in het ochtendbed ligt ze
half bloot
alsof ze mij iets inboezemen wil
ik houd mijn adem in
in het ochtendbed ligt ze
half bloot
alsof ze mij iets inboezemen wil
ik houd mijn adem in
Meer dan tien rode wekkers staan stil op mijn geboorte-uur
De uitbater van de wekkerwinkel zegt: ‘Toen je vader
Nog een leeuwentemmer was heb ik zijn leven eens gered
Met een afgebroken cherubijnvleugel, hij was nauwelijks dankbaar!’
Bijna elke dag wordt de ondankbaarheid van mijn vader mij aangewreven.
Ik verlaat de winkel met een blauwe wekker
Die mij wijsmaakt dat ik tien minuten te laat ben voor mijn huidanalyse
In de wachtzaal ben ik het enige zoogdier zonder hoogtevrees
Uit verlegenheid doe ik alsof ik mij in mijn brooddoos verdiep
Mijn grootmoeder heeft mijn brooddoos gevuld met marsepein en Mondriaan.
Orthogonale postkaarten en marsepeinen ramshoorns
Wanneer ik aan mijn geboorte denk prijs ik mij gelukkig
Dat mijn helse moeder toevallig bezoek had van een dappere loodgieter
Hij was dapper genoeg om mijn moeder KO te slaan
En mij uit haar lijf te snijden met een sierlijke kromsabel.
In de behandelkamer van de dermatoloog vraag ik met bloot bovenlijf
Of mijn naam wel bij mij past
De dokter antwoordt: ‘Ja, ja, Melissa is een hele mooie naam.’
Ik verbeter hem niet, ik wilde altijd wel eens Melissa heten
Het enige pretpark waar ik nooit word aangerand heeft een honingthema.
Wanneer ik terug ben in het huis van mijn grootouders ben ik nog altijd zoet
Ik geef de blauwe wekker aan mijn jarige grootvader
Hij aait mij en vraagt: ‘Waarom heb je gisteren mijn lievelingsmasker verbrand?’
Het was een spottend vruchtbaarheidsmasker met vier slagtanden, maar ik zwijg.
mensen vind je op een zomerdag aan het water
leest de journaalpresentator droog
het beeld toont kleurig bloot,
een marktkramer die borsten en billen verkoopt
en bibbert
het cameralampje springt op rood
zijn das zit nog keurig
maar hij verslikt zich in zijn glas
het speelveld in mijn lege hoofd
ligt bloot
bezaaid met wilde rozen
uitdagend als papaver
verdoofd door open monden
het rood in mijn blik
steekt mijn ogen uit
tastbaar als een klap van geuren
zo wals ik door de kleuren
van een wulpse weide
opgetild
in de stilte
van een verloren vogel
white
och arm meisje
hoe gaat het met jou
ben je zo bang en alleen
in de kou
weet je de weg niet
en heb je geen jas
of handschoentjes aan
moet je zo bang en alleen daar maar staan
moet je zo huilen en ben je zo moe
wees maar gerust
ik kom naar je toe
ik houd je goed vast en wieg je in slaap
terwijl ik zing over een klein arm schaap
ik wikkel een deken goed om je heen
voortaan ben je nooit meer alleen
black
een ander bloot meisje
in de blakerende zon
snakkend naar water
wacht maar ik kom
ik geef je te drinken
les je ergste dorst
drink niet te gulzig
voorzichtig je morst
nadat ik je waste
terwijl ik je suste
en goed op je paste
je veel en teer kuste
je wou zo graag slapen
je was ook zo moe
ik leg je te ruste
en eindelijk gingen je oogjes toen toe
nu speel je getweeën
en zijn jullie blij
voor altijd en eeuwig
heel veilig bij mij
Smerige hond,
ik jaag je op tot aan het graf, ga door een bos van jaren,
leg aders, al jouw gore daden bloot. Deze keer geef jij je over.
Mond open, rits op ooghoogte, mondje dicht. Slik, zegt hij
en ik verlam in een grote mensenhand. Als iets mij dwingt, heel vies en
hard, word ik door vleugels opgetild, verdwijn ik naar een ander licht.
Daar zingen zij een hart voor mij, zij zingen mij een haag van rozen,
een krans om in te wonen. Zo woon ik nog. Maar ik keer terug,
vind hem in dat ene jaar, die dag, dat hok. Waar hij zich denkt te kunnen
verschuilen, grijp ik hem juist. In iedere hoek van iedere cel, want ik ken
ieder allel van jou. In de speelgoedberging breng jij jouw muil in plaats van
mij naar die vuige zak, klootzak, en waag het niet die vuile poten in mijn
onschuld te wassen, smeerlap. Dat bloed kleeft aan jouw tanden.
Je hoort het goed, ik jaag op je,
wacht je op. Begin maar vast met huilen, moederneuker, kind van God.
Bij het vuur zingen sterren:
het is goed om knoken te warmen.
Aan de kleren herken je de verlangens:
ze liggen in een plas aan haar voeten.
Ik streel de kilte weg,
begeerte verdampt bij zoveel bloot.
Nu ben ik het bos.
Mijn armen de beschutting.
Reeds anderhalve week ligt hij vergeten
en bloot op het tafeltje dat constant
buitendienst draait. Voeg daarbij dat
de herfst weer eens de killer uithangt.
Tijd voor zijn redding en een dichtdik boek
doet immer goed. Ietwat beslakt glijdt hij
tussen opwindende gedichten in een zalige droom.
De volgende morgen geniet de boekenlegger
vol verbaal van zijn nieuwe leven en laat niet na
de meest wonderlijke regels op te hoesten.
De kleding is wat te zwaar
Maar er wordt gekeken
Het licht zo bloot
Een bloem ontkiemt
Het blad is onbedekt
De maan ontsluierd
Terwijl ik bepakt ben
Mijn jas zo zwaar
Ben ik anders heel bloot
Mijn oog kijkt bloot
Mijn gedachten zijn bloot
Waarom wordt er niet alleen geleefd
in een tropisch klimaat?
Geen kleur staat mij
zwaar is het haar en al en al
foeragerend
lanterfanter en pierewaai
ik
in het moeras
bij een ondiepte
met mijn knuisten
snees ik
door achtergebleven slib
en probeer
uit te knobbelen
ontwarren
bloot te leggen
wat dichters
bedoelden
bedroesemt
keer ik huiswaarts
als Nabob
Recente reacties