Resultaten voor het trefwoord berrie vugts

droom – berrie vugts

Er liggen rozen op een altaar
Vijf of zes rozen evenwijdig

Het is niet warm of koud
Het is windstil

Er liggen rozen op een altaar
Vijf of zes rozen evenwijdig

Ik kijk toe hoe je een voor een
van het altaar rolt.

merel – berrie vugts

De tak veert vervaarlijk door maar
Je raakt niet in paniek

Je snavel streng ontspannen
naar voren gericht

De doornen groeien door
beschermen je nest

Een pier siddert tussen de pollen

blauw – berrie vugts

Je snavel heb ik gerand je bek
Opengebrand, het rozige keel

Uit-gepikt uit het slobberige
schuim van je wateren gevist

Je keek niet eens bloedend toe
Alsof ik niet jou heb liefgehad

Het was een soort paringsdans
Maar zo verdomd asymetrisch.

lenteflash – berrie vugts

De stengel buigt zijn hals
Rankt.
Verlangt zowaar naar afgesneden kelen
Die zachtjes, zachtjes vallen in het gras
Zonder overdreven dwarrelen.
Het blad krult op
De zon trekt nog eens fel van leer, schroeit
de gekrulde bladeren.

buurman – berrie vugts

Buurman heeft nog met Henk Duut en Mario Been gespeeld
Voetbal? Vraag ik.
In de jeugd van Feyenoord, daarna nog bij Overmaas
Spits.
Kapotte knieën, een rode kaart, het woord homofiel,
Geen spijt.
Buurman kijkt naar mijn schoenen:
Eigenlijk moet je twee paar hebben
Eigenlijk wel ja, zeg ik
Voor als ze nat worden
Ik droog ze bij de verwarming
Dan krimpt de demping
Daarom moet je twee paar hebben
Buurman, ik heb het koud.

sportdorp by night – berrie vugts

Voor op straat verstommen late kinderstemmen in
Het donker. Van verderop wordt een ijzig kermen
gedragen om af te sterven tegen onze fletse ramen
 
Het komt vanaf de schaarsverlichte amateurvelden
waarop stoere mannen bleekjes kringen- en samen
drommen rond het verwonderd dier in hun midden
 
Ik sta in de badkamer en stel me bot voor dat door
de huid van een nog jong en beurs scheenbeenheen
uitstekend bloedt. Ik sta verkrampt voor de spiegel
 
En was mijn gezicht maar wordt niet meer wakker
Je fluistert vanuit bed dat ik niets, dat ik niets zeg
De overloop trekt vacuüm de hal begint langzaam
 
Te bewegen. Het dondert in mijn kop. Het dondert
Niet. Je schreeuwt uit bed dat ik je niets meer zeg
Maar ik zwijg niet lief, ik speel mezelf in stilte af.

stem – berrie vugts

Ik wil je stem horen
Niet wat je me zegt

Ik wil je stem horen
Uit je tong en lippen

Uit steen opgestaan
Wil ik je stem horen

Ik wil je stem horen
Hoe ze zich uittrekt

Hoe hard gesmeed
steen zich uitdrukt

de man – berrie vugts

Het kind kwam in het spookhuis tot de conclusie dat het nog wel een schim
van zichzelf was, het snelde daarop naar de uitgang, bestelde verheugd nog
een rondje, het overspeelde daarmee zijn hand en werd opnieuw genegeerd

De man kwam in de kroeg tot dezelfde conclusie.

na de inbraak – berrie vugts

Je komt na een nacht elders in de loop van de middag weer thuis
De poort is van het slot en je ziet het koffiezetapparaat buiten op
De grond staan en je staart naar het raam dat je had dichtgedaan.

Hebt dichtgedaan. Je gaat zelf door het raam naar binnen met die
spanning van: zijn ze misschien nog hier en begint het dan nu pas
Maar je treft niemand aan. Je slaapkamer slaapt in de nachtkastjes

Die openstaan en even leeg van binnen zijn als toen ze nog dicht
Waren. Ze waren altijd dicht bij jou. Je staat in de slaapkamer en
ziet hoe het dekbed glanst en op je strakke naakte lichaam wacht.

Langzaam breekt het besef bij je door van een esthetische code
die in de kamer heerst en daar ook al heel erg lang voor jou was
en die je direct met de indringer verbindt. Dan breekt het besef.

* – berrie vugts

Ik fietste over het Varkenoordseviaduct en zag een zwarte paraplu
klemzitten tussen de spijlen, met zijn gebogen geraamte verweerd

klapperend tegen spijlen. Het was een soort morse: drie keer lang
Een keer kort. Ik ging rechtdoor, ik dacht er verder niet meer aan.

Een week later, voorbij het Varkenoordseviaduct, op de stoep bij
Een getralied hek voor het braakliggend terrein van een bouwput

lag de zwarte plu, verder geschopt, verwaaid, gescheurd in zijn
lakense pak, zijn geraamte als losgeslagen wieken verroest van

het lange liggen in het natte regenwater. Er was duidelijk iets mis.
Hij klapperde niet langer maar het klopte van binnen en ik seinde

Een keer lang drie keer kort.