Resultaten voor het trefwoord bladeren

dwaalsonnet – iniduo

Aan de horizon smelten zee en wolken samen,
langs grenzen van het oog, aan het zicht onttrokken.
Omdat zij daar een naderend stiltefront beramen
zullen spoedig tranen dwarrelen als vloeibare vlokken.

Als ik mijn oor te luisteren leg, voelen druppels zacht.
Verre regen klinkt als een knapperend haardvuur.
Vrijheid lonkt, die niet binnen maar buiten wacht.
Misschien is daarom vreugde maar van korte duur,

want wat innerlijk rusteloos vuur zoekt is nooit daar
waar glinsterende bomen schuilen voor de milde zon.
Hun bladeren werpen een schaduw op het heden,

als tonen zij dat gisteren naar herinnering is vergleden.
Is daar de plek waar deze reis ooit begon?
Zelfs dat weet ik niet, daarom vraag ik het maar.

nana – tijl nuyts

Je stuurt me brieven
met droge bladeren
van je sinaasappelboom

Ik ruik
het stof, de wind, de zomer
in de enveloppe

Dartelt je hand nog,
je gom en je potlood
vliegen elkaar in de donkere haren

Je land spiegelt
als een roestige munt in het water

Het schorre gefluister van
je sinaasappelboom
vertakt zich voor mijn ogen

Je hangt de zinnen in de withete zon
te drogen
kleurige wasknijpers klemmen
flarden wereld aaneen.

vang ons – kate schlingemann

Kom, trek jonge ogen aan
maak laarzen van je voeten
woel tenen door het natte zand

Licht zoeken we,
op het water
tussen vingers
uit het schuim
en bladeren

van ongeduld huilende wolven
we ruiken de maan zoals ze valt,
trappelen haar in glinsteringen

lenteflash – berrie vugts

De stengel buigt zijn hals
Rankt.
Verlangt zowaar naar afgesneden kelen
Die zachtjes, zachtjes vallen in het gras
Zonder overdreven dwarrelen.
Het blad krult op
De zon trekt nog eens fel van leer, schroeit
de gekrulde bladeren.

een boom op het veld – onbezield

er staat een boom
op het veld
zijn verloren bladeren
maken hem kaal
dwars doorheen
kun je alles zien
hoe een wolk voorbij drijft,
de eerste zonnestraal
je begroetend aanraakt
meer is er niet

weerslag – dio the cilany

daar is het licht
dat steen voor steen de straat beklimt
water beschijnt en druppel na druppel
verdwijnt het zicht op de put

elk hoofd weerspiegelt
als een gerimpelde Narcissus
voordat zij steels verdrinken in zichzelf
en sleets gezichten omranden

daar verliezen wapperende bladeren
hun kleuren in handen
die het venster bestieren

toekomst – elize augustinus

En de duisternis trok door het land
terwijl grote macabere ogen de

boomtakken – nog vol als de zomerzon –
langs de kant van de weg verlichten.

Ik zag hoe de bladeren regengepoetst
treurig naar de aarde keken en weenden om
hun naderende en te vroege dood.

O treurige dood van midden in ’t leven nu
alle bloesem weggewaaid ’t lange wachtten
op nieuw leven.

Verdriet rijpt als het koren.
En naar de lente.
Als al het nieuwe leven
weer vruchten zullen geven.

serenus – elize augustinus

Dromen als Serenus
op een lavendelbed
omringd door

exotische bladeren
onder de ficusboom
een blauwe reis

van sereniteit en
innerlijke
bespiegeling.

In het licht
fonkelt
elke diamant.

opstand – stoney pete

In het huis mijns vaders
zet ik de ramen open
want er zijn vele kelders

Hij is elders
bezig met bladerblazers

In de tuin branden hopen
verboden bladeren

Maar tegen zijn zin in
waait de rook naar binnen
en de rookmelders zingen
de doden wakker

wildgraaf – wout waanders

het bos waar we in renden had hoge takken als daken
en lage takken als muren en de bladeren wapperden maar wat
onze handen glipten over de natte varens
eronder onze voeten en de grond van mos als een vast land

je begint te praten in het zomaar enkel om me niet kwijt te raken
ik ben normaal een deftig persoon en draag hoge hakken
en de piano staat in een soort salonachtig bijgebouw
ik speel er zelden op de huishoudster maakt hem schoon met groene zeep

soms als ik ’s nachts in het diepst van mijn dekens luister
hoor ik slordige dames vunzige liedjes spelen
de toetsen klinken in hun handen als watervallen van modder
het water klettert tegen onze knieën

we zullen erdoorheen moeten waden zeg ik haar
ze let niet op haar voeten die in het slik steken
ze houdt mijn wandelstok vast en de dolk van hout die ik haar sneed
de stroming is sneller dan we dachten ik grijp naar alles wat drijft

mijn slik is water geworden en de zalmen als muren
je huis is een gerechtshof waarvoor wij moeten boeten
als een eenzaam protest hoor ik achter het hoge raam
een dame die zacht begint te praten