te vroeg voor gevallen doek
ga nu niet geluidloos voorbij
zonder zingen, enig gerucht
naar een tempel om de hoek
wurgtijd, gesloten boek, allerlei
ben voor eeuwigheid beducht
Capice?
Resultaten voor het trefwoord eeuwigheid
langs de grenzen van zichtbaar licht
onttrek ik mij even aan eeuwigheid
tussentijds sta ik kort in het zicht
als speelbal van eigenwijze tijd
hooguit hoogte, waarmerk van reliƫf
of diepte in groeven van voordood
gezichten, van mensen die ik nog tref
een rimpel in de vijver van stille nood
heeft het zin te beklijven
gekerfd in beelden, kruimig en broos
voor hen die na ons zullen verblijven
ik, jij, we zijn vormeloos
het zijn sluiers die het ledige verhullen
antipoden van aards gewicht
tevens niemands bezit
longen, die hun rusteloos zwijgen met adem vullen
knoestig, sierlijk licht
loodgrijs, smetteloos wit
kwelgeesten van ruimte en tijd
eensgezind waarheen ze ook gaan
zij laten ginds licht gloren
ontsnappen aan eeuwigheid
zijn uit leegte geboren
of houden gewoon op met bestaan
niks bijzonders, gewoon naar de achtergrond drijven
voorbij de bestemming van vliedend licht
in de kantlijn van haperend geheugen achterblijven
de eerlijkheid gebiedt van een nagevoel te spreken
een afzwellend besef in vloeibare, ijle verten
die kort nabij nog van koudgebeiteld steen leken
in kringen rond de stuiptrekking van het heelal
van getijden die periodiek in zee wegsterven
weerklinkt zachte ruis van de dovende oerknal
de hemel trilt onder het gewicht van strovuur
het verdampen van elk geluid lijkt een roep
om bestendiging van eeuwigheid als korte duur
als je dan
geen reactie
al was het maar
vijf minuten
stil
geen likes duimpje
omhoog gewoon niets
je weet tijd
is relatief
dit is een
eeuwigheid
en wachten
je straf
ijdeltuit
je status
luldebehanger
Je zei vandaag, vandaag nog niet
het regent en de wereld ziet er
te mooi uit. Met zacht gebogen
kleuren en een natte huid waar
op de vers geperst lente druipt.
Wacht nu maar af totdat de tijd
in echo’s tussen bergen dreigt
met nachtelijk gedonder totdat
de hemel plots verscheurd wordt
door een flits en vrouwenstemmen
in een nis van eeuwigheid en spijt
je naam vertalen in een kus. Dan zul
je dansen als een Rus. Je zult stom
dronken vragen wie ik was. Dus wacht.
er zit een roek onder de grond
een dode roek
hij moet zijn veren kwijt
en dat kan even duren
de kop met de snavel
wil ik voor een eeuwigheid
ik ben op zoek naar dode vogels
vogels zijn als goden
je ziet ze nooit verdwijnen
vogels zijn duurzaam
en van alle tijden
zelfs het ijstijdperk
werd overvleugeld
in de diepvries ligt een snip
met een knip komt zijn vlerk
in mijn levende verzameling
De winterzonnewende
klinkt als een roep
uit ’t onbekende.
Het is een stem
die ‘k niet wil horen,
daar zij het kaf
scheidt van het koren
en mij bedreigt
met de ultieme straf.
Hoe rusteloos mijn slaap,
waarin ik steeds de strijd verlies
met tijd en eeuwigheid.
Ik verlang door te dringen
In het sappige zwart
Van jouw verleiding
Nu even niets bezingen
Geen bovennatuurlijke tijdingen
Slechts het kneedbare ik
Van een zwart verlangen
De grens liep op
In de richting van de bergrug (met een huivering)
Zoals een arend aanzweeft
Leeft hij in het huis van de ontschoeide
Een weerbarstige zoon
Onder uw voetzool
Er worden prijzen uitgereikt
Bloedend wil ik winnen
Stinkend en rottend
Zal ik het vieren die dag
De dag dat ik in je verdrinken mag
Je kunt natuurlijk
Beter jezelf worden
Maar mijn onkunde belette mij
Ik plonsde er zo in
En zwom (schoolslag)
Vol vreugde de verdrinkingsdood tegemoet
Verder weggezonken
Dan je kunt voorstellen
Door het koud woelende duister
Aangeraakt door een vloeibare hand
Gutsend in mijn lijf
Een hart dat
Altijd kloppen wil
Zal immer vluchten
Hier op de bodem van mijn verlies
Peinsde ik over het al
Het wel en wee
Van jouw hartgrondige nee
Een ontkenning van wie we zijn
Wat we hadden
Je bent niet dood genoeg
Jij symbiotisch gedrocht
Het dierlijke denken
Splijt mij mijn verwarrende ik
Ik ben verwond
Ik blijf hier gewond
Ik zoek je nooit meer op
Ook nu jij jouw dagen voor allen alleen slijt
Hier en nu vond ik mijn eeuwigheid
Eenzaam in genoeglijke gemeenschap
Echte liefde dooft al het licht
Om zelf sterker te branden
ik ontsnap
nog voor compostering
uit het gesneuvelde blad
en voel mij opgenomen
korrels zand kriebelen
schuren mij schoon
ontdaan van alle opsmuk
klaar voor de eeuwigheid
tilt de wind mijn bladergeest op
het Engelendeel voor de hemel
residu voor de aarde
zo ben ik in alles en overal
ooit verwaaid
en meegetroond
verguisd en gebruikt
zweef ik nu
dankzij u!

Recente reacties