Resultaten voor het trefwoord amsterdam

dag mijn lieve amsterdam – berry tunderman

Zie je straten, bruggen, je gebouwen.
In een film of op tv.
Van oude liefdes blijf je houden.
Op afstand anders dan je deed.

Natuurlijk goedgemutst volk.
In de Ferdinand Bol.
Kwam het steeds minder tegen.
Aan de pijp in een crackhol.

Kroeg op de hoek met tante Sjaan.
Een lied, een mop- belegen tijd.
Sjaan dood waar de dagen gaan.

Geen scheiding verloopt gladjes.
Loop nu met een boeren pet.
En in mijn gang verdwaalde padjes.

gedicht dat ik schreef in 1994 – maaike klaster

Toen ik 18 was, de Roxy in Amsterdam nog bestond
en XTC hoogtij vierde

 
 
Zo lief en lief
is iedereen
en alles
houdt van jou

Je danst en praat
Je springt en aait
Je zoent een man
en dan zijn vrouw

Het eeuwige leven
strekt zich uit
omdat de nacht
oneindig lijkt

Maar ‘s ochtends vroeg
merk je al snel
dat alles slechts
twee pillen blijkt

aan hafid bouazza – maaike klaster

geboren te Oujda, Marokkko
woonachtig te Amsterdam, Nederland
 
 
Lieve Hafid, dronken lor.
 
Waarom mag ik dat niet zeggen?! Het is toch zo?
Aan iedereen die nu thuis hardop zit te denken: Wat een bitch! –
dat klopt, ik ben het grootste kutwijf dat je op deze aardbol ooit
tegen het lijf zult lopen. Daar krijg je bibberknieën van, hè?
Mooi zo.
 
Terug naar jou Hafid, lieverd, waarom drink je zo?
Geslagen door het leven, m’n reet. Je werd geslagen door je vader
en dat is al erg genoeg, maar dat is geen excuus om, nu je zelf
volwassen bent, met dezelfde haat om je heen te slaan. Je bent geen
klein kind meer; je bent een N.S.M.A.N.N. (zoek maar op, mensen)
en er zijn zoons die naar je vragen. Kom dus maar op met die flacon
absint. Ik weet dat je die daar bij je draagt. Echt.
 
Herinner je je ’t Schuim nog?
Jij zat pilsjes aan elkaar te rijgen alsof het een kralenketting betrof
terwijl ik naast je op een barkruk aan de thee zat en naar je luisterde.
Wij deelden een jointje, waarna jij je terugtrok op het toilet, met een
geheimzinnige fles, om daar te doen waar het werkelijk om ging,
want absint, dat is een hallucinogeen van andere kwaliteit. Maak dat
de kat wijs, lieve schat!
 
Nu zie ik dat je stukjes schrijft op de weblog van een ander. Pardon?!
Waar is Shakespeare’s ganzenveer gebleven, die vergulde pen?
Je schreef zo mooi en nooit zonder te dromen, groef naar je eigen stem.
 
Ik was al fan van jouw werk nog voor wij elkaar voor het eerst de hand
schudden en ik – omdat ik jouw gezicht ergens van kende – dacht dat
jij misschien een vaste klant was uit het restaurant waar ik werkte,
wat dus niet zo was, en jij aan mij vroeg of ik dan toevallig Mohammed
die salades maakte, Mohammed met de aambeien kende en ik zei:
“O, díe Mohammed! Ja, die Mohammed ken ik wel.”
 
Toen kon ik nog met je lachen en dat zegt wat. Nu zit je jezelf en
iedereen die iets met jouw afkomst te maken heeft spreekwoordelijk
onder te schijten en dat doet me pijn, want zo blijft er uiteindelijk
ook niets van jou over, Nederlandse Schrijver Van Mijn Hart.
 
Ik wil Abdullah terug en niet alleen zijn voeten. Wil jij hem voor
mij zoeken? Je had gelijk hoor, jij was nooit mijn hoeder en ik ben
niet jouw moeder. Je bent mijn bloedeigen, Marokkaanse broeder.
 
 
Veel liefs,
Maaike
(Nu niet weer mijn naam vergeten. Ik heb de jouwe ook altijd geweten)

de hort op – maaike klaster

Vandaag zag ik in de Hortus Botanicus Amsterdam een vlinder
geboren worden. Nou ja, tevoorschijn komen uit een cocon.
Met verkreukelde vleugels, maar heel. Niet zo snel als ik dit schreef,
als u of jij dit leest, maar dagen waren het ook niet. Dat is – wat is? –
hoe lang het duurt om vanuit halfbewusteloze slaaptoestand,
uitgeput maar wakker, tevreden het leven tegemoet te treden. De zon
scheen, dat scheelde, dat scheelde heel veel, en ik was voor het eerst
in weken op de been, op reis in eigen stad, vond overal stukjes van
mijn verhalen terug. Geen idee hoe dat kon of kan, maar ik werd er
vrolijk van. Er was ergens iemand die op mij wachtte; voor het eerst
in mijn bestaan was er iemand die smeekte of ik als-je-blieft thuis
wilde komen. Dat scheelde ook. Hij had nog geen sorry gezegd, dus
ik bleef wat langer van huis, en hij maar huilen. Soms is dat het enige
wat je voor een ander kunt doen: net lang genoeg wegblijven zodat
diegene zelf die verloren puzzlestukjes onder de bank vandaan kan
vegen, tegen zichzelf zal schreeuwen omdat hij iets onbeschrijflijk
smerigs heeft gedaan. Daar wilde ik graag bij helpen, maar alleen
voor mijzelf, want niemand – níemand – komt met schoongewassen
vingers aan mijn open vleeswond om mij te vertellen dat ik de
veroorzaker daarvan misschien had moeten bedanken en dat het
nalaten daarvan waarschijnlijk de bron van alle kwaad was. Geen
mens komt met zo’n opmerking weg. Ook mijn grote liefde niet.
Iemand die zoiets bij mij flikt – zijn fikken niet thuis kan houden –
zich bovendien zogenaamd onkwetsbaar toont en op die manier
veilig buiten schot blijft, kan mijn razernij verwachten op de meest
onverwachte momenten en met een scherpe linkse hoek. Ga dan maar
met stoffer en blik in de aanslag naar die paar kiezen, die stifttanden,
die voorzetplaatjes, die memorykaarten; puzzlestukjes op zoek. Dan
ga ik nog even aan de vlinderstruik ruiken, lelies uitzwaaien,
vleesetende planten een hart onder de riem steken. Ik hoor wel
wanneer jij het jezelf hebt vergeven. Dan wacht ik nog wel wat.

voor maaike (dat mocht wel, vond ik) – maaike klaster

Omdat je weleens een neger hebt gezien
(mag ik neger zeggen, dames en heren?),
ben je nog geen Bijmer-expert.
Iemand noemde mij eens De Witte Negerin Van Amsterdam.
Geen idee waarom, want de rok die ik aanhad, kwam uit India.
Maar het is waar, als tienermeisje zat ik op metrostation Kraaiennest
(in die goeie, ouwe tijd) vol waardering te kijken naar al die kleurrijk
geklede vrouwen met hun klederdracht uit Ghana en Nigeria, met de
prachtigste tooien op hun hoofd, die met pronte borsten en trotse
schouders voorbij kwamen lopen, en dan dacht ik: Dat wil ik ook.

Zoals ik als vijfjarig meisje het allerliefste op de hele wereld een Zeeuwse
wilde zijn, met kanten kapjes en zilveren spiegels die de Zuid-Nederlandse
zon weerkaatsten, lonkend naar de golven van de Noordzee blonken, met
dikke billen in een mooie rok en dan met z’n allen dansen in een kring, met
z’n allen op klompen dansen en alleen nog lachen, alleen nog mooi zijn.

Die Zeeuwse was ik ook, want ik had een ring met een Zeeuws knopje dat
van het fijnste zilver gemaakt en alleen van mij was. Dat knopje ben ik
helaas al heel gauw kwijtgeraakt en ik weet eigenlijk niet waarom, want
ik kreeg het van mijn oma en niet om het meteen weer te verliezen.

amsterdam in december – harry m.p. van de vijfeijke

Hoe kaler en ontkleder de grachten,
hoe zwarter de takkenvitrages, des te voller
ik denk aan je melkwitte kont.

Gasgeel is het licht achter het glas in de gevels.
Alsof Breitner hier gisteren nog was.

Koud is het vuur van de jaren, de altijd flanerende tenen,
stram van het eeuwige striemen de winterse benen.

Maar het bloed is in de lichtschijn al warm aan het lopen.
Er wacht mij een bed, klaar ligt mijn lief om de hoek.

De daad voegt zich vandaag bij het innige woord,
ik loop het met Breitner te hopen.

amsterdam, overtoomse veld, 30 april 1993 – hans mellendijk

Verkreukeld, verfrommeld, verfomfaaid,
uit een vervlogen tijd aangewaaid,
kijkt James Dean mij ongegrond opstandig aan,
vanaf een verlopen calendarium uit ’91.
Ik vraag mij af, nu ik uitgeput maar voldaan,
na een lange feestelijke wandeling, in het gras lig,
denkend aan zo’n duizelingwekkende vlucht uit het verleden:
‘Hoe vliegt de tijd?’

Door ’n prille meid,
zag ik je zo-even nog snel verkocht.
Terwijl jij liever de vrijheid zocht.
Bent toen uit het Vondelpark door de wind meegezogen,
met scharrelend zwerfvuil door het Rembrandtpark gevlogen.
Op het laatst neergedaald voor de GAK-kantoren.
Om als een objet trouvée, in de tijd bevroren,
door mij bewust te worden geadministreerd.

Uiteindelijk in dit vers hartstochtelijk vereerd.

scorbuut – sandrine verstraete

Symptoom 1: De huid wordt ruw en vaal
 
Onze voeten zijn gebarsten
Jeukende kloven van geheimschrift
Waarvan we de sleutel zijn verloren.
 
Onze veters zitten victoriaans strak
Vastgeregen om niet uit onszelf te vallen.
Alsof we van hals
Tot enkels in pek zijn overgoten.
Om niks te verliezen.
Geen zweetdruppel of schilfer vel.
Hoewel de gedachte verleidelijk is
Als pluisjes van een inslapende paardebloem
Alle kanten van de stad uit te waaieren.
 
Zo vertrekken we
In een witte regen van wuivende zakdoeken
Nog een tijdje trilt hun kruidige parfum in onze neusharen na.
Mijmeringen ploffen tussen onze verhitte lippen door.
Ze klinken naar knappende koortsblaasjes
Volgens het ritme van een slaapbeeld.
We zijn ervaren reizigers in de nacht maar
Kunnen onze vinger nog niet leggen
Op dat punt van metamorfose
De vlinderslag die de nacht naar dag kantelt.
 
Blauw en roze denken ze
Maar wij weten voor de zon opkomt
Moet je waden door een poel van bruine lucht
Spartelen om niet onder te gaan
Happend naar lucht
Zijn we verloren drenkelingen in
Een zuigend moeras dat
Alle haarvaatjes van een oogbal
rood naar de witte oppervlakte zuigt.

 
 
Symptoom 2: Concentratieverlies
 
De lucht was toegedekt.
Een ingewikkeld weefsel van melkwitte slierten.
Die uit dromende hoofden vloeiden.
Een patroon.
Verbanden die er overdag misschien niet durven bestaan.
Waar enkel wij getuige van zijn.

 
 
Symptoom 3: Bloedend Tandvlees
 
Een stilte kabbelt oneindig voort.
We hebben honger.
Maar weten niet wat we nu nog horen te eten
Onze tanden staan zo los dat we ze met de tong kunnen uitduwen
Roos sponsachtig weefsel dat
Kauwen onmogelijk maakt
Rondom ons mechanische monden
Die minder kieskeurig zijn.

 
Brood en spelen.
Neutraal en rauw.
Hangend aan een haak
Brood en vlees.
Altijd goed.
Neonlicht gidst ons tot de essentie
in vuiloranje donkerte.
 
Kleine kamikazevliegjes
Storten zich overmoedig neer
Op een tong wanneer we
Vermoeid onze lippen openslaan.

 
 
Symptoom 4: Gedaalde ogen en gezwollen oogleden
 
Het was begonnen in een stad.
Het begint altijd in een stad.
We lagen in elkaar gestrengeld,
Al dagenlang thuis te wachten.
Vreemd gevormd monster onder geruit deken,
Te luisteren naar het bruisen van ons bloed.
En de ruis in ons ademen.
Het geknetter tussen onze oren.
 
Het was tijd.
 
We voelden nog een laatste keer aan onze ogen.
Uitgedroogd.
Schilferend.
Onze oogleden leken te kort.
Als we ze probeerden sluiten
Hield iets die twee stukjes huid tegen.
Rolden onze ogen enkel achterwaarts.
Twee witte vlekken in ons gezicht.
We tokkelden onze vingertoppen tegen elkaar
Een teken                 Het was tijd.
 
De deur kriepte een beetje.
We stapten de nacht in
En lieten onze contouren achter.
 
We houden de wacht.
De stad als een slapend lichaam
In onze armen omklemd.
We verliezen ons erin.
In de nacht.
In het stadse lichaam.
We vermengen ons perfect.

 
 
Symptoom 5: Stijve ledematen
 
We dachten
Als we het water blijven volgen
Langsheen Londen en Bombay
Dat we het wel zouden vinden
De utopie waar we al zo lang van droomden
Een plaats waar tijd niet bestaat
En altijd beweging valt te registreren
Tot de batterijen van de camera leeg zijn.
Een uitvergroot horlogeraderwerk uit Zwitsers goud
Waarin mensen klein lijken.
Ja klein lijken, dat leek ons wel wat.
We durfden zelfs stilletjes van zonlicht dromen.
 
Het duurt langer zonder dat iets
Dichterbij lijkt te komen
Het zijn altijd misschiens die
Nergens op uitdraaien.
 
Gelukkig zijn we onderweg
Alles wat we nodig hebben.
 
We zijn de ratten.
Als alles onderloopt
Het water rond ieders enkels staat
Zullen wij als eerste ontsnappen.
Naar droogte vluchten als iedereen nog
Dronken danst en het kamerorkest
nog een laatste wals inzet.
 
Als het moet hebben we ogen
Op onze rug, geroofd
Van wie niet zien wil.
 
We zijn zoveel geworden dat we
Slechts nog met een navelstreng van speeksel
Verbonden zitten met onszelf.

 
 
Symptoom 6: Onderhuidse bloedingen die de huid paarsig kleuren
 
Er hangt een zuchten in de lucht.
Een zachtjes ademhalen.
Het klakken en strelen van een tong
tegen de randen van een mond.
Misschien wil iemand zo stil iets zeggen
dat we het niet meer begrijpen kunnen.
Zelf zeggen we al lang niets meer.
Er zit zoveel in de weg.
Zacht en donzig van ons verhemelte tot onze onderlip.
 
Wie niet spreken kan moet wandelen.
Tot zijn gedachten vervagen
Losser worden
Melkwit.
We schrijven in morsecode met onze voetstappen.
 
Er hangt een zuchten in de lucht.
Wij antwoorden in lang kort kort.

 
 
Symptoom 7: Nieuwe wonden genezen niet, oude wonden of littekens kunnen weer opengaan.
 
Ik zou niet meer kunnen zeggen
Hoe we plots elk langs verschillende kanten van de oever zijn terecht gekomen
En niet meer samen kunnen zuchten
En stappend tegen elkaar aanbotsen
En daarom glimlachen
 
Toch gaan we verder
New York en Duinkerke.
We zwaaien af en toe
Liverpool en Gdansk.
Maar steeds minder.
 
Er zit een geniepig geluid in mijn oren
Dat me herhaaldelijk stil doet staan.
Met een ruk mijn hoofd doet keren.
Om enkel mijn schaduw te zien
In golvend reliëf op de kasseistenen.
Niemand daar die lacht
Hoewel ik het wel hoor
Een ingehouden proesten hooggestemd en sarrend.
 
Amsterdam, Helsinki en Calais.
 
Ik zuig op iets.
Een tong.
Maar het voelt niet als de mijne.
Maakt bewegingen die ik niet zelf beslis.
 
Shangai en Brugge.
 
De tong die aan mijn zuigen
Ontsnapt. De binnenkant van mijn wangen streelt
De randjes van mijn tanden.
Het ingeslikte proesten
Worden woorden in hoge tonen
Die mijn hoofdholtes doorpriemen.
Ik spoel mijn mond met kiezelsteentjes
Schuur zo de stem eruit.
Tot mijn lijf ether zweet en ik
Enkel nog uitgeput naar de overkant kan staren.
Tot de zon opkomt en blauwe vlekken
In mijn netvlies brandt.
Ik zie niets meer
Maar zwaai nog even.
Een haan kraait
En ik durf mijn ogen sluiten.

amsterdam – freddy s.

Psychologen krijgen steeds
vaker bezoek van jongeren.

Ze hebben last van angsten,
depressies en gedragsproblemen.

(Vooral het percentage dat met
leerproblemen kampt, is toegenomen.)

de man uit iran – berrie vugts

Op de dam in Amsterdam staat een man uit Iran in brand en verdwijnt
dezelfde avond uit het nieuws omdat iedereen de teevee heeft uitgezet.

Omgeven door verlies van bewustzijn drong nog even de triomf door toen de man in brand uit Iran op de dam in Amsterdam door een vreemde begeerte werd aangeraakt.

De strohalm liet hem los in het volle bewustzijn dat de man in brand uit Iran op de dam in Amsterdam nog niet geheel was uitgeprotesteerd.

De man in brand op de dam uit Iran in Amsterdam hoeft zich geen zorgen te maken over de omstanders; zij worden goed opgevangen.

De artsen concludeerden de volgende ochtend dat de toestand van de man uit Iran in brand op de dam in Amsterdam uitzichtloos was.