Resultaten voor het trefwoord dobbelstenen

klokkenspel – philippe diepvents

“Mannen lopen altijd achter hun klokkenspel aan,”
zei ze fronsend en wereldwijs in haar knapperige tongval.

Ik niet, liefje, ik niet.
Of beter: ik wel
Maar het spelen leidt me naar jou. Alleen naar jou. Naar de pionnen en dobbelstenen verborgen in je jurkje. Naar het speelbord dat jij etaleert en dat zich geurig aan me opdringt wanneer ik mijn ogen sluit.

Ik heb de regels goed gelezen en wil me met plezier ernaar buigen zonder gekruiste vingers achter mijn rug. Vakje per vakje vooruit. Het kost me geen moeite, echt niet, of toch niet veel. Spel mét grenzen, deze keer. Ga niet opnieuw langs start, om de gevangenis te vermijden. Jij bent het die elke schoonheidswedstrijd wint.

“Ook als ik oud ben en verlept en mijn lijf zich door de artritis niet meer zo soepel buigen kan?”, snoefde ze argwanend.

Natuurlijk, liefje, natuurlijk. Voor alle leeftijden, zo staat er op mijn doos. En trouwens, wie tegen kleuters speelt, geraakt al gauw verveeld van al dat winnen en gejengel.

“Ook als het leven zwaar weegt, zoals het onvermijdelijk wel eens zal doen? Als de spontane speelsheid ons geleidelijk of tijdelijk dreigt te ontglippen? Als het speelgoed even aan de kant geschoven dient om serieuzere zaken ter wille te zijn en we mekaar niet meer op onze wenken kunnen bedienen?”

Ook dan, liefje, ook dan. Ik speel misschien gretig en vol vuur, maar niet zonder geduld, bedachtzaamheid of alleen maar om te winnen.

“Dan is het goed.”, monkellachte ze me toe en herschikte uitnodigend haar pionnen.

“Zo lang,” aarzelde ik, omdat onzekerheid de meest charmante zwakheid is, omdat de waarheid vage randjes heeft, “zo lang… Zo lang je me maar niet te veel beurten doet overslaan.”

En toen, toen zat het spel op de wagen.

ik heb laarzen om aan te trekken en wraak te nemen – delphine lecompte

De orgeldraaier heeft helaas geen aapje
Geen aapje in een groene salopet
Met een gaatje voor zijn staartje
Dus kan het aapje geen dobbelstenen werpen
Naar imkers met een bontmuts
Noch naar de ontblote schouders
Van over het paard getilde molenaarsdochters.

Meestal zijn het molenaarszonen die
Kop van Jut zijn
Zoals in De Gelaarsde Kat
Maar ik dwaal af
Ik was nochtans zo goed begonnen..

Het begon met een orgeldraaier
Hij stond zonder beroepsvreugde op de dijk
Hij hield niet van mij
Want hij had nog lesgegeven aan mij
Plots verscheen mijn muze
Maar in mijn droom had hij geen twee benen
Hij had een enkel een linkerbeen.

Toch werd het geen nachtmerrie
Niet meteen
Het werd pas een nachtmerrie toen ik wakker werd
Ik werd wakker alleen en
Toen ik mijn muze opbelde hoorde ik
Op de achtergrond een vrouw
Ze klonk Duits, orgastisch, en competitief.

Maar ik geef mij niet gewonnen
Ik lees een sprookje en
Put moed uit de moed van Klein Duimpje
Nog voor de zon ondergaat is mijn muze opnieuw van mij
Of een been kwijt.

heuvelrug: vluchtheuvel – pietersz van calumburgh

Helicoptervluchten is een passie.
Hoog boven alles en alleen
vervliegt de lucht om je heen.

Wentelwiekend boven honinghoofden
grijpen grage handen bijenzwermen vast,
knijpen honing uit in mat glas.

Beneden omarmen zware zwerfjassen het magere lijf.
In de binnenzak dobbelstenen met zes kanten.
Aan witte handen kleven zwarte wanten.

Vluchten is een passie.
Op deze eerste dag van de laatste zeven jaar.