Resultaten voor het trefwoord appel

de duivel en de koe – delphine lecompte

Er zit een goedgeklede duivel tegenover mij
Hij wil dat ik minder over mijzelf schrijf
Hij vraagt aan de waard of hij zijn GSM mag opladen
We delen een bord koeientongen
Vroeger vereerde ik veel beesten, de koe nog steeds.

Onder de tafel zijn mijn veters los, vooral links is het vervelend
De goedgeklede duivel zegt: ‘Morgen koop ik nieuwe kleren voor jou.’
De waard vraagt of mijn moeder nog altijd zo wild is
‘Bedoel je sletterig?’
De duivel hoont: ‘De appel valt niet ver van de boom.’

Maar ik was nooit zo wild als mijn moeder
Wel altijd zo weglopend als mijn vader
Ik strik mijn veters, dat heb ik van de tuinman geleerd
De tuinman van mijn grootouders was geen duivel
In zijn cel heeft hij vorige week zelfmoord gepleegd.

‘Je denkt weer aan die tuinman!’ Zegt de duivel verwijtend
‘Ik ben blij dat hij dood is.’ Lieg ik
De waard vraagt of mijn vader nog altijd goochelaar op een cruiseschip is
‘Je bedoelt buikspreker. Ja, ze dragen hem op handen. De negentigjarige gravinnen vooral.’
De duivel staat op om een praatje te maken met een jongere vrouw.

Ze palaveren over tapijtenkloppers, en over het Lam Gods
De jongere vrouw klinkt zelfverzekerd
Alsof ze het van haar ouders heeft geleerd
Het lokken, het strikken.

revisited – quirien van haelen

Wie eenmaal in de appel heeft gebeten
Zit nooit meer eenzaam achter vensterglas
Vol spleen, zichzelf onnoemlijk te vervelen

Wie in de appel beet, laat eerder weten
Dat hij vandaag nog bij de kapper was
Of liket een foto waarop honden spelen

deerntje dun – ellen vedder

Jij bent top Deerntje Dun, je vliegt
door de dag op een appel en een ei
de skinny jeans om je kont is wijd
in de passpiegel loert perfectie

Zij leidt, het leven uit het vlees
gekneed, overal pees, strakke snoet
Waar fiets je heen, Meisje Sterk?
Jouw stokjes malen bezeten rond

Vlug passeer je de aardevrouwen
hun zorgen vergeten voor ze grond
raken, denk je echt, Deerntje Dauw
dat je van het licht kan leven?

in de verte – bob elias

In de verte
achter een horizon
van traag licht

Ruist het lachen
van een kind
langs rijpend fruit

In de boomgaard
waar de rups
de appel mijdt

En sterft
voor het geluk
van een vlinder

paris – elize augustinus

een stuk hemel
raast voorbij
achter haar venster

modderige contouren
een schild om
het wit van de jasmijn

trage tranen
parelen door
sterke contrasten

Trojaanse slagvelden
spiegeltje spiegeltje
aan de wand

Paris met
een gouden appel
in zijn hand

En een bloeiende
economie.

tot de kern – hanny van alphen

geef mij die appel, ja die ene
ik zal hem eten, weten waarom
Sodom en Gomorra niet op één dag zijn gebouwd
of moet ik daarvoor een voettocht
maken naar Rome

mijn rugtas puilt uit van de zonden
er kan geen wijn of water meer bij
ik wacht op regen en vliegende vissen
misschien wat manna voor morgen

maar eerst die appel, die ene
laat mij een weg bijten naar het huis
gebouwd op schandpalen en oude venen
waar het zaad rammelt
in ongekuiste cellen van ’t verleden