze spotten met zijn onbesnedenheid.
Na de betaling voor de schertsende seks is
Misantropie onvermijdelijk voor de dadaïst
In zijn hotelkamer probeert hij de beenprothese
In zijn valies te proppen
Het been breekt in twee.
De dadaïst huilt
Wanneer de zon ondergaat
In Kaapstad zijn alle ondergangen mooier
Dan zijn collages en borstels thuis
Toch vangt hij enkele vliegen
Die cirkelen boven de vermangelde welp.
Terug in België verwerkt hij
De vliegen in een misantropische collage
Hij houdt niet meer van zijn labiele vrouw
Maar wel nog van zijn morsige zelfheid.
verlangen heeft geen vorm
geen naam en geen bezit
slechts een chaotische beweging
van de God tot wie ik bid.
verlangen geeft het universum
de zin waar het om vraagt
omdat de drang naar ordening
verlossing in zich draagt.
verlangen leeft in vrije energie
als instabiele kracht
die zichzelf nooit zal vervullen
want wanorde is macht.
liefdevol en onbaatzuchtig
is de wording van het evenwicht
verlangen
naar gestemd geheel
dat onbewogen
onvolkomenheid verlicht.
Ze breken in heilige huizen,
bladeren met zwarte vingers door witte bladzijden,
verachten liefdevolle waarschuwingen, stelen gouden voorwerpen
woelen in
privé eigendom, loeren
naar mooi zingende meisjes
Kijk hoe ze danst! ritmische klank
muziek poëzie
ze slaan gade tot in de finesse, ieder detail,
elk gebaar, en bekokstofen weloverwogen duistere plannen.
Met z’n tweeën onder één vel, ze
grijpen hun kans, wat rest is een schuldig geweten, de psychologie
kan het weten, spelen met brood, de één het leven de ander hongerig dolend
balancerend op randen van de dood,
geen evenwicht of balans, ogen stralen misleidende engelenglans, een kloon:
ongeslepen stenen
schittert namaak diamant.
kust de wereldmacht, de aarde verkracht stuurt magnetische signalen
naar het heelal zuigt
de wereldvernietigende komeet naderbij, rakelings langs de aarde,
zwarte bezinnende letters op een vel gebroken wit digitaal papier
in een roze wolk van hoop.
De wasmachien danst,
zich onbewust van
de blik van de mand
die met nieuwe was wacht
Het geblokt zwart-wit
van de vloer, van de bank
waar de kat (wit-zwart)
zijn schaakmat lag
Een paraplu verliest
zijn evenwicht
Het gordijn zuigt aan
in het raamkozijn
Ik ben er ook,
ik ben stil
Een man draait zich om in bed
Er zijn de brandende blikken, het kader uit. Op wat
ze willen, op wat er niet is. Het gemis van verbanden
schroeit als het herkennen van oprecht geloof. Dat
weten ze best daar, onder hun paraplu. Herkenning
is immers een vorm van plaatsbepaling. De middag
is evenwichtig vastgezogen over zichzelf, en aan alle
kanten tracht men droog te blijven. Uit de ronde
worden geruchten te weinig terug gewezen. Volle
kranten zwijgen tussen de regels door. Achtergrond
wenkt. Onder de tucht van schoorstenen in streng
gelid waren in hoge kamers oude dromen. Verbeten
verschanst achter luiken het gistend verraad van de
ontwarring uit logge omhelzingen. Van vaders het lot
zijn de dochters. Er valt een natte, natte regen.
Ik moet er naar op zoek
voorbij de schimmel
in mijn kleine perzikboom
de tuin is zo nabij
koud ritselen de bladeren, in
een hoek gedreven door
noordwestenwind
de knoppen willen niet ontluiken
de verf bladdert niet charmant
het wit is grijs van vocht en regen
De blik naar boven dan, wijder
wolken, gaten blauw uiteengedreven
heftig en compleet, in evenwicht hersteld
ik mij gehuld in schoonheid weet
in bussen gaan altijd
de mooiste meisjes naast me zitten
ze schudden hun haar in mijn gezicht
slaan hun langste benen uit
bij elke hobbel spoelen golven af en aan
alle mannen wiebelen als zeilbootjes
in de bochten bonkt het bot van hun heup
in mijn vlees en ja hoor
ze verliezen hun evenwicht
natuurlijk worden ze overeind geholpen
door de oude man en zijn stok
de puber het vlas nog op de lip
de nobody achterin
kaalgeschoren vrouwen
de buschauffeur
zodat ik altijd
te laat
op mijn werk kom
Gedicht uit Krakatau 41


Recente reacties