Resultaten voor het trefwoord drinken

op weg naar Ø – arne berdache

op weg naar Ø
ontmoet ik contingent a ∈ B
we nemen even afstand van de Staat
en drinken een glas wijn

op een kruk aan de andere kant van haar toog
we lachen even en spuwen vuur en gal
op vers voet- en fietspad

a weet zich te onttrekken en wordt
net zoals ik ∉ B
al riskeerden we toch even eeuwig opgesloten
en verkeerd te kantelen
samen te verzeilen in het Dal van Hinnom

ah hoe leuk als twee
die omzoomde weg op te gaan
naar Ø

wijsheid in een klein hoekje. – martin m aart de jong

Ze zei zo zwart als wij hebben geleden
maken jullie het nooit meer goed ik zal
niet zwijgen op 4 mei het zout in alle
wonden. Ik zei maar niets ging vroeg

de kroeg in whiskey drinken en besloot
nooit meer Chinees te eten. Vooral
nummer 44 niet, in ieder geval nooit
meer met knoflook en zwarte bonen.

de dame met de dertig tanden – martin m aart de jong

De dame met de dertig tanden stouwt
haar leven vol rollade ze sterft
slagers af hangt ze in etalages
te drogen ze weet niet beter dan
dat het hoort haar taal rolt
voort ze tolt met de tijd zoals
frites met mayonaise ze eetleeft
als een bionische leeuw ze temt
de stemmen in haar hoofd niet
meer maar laat ze los als wilde
haren in de wind en ze blaast
mee. Hoe zou ik kunnen zeggen
dat ik -nee, niet imiteren wil,
niet strelen- nee zo ongepast
als masturberende zeeleeuwen
in de zoo tijdens schoolreisbezoek,
hoe kan ik, hoe zou ik,wat wil ik
anders dan zwijgen en drinken,
eten, liplezend ten onder gaan
als een manke Guyana zich zalvend
met valeriaan. Ik bega geen gewelfde
paden meer ik neem plaats in haar
schoot en ontdooi de polen ik land
aan in vriesdiepgevroren spinaziebladeren
waaruit ik de waarheid ontvouw die groener
is dan mijn gedachten, ik tel en wacht
secondenlang.

* – martin m aart de jong

Vannacht dacht ik nog even om tijd
te overleven om de spijt te wassen
van mijn lijf mijn laatste flessen
leeg te drinken en te zwijgen tot
het krijt zich los zong van mijn
botten. Vogels daalden op mij neer.
Ik kon niet schieten dus ik floot
alsof ik een van hun was en we
stoven op omdat het zo was
afgesproken, zweefden rond
boven de stad in felle
vluchten door de lagen
van de hemel pikten fluks
wat kruimels brood
en eindigden de dag
in bomen. In mijn boom
hing een gedicht.

over de waakzaamheid van gras II – ruud poppelaars

Je houdt je vast aan vallende sterren, stenen zomers,
papieren lentes.
 
En de vleermuizen suisden nog wel zo mooi vroeg dit jaar.
 
Reeds bezongen in de groeven van je gezicht de honderd tongen
van de meikever. De dagen opgerold in gonzend licht; en
volgelopen
 
-van zilver- zei je -van titaan- dacht ik. Een novembermeisje
bombastisch wit. Het stond tussen gras te drinken; te verstenen
in kreten met kristal.
 
Een gedroomde roos of een verzwegen haven; kalklijnen verheffen
zich niet om in te verdwijnen.
 
Het is hier dat ik de wereld draag aan de poort van de zee die
opengaat als het hart van de bij. Jij het blad, waartoe alles
beweegt plooit op bed met de dag ertussen
 
en een oude horizon op m’n kussen legt.

verjaardag I ‘het voorspel’ – jan holtman

Weet jij wel wat voor dag het vandaag is?
Jawel, donderdag, hoezo?
Nee, de datum bedoel ik.
De elfde?
Ja, precies, mijn zus is vandaag jarig. Niet op de kalender gekeken?
God, nooit aan gedacht.
We gaan er zaterdag wel naar toe!
Ik zeg toch niks?
Daarom.

Op het toilet hangt een verjaardagskalender van Marjolein Bastin,
de zus van Rien Poortvliet, die heel aardig vogeltjes, bloemetjes
en bijtjes kan tekenen, maar op het onzalige idee is gekomen dit
op onze verjaardagskalender te demonstreren.
Achter de elf staat in schoon schoolschrift de naam van haar zus.

De spanning stijgt. Wie moet drinken en wie mag rijden.
We zijn er snel uit. Zij mag drinken, want het is haar zus
en dus mag ik rijden. We lachen nog terwijl het volgende
dilemma zich aandient: het cadeautje

Een boek?
Ach nee, ze lezen niet.
Een boeket bloemen?
Welnee, iedereen geeft al bloemen.
Een mooie vaas om al die bloemen in te zetten?

ik hou niet van jou, jij hoeft dat niet te weten – ezra hakze

Ik omarm je. Ik zeg de dingen.
Ik vraag je naar je lievelingskleur,
ik doe nog de minste moeite.
Ik hou niet van jou, jij hoeft dat
niet te weten.

We prenten ons in,
dat het zo behoort te zijn,
houden vol dat we namen delen
namen en lichaam

We wijden elkaar in,
ruimen op
wat er nog over is
van ons. We drinken
de nacht
uit, we stellen hem uit.

En achter de waas,
Kennen we het allemaal al,
zijn we
ook niet achterlijk:

We weten, dit is,
geen liefhebben, dit is
stilstaan en gapen.

voorbij – frido welker

er zijn stortbuien in de verte
sluiers water dringen zich een weg naar beneden, zonder moeite, en storten zich uit
er moet iemand zijn die nat wordt
ik kijk toe vanaf de vijfde

de bui beweegt zich langzaam, als een rups, naar het westen
de poten tasten zorgvuldig het landschap af op droge plekken
een enkele maal lijkt er licht doorheen te breken, een illusie
van sloten die tot de rand gevuld zijn, de koeien drinken
al hun magen vol

boeren die godzijdank op hun knieën zakken, het stro in hun handen
zacht voelen worden alsof het de huid van hun dochters was, zoveel
jaren geleden
dat ze moeten huilen met de stevige koppen van hun herdershonden
op schoot, grote ogen, tong naar buiten van uitzinnigheid

er moeten middelbareschool scholieren zijn, racend
op hun versnellingsloze fietsjes, drie naast elkaar
op de dijk aangepakt met striemen, recht het gezicht in
de wangen vertrokken van de pijn, deze sluiers
bewegen zich zonder moeite het land door

ze gaan een keer over in de drup, laten
de last is wat hij geweest is en reizen verder
de zee op, rustig de verdamping rokend
als ware het een waterpijp

zijn bloed – jolies heij

toen ze aan kwam lopen
in haar bloemetjesjurk
wist ik dat zij het was
het kind van de vader

de vader die me had gelaten
toen ik even niet oplette
die mussen uit de lucht schoot
en dacht me er blij mee te maken

die de bolster tussen zijn
vingers verkruimelde als een
keverpantser en zich erover
verbaasde hoe veel pijn dat doet

met wie ik het bed niet deelde
alleen een bureau en lades vol
pure en nutteloze liefde en een
foto om bij te masturberen

ze heeft zijn ogen, zijn mond
alles van hem balt zich samen
onder die kolenschopzwarte knot
en de statige, wat stramme tred

waarmee ze recht op me afkoerst
glimlacht, hallo zegt en ik vraag:
wat wil je drinken
zijn bloed of het mijne?