Resultaten voor het trefwoord bossen

aura borealis – iniduo

zwaartekracht valt als appels van de boom
ongeremd door ongerijmdheid
in vrijheid, zoals alleen het luchtledig die kent
zonder weet van afstand, bij wijze van spreken

ik schijn de middernachtzon te kunnen zien
om de hoek
in de schaduw van donkere bossen
in nieuw licht van oude kennis

er gaan dagen voorbij zonder zon, zo op ‘t oog
dan vreet de letterzetter zijn weg door instinct
en oude tafels en stoelen moeten plaatsmaken
voor de lege ruimte

de boswachter – christos makrigianis

In de betonnen jungle , de stad , al jaren bezocht en veracht .
Waar zielloos mensen voortschrijden zonder een pad voor ogen .
Allen volgen een weg van routine , van monotonie , waar dood
aan het einde, kalm wacht . Hij koos een ander pad , in
gevangenschap , niet van betonnen constructies , maar het
schone , oneindige van de natuurlijke pracht .
Zijn gezicht tekent de natuur om hem heen, een naam,
een wezenlijke leven wordt gegeven, als vorm
die het woord gaf. De verdwaalde man zonder pad,
volgde de man van de bossen, in heuveltjes op,
heuveltjes af, de ruwheid van de natuur die op je wacht.
Het onstuimige bemoeilijkt het pad, niet voor alle,
wel voor de moderne, menselijke stap. Geen binding
met natuur, die zich verzet tegen de grond van onze aard.
Gebroken bomen, takken verspreidt over paden,
de verdwaalde man snakkend naar adem, hij gesloten in
ons vroegere, menselijk, doch dierlijk bestaan.

narrenslede – joost de jonge

De bodem van het zijn
Een klankbord van hemelse sferen
Wordt de hemel bewust zichzelf
Ben ik slechts de helft
Van dit transformerende rijm
Dat besloot bij jou aan te meren

Onder een deken in ‘n narreslee
Zwabberend in lichte lucht, zilvergrijs
Genoten wij koude met z’n twee
De nacht van boomstammen zwart
Om onze hoofden verwijlend
Doorzichtig, zwaar en tastbaar
Het bestaan vernietigt
Lieflijke bossen lieflijke lotusvijvers
Onderaan De Toverberg
Meren van gevoel
Hiaten waarin bulderend wordt gelachen
Vormen in soevereine enkelvoudigheid
Een liefdevolle thuiskomst

De bodem van het zijn
Een klankbord van hemelse sferen
Wordt de hemel bewust zichzelf
Ben ik slechts de helft
Van dit transformerende rijm
Dat besloot bij jou aan te meren

schilfers – jonathan griffioen

Wij lagen samen in de greppel
net als die kapotte mannen in regenjassen
in de stad

de pont slaat een paar overtochten over
om de vuilgebekte meeuwen aan te horen
de schipper breekt zijn brood voor hen;

hier op de Dirkfockstraat in Wijk Bij Duurstede
maakten wij van meisjes knellende ritsen
met tongen van ijzer
en borsten vol sokken;

wij leerden roken in het heuvelpark
tussen dichte bosjes en laverende paden
vlakbij het huis van die man met knopen in zijn haren
hij loopt elke dag van de fabrieken tot het dorp
sinds zijn café zich dor achter planken verschuilt
alleen de slijter verstaat hem

jij rookte over je longen
ik meende dat het anders moest
met die vastgeroeste jongen
hij had een barst in zijn blik
en men zei van hem dat hij bij schapen ligt
men zegt wel meer in wijk

wij volgden je naar Langbroek
waar zwartgerokte grieten fluisteren
en kerkklokken dreinend grijze wolken afsmeken
langs de Doornse bossen
tot het platte land dat Driebergen heet

tot roestschilfers zich als vanzelfsprekend
hechtte aan het plak van suikerspin op mijn handen

prooi – martin m aart de jong

Je bent al dagen onder weg.
Je kruipt door polders,
wringt door bossen,
morst wat files door, een weiland
neem je fier rechtop.

Je moet bewegen om van
A naar B, er moet iets
beter worden afgeschaft
en anders weer
een dag te gaan waarin
je verder moddert door de duinen
door een pan het water
in, zout happen en
uit proesten.

Het wordt een hete
zomer en je kronkelt
als een slang,

legt jezelf in het zand
te rusten wachtend
tot de handdoek wordt
gegooid, een warm
lijf de koelte breekt
en jij plots toe
kunt happen.