Resultaten voor het trefwoord eind

een vrouw in de droge voeding – delphine lecompte

Een vrouw in de droge voeding zegt tegen haar moeder:
‘Gisteren heeft de teckel mijn lievelingsdeken verscheurd!
Je weet wel; dat deken waarop Jezus vastbesloten is
Om water te veranderen in wijn op het eind van een suffe bruiloft…’
‘Een bruiloft is nooit suf. Suf is het verkeerde adjectief.’ Zegt de moeder streng.

De moeder heeft gelijk
Ook mijn moeder had nog geen 120 minuten geleden gelijk
Ook mijn deken werd gisteren verscheurd door een hond
Maar er stond geen Bijbels tafereel op afgebeeld;
Slechts een heidense sloot vol omineuze kikkers.

‘Een sloot is nooit heidens.’ Zei mijn moeder streng
Wat zie ik haar graag sinds ik een hond heb
Ik streel een liggend pak rijst en bel haar op
‘Waar ben je? Ben je gewond?’ Wil mijn moeder weten
Ik stel haar gerust; ‘Ik doe ongewond boodschappen voor een blinde tegelzetter.’

Wat ben ik christelijk sinds ik een jachthond heb
Vroeger zou ik het wisselgeld in mijn zak hebben gestoken
Vroeger zou ik de blinde tegelzetter nooit hebben aangesproken
‘Als je van jezelf zegt dat je christelijk bent dan doe je alles teniet’
Zegt een vader bars tegen zijn enige zoon in de zuivelafdeling.

De vader heeft ongelijk; het is niet nodig om zo bars te zijn
Ik hoop dat hij vanavond stikt in het voorlaatste appelpartje
Van de afgeprijsde yoghurtpot die hij in zijn knuist knelt
En ik hoop dat zijn enige zoon het laatste appelpartje niet als een relikwie bewaart.

Mijn moeder vraagt: ‘Lukt het met de hond?
Als het niet lukt dan zal het je zoveelste fiasco met een zoogdier zijn..’
Wat is het gemakkelijk om de verbinding te verbreken.

de kolk – manja croiset

februari 1968

Er is iets wat me grijpt
Ik wankel en word meegesleurd
Tot op de bodem word ik gezogen
Maar als er geen bodem is
Blijf ik eindeloos zinken
of is het stijgen
De aarde is rond
Er is geen begin
Er is geen eind
Het is een maalstroom
Er bestaat geen slot

wildgroei – iniduo

terwijl ik tussen begin en eind verdwaal
terwijl ik mijn losse eindjes vervlecht
blijf ik denken, denken
in gedachten
in herhaling
blijf ik maar denken
dat pijn altijd onzichtbaar is
dat ik me alle moeite heb getroost
voor elke steen
van elke straat
en in elke voeg
proef ik de sintels
uit het vuur van mijn wildernis

een ziel in drieborg – berry tunderman

Ik ging naar Drieborg
Want het heeft een naam.
En het ligt eigenlijk.
Hier best een eind vandaan.

Tegen de storm in op de fiets.
Want Drieborg heeft veel ruimte.
Maar fiets je hard genoeg
Voel je daarvan bijna niets.

Over Drieborg wordt weinig gesproken.
Misschien wat gefluister in de duisternis.
Alsof het er stikt van de spoken.
Dat het er niet pluis is.

Drieborg is zelden beschreven.
Het weinige dat we weten.
Is dat er nog veel communisten leven.
(Maar tussen U en ons)
Die hebben het allang begeven.

Word je in Drieborg overvallen.
Door honger, dorst of plotse jeuk.
Om 5 uur gaat Het Noorderlicht open
Voor bier, patat, hoor dan de wichies lallen.

Voor elke Drijborger zijn er zwei te veul.
Sprak ooit een laaiwabbe uit Vlagwedde.
Maar krek toen lag een een Drieborger.
Lekker met zain wief op bêdde.

De hoofdstraat slechts een karrepad.
Wel geasfalteerd want je moet toch wat.
De smidse: vuur en muur, koud en kil.
In Drieborg is het al te lang te stil.

Ze zeggen dat je erop kunt wachten.
Dat zelfs de spoken het dorp verlaten.
Niets dat we al wisten.
Geen Drieborger laat zich kisten.

Ik sprak een ziel in Drieborg.
Goedgeluimd en weldoorvoed.
Stond een reiziger te woord als dat hoort.
Als was mijn last zijn eerste zorg.

Is er dan echt geen brug in Drieborg?
Zo hoor ik een stille vraag.
Maar of die mijn fiets zal houden.
Blijft nog steeds wat vaag.

Natuurlijk zijn er geen drie borgen.
Als je Drieborg binnenfietst.
Statig pronkend met hun tuinen.
Het Noorderlicht: – verders niets.

Je kunt het keren, je kunt het draaien.
De boeddhist in mij kreeg wat hij zocht.
Niks te eten, niks te halen.

Niet voor een moment geborgen
Laat staan even uit de tocht.

gebed zonder eind – iniduo

het tuinpad zal nog bladeren verzamelen
regen zal nog wegwassen wat niet tijdig kon verdwijnen
ook al heeft september zijn schaduw geworpen
ook al lijken wolken opgedroogd in rookgordijnen

er zullen nog doden te betreuren zijn
verse aarde zal weer wonden onder duister bedelven
monden zullen zich om ingeslikte woorden snoeren
een ogenblik lijkt het zwijgzame lichaam de rust zelve

de einder buigt nog altijd voor zwaartekracht
de hemel zinkt nog steeds in het water van de oceaan
en nog steeds gebeurt wat niemand verwacht
ook al weet ik niet wat, maar iets blijft bestaan

eindelijk II – peter heuveling

Kwam er maar een eind aan nutteloos leven
aan modern egoïsme en niets willen geven.
Aan gestorven moeders en te jonge wezen.
Aan vretende ziektes. Aan niets te genezen.

Was het maar klaar met al dat doelloos gezeik,
politiek beloften, waar ’t nut nooit van blijkt.
Al die graaiende banken en bonuscultuur.
Zwarte waarheden, verkleurd door censuur.

Hield het maar op met de angst en het bloed,
vergoten voor goden en wat de mens daarmee doet.
De racist en zijn buurman wiens afkomst verschilt,
die door haat en geweld de toekomst verspild .

Wanneer stopt die stroom van zinloos geweld?
Met geduld en respect word de vrede hersteld.
Zonder verwachting, van vooroordeel ontdaan;
Niet spreken maar luisteren om elkaar te verstaan.

schadeformulier – berry tunderman

Kapot, gebroken
Volledig naar de kloten.
Er doorheen,te gronde,
Geknakt.
Gesloopt, gedeukt, beurs
Gebeukt.
Door de knieën, verslagen
Geknapt.

Geknipt, geschoren, geplukt.
Op mijn wenkbrauwen,
Tandvlees, half daas.
Gemangeld, vernacheld,
Afgeragd, geradbraakt.
Lamgeslagen, moegestreden.
Uitgevochten,
Murw. tot moes en pulp,
Verbeurd verklaard.

Gevloerd, gehavend,
Totaal stuk.
Geschonden, gesmoord,
Afgeserveerd, lekgestompt en -gestoken.
Verstoten, uitgeteld, geveld en uitgekakt.
Platgewalst, ingepakt,
Achter het behang geplakt.

Afgedroogd, aan de rand van de afgrond.
Gekrenkt, gekrengt,
Gevierendeeld.
Aan het eind van latijn.
Uitgekotst, afgerost,
Tot op het bot gebutst,
Op zijn zachtst gezegd:
Helemaal uitgeblust.

En zeker de laatste tijd
Veel te weinig gekust.

het onbetreden pad – christos makrigianis

Inleiding

Vrees niet kom nader lezer, hoop of gelukzaligheid kent hier geen
plek enkel de verderfelijkheid en vergankelijkheid van het leven, de liefde
zit naast ons bij het vuur. Ik zal je leiden tot het pad van decadentie,
zij die hoop kennen zullen deze afzweren. Zij die vergankelijkheid ervaren
zullen het pad kennen. Doch het pad is duister, en diep, maar
het eind is een beproeving voor de volledige duisternis die
het leven biedt. Kom luister naar mij, en volg mij dan. Laat
je wezen, je moraliteit hier achter, gooi deze in het vuur. Waar
wij heen gaan is geen plaats voor twijfel, geen plaats voor
licht, de dood hangt om ons heen. Knikt en geeft ons de zin,
de Styx zullen we doorkruisen en vele vergane poëten zullen ons pad kruisen.
Het is geen zaligheid die men hier ontvangt, enkel de koude, steenkoude
vergankelijkheid van de doodsteek van de liefde, en mijn leven.

Verleden dag

De geur van Gauloises, Chesterfield hangt nog in de lucht.
Mijn ogen hebben zich enkel geopend, maar kunnen lang,
lang nog niet zien. De fles ligt naast me, leeg, waar ben ik
in vergaan, en wie is diegene die mij het pad heeft gewezen?
Met gebroken passen, vult mijn hoofd herinneringen aan, ik
sta op verga, steek de sigaret aan en denk aan wat, wat er gebeurd is.
De kamer kleurt weer van de rook, de asbak allang overvol,
ik kijk naar buiten de zon heeft zijn gezicht al getoond, en het
enige wat ik wil is duisternis als het deken over het vergankelijk
leven aanschouwen. Ik sluit mijn ogen en denk na, wat heeft
tot het punt van het niets geleidt, waarom ben ik hier aan verwant.

Openbaring

Gefrustreerd vergeten dromen vertrok ik naar een nieuw
verderfelijk leven, school een leraar zal ik worden, of niet.
Mijn hart al jaren geleden de hoop op iets van gelukzaligheid
opgegeven, stortte zich weer de afgrond in. Van de ene naar
de andere klas vertrok ik, aanschouwde blauw, maar geen
idee wat er zal gebeuren, wat er kon gebeuren. Determinisme
is pure ondergang. Had mijn hart maar niet zo snel de ketens
om zich heen gebroken, gewacht tot mijn intellect het,
het juiste moment aangaf. Maar nee, ik dwaal af.
In terugblik naar alles gaf Baudelaire het juiste te kennen:

Daal, jij uit hoogten af of stijg je uit ravijnen,
O Schoonheid? Hels en hemels mengt je oog zijn schijn,
die ons met weldaad streelt, met misdaad ons komt pijnen,
en daarom ben je vergelijkbaar met wijn.

De blik, blauw, mijn blik liep langs jou heen, hoe
zou ik je kunnen aanschouwen. Verborgen achter bergen,
muren zoals jij was, en nu alweer terug bent gekeerd.
Had ik maar zoals ik mijn lezers waarschuw, hoop, hoop
opgegeven. Maar nee het idee is nu zelfs verderfelijk,
doch vloeit het bloed uit mijn hart, en zie ik wit.
Toenadering beetje bij beetje, de eens saaie treinreizen,
alleen, nu met gezelschap kunnen delend. Woorden
over hoe ik, waarover ik nadacht ontgingen mij niet.
Doch brak het moment , op de dag waarop dronkenschap
in het teken staat van school, aan. Ik liet de eens
voor mezelf behouden, vergankelijke driften in mijn hart
tot een uiting kom. “ Ik vind je leuk” , in retrospect
is die uiting geworden tot het breekpunt van mijn
ontroostbaar, gestoken hart dat zich over liet gaan in liefde.

De vraag die zich nu door mijn hoofd spookt,
is de uiting dom, onwetend, niet doordacht gebeurd,
is tijd, ruimte de essentie van diens leven, en het doorkruisen
van problemen. Het laten helen van wonden, het
verschaffen van de nu vergeten kansen. Wie weet,
dronken sla ik weer de bladzijde om , as valt
op de pagina, het barre landschap is nu aanwezig,
de herkenbare verstarde realiteit, die niets, maar
dan ook niets overlaat aan nieuwe kansen, maar
gewoon, altijd maar blijft en blijft.

Doch ik ben nu al verder gevorderd in het verhaal,
dit punt is nog getrokken, enkel de teistering van mijn
hart vanwege een vrouw, gesloten, wiens muren
uiteindelijk breken onder druk. Wie, had die gedacht,
is de ironische opmerking, alles kan kapot, hier, hier
van toepassing. Ik denk niet, ik denk van niet. Nee,
doch brak het, bij de vordering van de tijd, het verval van
onze jeugd, en de groeiende aantrekkingskracht.
Het breekpunt brak iets nieuws aan, een periode
van fluitende vogels, altijd maar zonnige dag, of
zo dacht ik dat het zou gaan. De eerst kus gedeeld,
tijd stond even stil, doch deed het dat niet. Doch vordert,
en vordert te tijd. Er kwam de dag van stilte, het weekend
ervoor was die al gevallen. Duizenden vragen, scenario’s
spookten, spookten door mijn hoofd. In mijn kamer, gesloten,
de telefoon ging af, ze kwam langs. De deur had nooit geopend
moeten worden, of de telefoon beantwoord denk ik,
hoewel dat later dan nog zal zijn voorgevallen. Rationaliteit,
is nu wel opeens aanwezig, waar oh waar was jij eerst.

Ze verliet de kamer, en de rest is de verleden dag.
Het gesprek verwerkt, terug bij het voorgaande, viel
er, en de fles whisky werd beetje bij beetje gedronken.

Hel, wel op Aarde

Dagen na de leegte van de fles whisky, de leegte van
mijn leven liet blijken, en sigaret na sigaret, of bier na
bier mijn hart niet deed verdorven maar enkel meer deed bezwijken.
Viel ik elke dag weer neer, dronkenschap een uitlaatklep
van een verloren ziel, geen grip, of geen begrip op of voor
gevoel.

     Ik is een ander

Ontwikkelingen, verandering, de weg waarnaar toe het zal
leiden grijp ik aan, maar de intense hitte, van hart,
van gevoelsmatige destructie, na het dronkenschap,
want daarvoor ben ik verdoofd, is ondraaglijk.
Zijn de poorten al op aarde, of ben ik zelf al neergedaald.
Is de eeuwige pijn, de merken op mijn lichaam,
de merken van vergankelijkheid op deze aarde.
Kon de verdoving des harts plaats vinden,
nee dat is een luxe niet geleverd voor de doodgedronken poet.

                MY heart aches, and a drowsy numbness pains
                My sense, as though of hemlock I had drunk,
                Or emptied some dull opiate to the drains
                 One minute past, and Lethe-wards had sunk:

Opiaten, verdoving van zowel ziel als geest, als hart.
Interessant als keuze, doch blijft drank de uitverkoren zoals
elke verderfelijk wind die door mijn leven waait,
wordt weggedronken door drank. De fles die de leegte,
nadert, nadert de onsterfelijkheid van mijn liefde, maar
niet van mijn gevoelens hun pracht. Ik loop, loop
de duisternis rond, de wandeling in het park niet ver hier vandaan.
Die bomen lachen, de wolken huilen, en ik verga.
Het mes nog steeds gestoken, in mijn wezen, in mijn hart,
blijft zitten als aandenken aan haar. De geur staat me bij,
ik zie alles zoals een tijd geleden was, nu voor me,
zo helder, als de dronkenschap het me toelaat, zeer onverwacht.
Dagen slijten weg, gebroken slenter ik de straten op, op
zoek naar; dat weet niemand en vooral ik niet.
De wind fluisterde ik vernam het van Keats, zijn stem
schreeuwde door mijn gedachte en de dolksteek was nu
pas diep. Volgde er een gesprek, voor de hereniging van oude
idealen, misschien wel de uiting van een waanbeeld die
spookt in hoofden. Nee, nee, de duisternis en mijn dronkenschap
sloten hun vriendschap, troostte mij met hun vooruitzicht van
de uiting van mijn gebroken wezen, van de onzekerheid die nu
volgde. Vol walging, of afschuw zie ik de tijd en het verloop
nu tegemoet. Zal zich herstellen, zoals zij zich herenigt heeft.
Wie wiet, wie weet. De blauwe ogen zijn de poorten van
hel, blauw is zwart, en de duisternis voelt zich ermee verbonden,
zoals ik doe, zoals mijn pracht.

Nu

De drank heeft tekens geplaatst op mijn lichaam, verward
niet wetend wat ik moet doen, verviel ik creaties buiten mij om
en in de verwerking van de daden van haar hart. Nu zie ik waar
de engel zich van had ontrokken, niet van hemel of hel, maar van
de verachting die heerst op deze aarde. Kan ik het plaatsen,
is de verwerking onmogelijk. Zal ik me weer verder beetje bij
beetje de dood in verdrinken, en met het roken de vergankelijkheid
van mijn leven laten inzien. Is de tijd genaderd, voor een nieuwe weg,
een nieuw pad, onbetreden, maagdelijk als de dag waarop ik het zag.
Nee schreeuwt mijn hart, ja mijn hoofd. Twee strijd woedt, ik ben verslagen,
maar nieuwsgierig naar verandering en revolutionaire daden,
en niet in woorden verzinken. De zon, gaf weer blijk van leven,
van nieuwe paden te betreden, nieuwe stappen te nemen. Ik voel
een vreemde manier van melancholie, met euforie, ze heeft haar plaats
gevonden en ik zie wel waar Absinthe mij nu zal doen ontwaken.
Liefde om me heen, gevoelens uiten zich keer om keer, ik verga
in pijn met vreugde in haar hereniging. Gelukzalig
treedt ze verder, ik volg niet ik ben onzeker, en verward.

satan’s hoekje – maaike klaster

Waar het altijd heel goed toeven is (Dat was een grap, voor wie het niet
begrepen had, en voor alle duidelijkheid: ik heb het hier tegen de duivel,
dames en heren critici. Of u moet zelfs die tegen mij in bescherming
willen nemen, natuurlijk.)

 
 
1.
 
Hahahahaha, ik moest oprecht even heel hard lachen,
ook al was het helemaal niet grappig. Dacht je dat ik
bang was? Ik vreet die duivel op met huid en haar en
schijt hem recht in zijn eigen gezicht weer uit. Die
broekpoeper is bang voor zijn eigen drollen. Doe die
bek open, lieve schat, dan poep ik je helemaal onder.
Roep haar maar, roep je moeder. Nu word je bang, hè?
Omdat je nooit geboren bent, kun je ook niet sterven.
Geen enkele angst is angst voor de dood, maar altijd
weer dezelfde duivel die zo ontzettend graag mee wil
spelen en dan heel hard roept: Slot op de pot!!!
 
 
2.
 
Sorry, ik dacht dat jij een man was. Jij liet je snor toch altijd staan?
Ik weet zeker dat jij van mij jouw Little Bitch wilde maken. Goh,
ja, ik kan, kon, twee woorden Engels spreken, kon het altijd al,
meer dan twee. Was jij in L.A.? Jij wel! Nee, Daddy’s Dearest, jij
zat in Het Land Der Goedkope Hoeren een vrouw als ik op afstand
in haar gladde gezicht te schijten. Voortaan beter mikken, lieverd.
Veeg nou die snor maar af.
 
 
3.
 
SEE YA
 
Hoe groter de haat, hoe groffer ik lijk te worden.
Hoewel ik zelf eerlijk gezegd niets grofs tussen
mijn woorden terug kan vinden. Die pen is een
zuiver zwaard en het enige wat ik naast schrijven
doe, is een schild ophouden zodat de lelijkheid
die op mij werd afgevuurd netjes afketst en tot de
rechtmatige eigenaar wederkeert. Noem mij de
vrouw die van het kwaad een boomerang maakt.
Oh well, hello Australia!
 
 
4.
 
Steek dat enkeltje naar de hel maar in je zak of in de fik.
Dacht je te zullen branden? Vuur is lief.
Waar jij heen ging, bestaat geen warmte, bestaat geen licht.
 
 
5.
 
Als je mij aanraakt, verander ik in mineraal gesteente, een zoutpilaar.
Niets van goud, geen hout, alleen ik en niemand’s adem om mij leven
in te blazen. Vandaag mag van mijn part zelfs God wegrotten in de hel.
Dat zei God zelf: Schrijf maar op. Niet dat het iets verandert, want
waar Hij/Zij/Het tevoorschijn komt, verdwijnt het niets en God naar
de hel brengen is wat ik steeds heb gedaan: met datzelfde zwaard het
kwaad uitbannen. Misschien was het altijd al de bedoeling dat ik tot het
eind der tijden oneindig alleen bleef.
 
 
6.
 
Goed, een laatste woord: dat jij graag in jouw eigen maaltijd schijt,
betekent niet dat ik jouw stront wil eten. Geef me een boterham met
pindakaas, zodat mensen kunnen denken: Hé, een broodje poep! –
of iets wat er op lijkt, en laat me dan alsjeblieft, alsjeblieft
de bloemetjes buiten gaan zetten. Omdat ik trek in jus d’orange heb,
drink ik sinaasappelsap. Variatie op een thema.