We wonen op aarde,
in een stadje dichtbij zee
we hoeven niet te praten
zijn dieper dan water
dat kan je voelen
dat weet je
en ondertussen
kijken de engelen mee
We wonen op aarde,
in een stadje dichtbij zee
we hoeven niet te praten
zijn dieper dan water
dat kan je voelen
dat weet je
en ondertussen
kijken de engelen mee
hoe dieper je graaft
herinnert het kinderoog
kan zelfs een microscoop
niet onthullen wat
te zien is in je brein
rede blind ogen zing
lang leve de wetenschap
ook computers helpen niet
om meer te zien dan
een FMRI regenboog
kleurige elektravelden
het kwantum trillen doet
stom blijft de mens
verliest de logica zijn kunst
klinkt er snaarmuziek
een onbekend deeltje God
een entropie botst
stil in mythe vangt
vlucht ik terug
in mijn logica
voordat niets meer overblijft
dan wat tussen uiterste blijft
– wat ik nog steeds bemin is
dat wij blijven kijken met
de ogen van een kind.
hij staat hier klein en eindeloos te wachten
zo deerlijk kwetsbaar blauw – maar hij verbleekt
vaalwitte vogels stalen ooit zijn krachten
de wind vertelt: hier huist een hart dat breekt
zo deerlijk kwetsbaar blauw – maar hij verbleekt
en ik zak altoos dieper in de dagen
de wind vertelt: hier huist een hart dat breekt
hij legt zich neer – ik hoor het zachte klagen
en ik zak altoos dieper in de dagen
er kleeft een datum aan z’n ondergang
hij legt zich neer – ik hoor het zachte klagen
de wind: verlos hem toch van zwanezang
er kleeft een datum aan z’n ondergang
vaalwitte vogels stalen ooit zijn krachten
de wind: verlos hem toch van zwanezang
hij staat hier klein en nodeloos te wachten
je dreinerig lot
ruilde je voor
een dieper fatum
een kirgizische
prinses huwde je
een blonde knaap
bracht je voort
als een kruising
tussen een keltisch
kuifje en een kalmukse
steppenjongen
manas tijgertemmer
overjaars wolvenkind
je doodt
met je blik
alles weet je al
van gene zijde
in mijn ogen schuilt een kind
het voedt zich met volwassen tranen
vindt de glijbaan naar mijn mond
ik heb de smaak te pakken
verdriet is niet loslippig
het is kwelwater in de keel
de bron zit dieper
in de bodem huist een kind
in de nacht
breekt het kind
het verlaat de kamer
steeds dieper
de donkere gang in
de wegtrekkende schaduw
van het bekende
achterna
Zij zag hem, de vreemde jongen
met zijn uilenogen,
kijkend door het sleutelgat
van haar glazen deur.
Zij zag hoe zijn handen zwart kleurden op het glas
als twee spartelende olievlekken druppelend langs
het zout van haar spiegel.
Ja, het zelfde zout
dat aan haar botten vreet
door de mazen van haar dikke palmen.
Hij wandelde door de plastic kamer van bordeaux en grijs
en traag rolden zijn rokerige ogen langs de tafels
en de getatoeëerde hoofden van het trotse, uitdagende schuimvolk.
Hij hoopte als blauwe mist te schuifelen door haar vallei
maar brak ieders ogen open.
Onder hun gebalde blikken
klikte hij zijn rechterwijsvinger open
waarna hij begon te blazen
op zijn vingernagel als reanimeerde hij een
zwembandje.
Haar verkalkte botten smolten van het zout.
Naakt danste zij in zijn schedel
zoals de vlezige nachtvlinders dansen
rond de gifgroene tafel op de buis.
Hun telefoon kietelend als het verlengstuk
van de hartstocht van elke eenzame toeschouwer
lachen zij meer dan hun tanden bloot.
Hoe kussen zij hun moeder? Hoe kunnen zij dat nog?
Vervolgens verbeeldde hij zich haar
in al haar vergankelijkheid ontkleed
van vlees en leven, als een kapstok
zonder kleren gedrenkt in woelende humus.
Hoe haar skelet leefde naast haar warme wanden
als de bas naast de gitaar van Scofield.
En hij wist dat hij net zo min
op dit moment naast haar kon lopen
als wanneer zij wit en beenderen zou zijn.
Want hij droeg zijn moeder en vader in zijn tong
en het huis in zijn kleren. Hij zag hoe haar gezicht
haar zwaar viel en hoorde hoe haar stem desondanks
licht vloeide tussen haar gerevalideerde tanden, natikkend uit een stalen verleden.
Hij zag hoe haar hondse wangen
het vuur uit haar ogen trokken, verzakt
onder de dronken slagen van haar vrijer en verdoemd
door de idiote naïviteit van haar moeder.
Zij mag de liefde niet drinken, enkel erin verslikken.
En zij zal voor eeuwig binnen de glazen kooi
van haar pa en ma verblijven. En het glas
zal haar verboden woorden altijd opeten.
Bij elke stap die zij zet boren haar wortels dieper in de grond.
Week van binnen
zoals ik
hier zit
tranen voel
opwellen
diep van binnen
als een kater
zonder drank
Ik inhaleer
nog dieper
en blaas
nog harder
uit
maar het gevoel
gaat niet weg
lees Kopland
lees en ween…
Staande aan de rand
kijk ik langs de punt van
mijn schoenen
naar de afgrond
onder mij
In het zwart dat
mijn gedachten
nadert,
een oase van rust
wil ik niets liever
dan me storten in
het onbekende
Liefste,
vaarwel
treur niet
treur wel
Staande aan de rand
schuifel ik dichterbij
ik kon het niet
want de ware afgrond
dat ben jij
deze afgrond heeft zich
al genesteld
dieper
en dieper
en dieper val ik
al
in mij
Ik kon het wel
Ik kon het niet
Liefste, treur niet
Je stralende lach klinkt
als muziek in mijn ogen.
De zonsopgang van je billen
aan de horizon van mijn lust.
Ik zing luidkeelse kleuren
die vervloeien bij het beluisteren
van wimpers die fluisteren.
Jouw schoonheid raakt mijn zijn
dieper dan het ik.
Duinen van melk en honing
zachte strandbuik
dijken van dijen
de zilte vrucht.
Dorstig laaf ik mij aan jouw fictie
raak bezopen en buiten zinnen.
Ik proef de zee in tranen
ze spreken van de liefde die ik vond
aan de kust van jouw mond.
Sprakeloos aan je lippen hangen
in een zucht naar verlangen.
Recente reacties