KRAKATAU

tijdschrift tegen alles, omdat niets beter is

scorbuut – sandrine verstraete

Symptoom 1: De huid wordt ruw en vaal
 
Onze voeten zijn gebarsten
Jeukende kloven van geheimschrift
Waarvan we de sleutel zijn verloren.
 
Onze veters zitten victoriaans strak
Vastgeregen om niet uit onszelf te vallen.
Alsof we van hals
Tot enkels in pek zijn overgoten.
Om niks te verliezen.
Geen zweetdruppel of schilfer vel.
Hoewel de gedachte verleidelijk is
Als pluisjes van een inslapende paardebloem
Alle kanten van de stad uit te waaieren.
 
Zo vertrekken we
In een witte regen van wuivende zakdoeken
Nog een tijdje trilt hun kruidige parfum in onze neusharen na.
Mijmeringen ploffen tussen onze verhitte lippen door.
Ze klinken naar knappende koortsblaasjes
Volgens het ritme van een slaapbeeld.
We zijn ervaren reizigers in de nacht maar
Kunnen onze vinger nog niet leggen
Op dat punt van metamorfose
De vlinderslag die de nacht naar dag kantelt.
 
Blauw en roze denken ze
Maar wij weten voor de zon opkomt
Moet je waden door een poel van bruine lucht
Spartelen om niet onder te gaan
Happend naar lucht
Zijn we verloren drenkelingen in
Een zuigend moeras dat
Alle haarvaatjes van een oogbal
rood naar de witte oppervlakte zuigt.

 
 
Symptoom 2: Concentratieverlies
 
De lucht was toegedekt.
Een ingewikkeld weefsel van melkwitte slierten.
Die uit dromende hoofden vloeiden.
Een patroon.
Verbanden die er overdag misschien niet durven bestaan.
Waar enkel wij getuige van zijn.

 
 
Symptoom 3: Bloedend Tandvlees
 
Een stilte kabbelt oneindig voort.
We hebben honger.
Maar weten niet wat we nu nog horen te eten
Onze tanden staan zo los dat we ze met de tong kunnen uitduwen
Roos sponsachtig weefsel dat
Kauwen onmogelijk maakt
Rondom ons mechanische monden
Die minder kieskeurig zijn.

 
Brood en spelen.
Neutraal en rauw.
Hangend aan een haak
Brood en vlees.
Altijd goed.
Neonlicht gidst ons tot de essentie
in vuiloranje donkerte.
 
Kleine kamikazevliegjes
Storten zich overmoedig neer
Op een tong wanneer we
Vermoeid onze lippen openslaan.

 
 
Symptoom 4: Gedaalde ogen en gezwollen oogleden
 
Het was begonnen in een stad.
Het begint altijd in een stad.
We lagen in elkaar gestrengeld,
Al dagenlang thuis te wachten.
Vreemd gevormd monster onder geruit deken,
Te luisteren naar het bruisen van ons bloed.
En de ruis in ons ademen.
Het geknetter tussen onze oren.
 
Het was tijd.
 
We voelden nog een laatste keer aan onze ogen.
Uitgedroogd.
Schilferend.
Onze oogleden leken te kort.
Als we ze probeerden sluiten
Hield iets die twee stukjes huid tegen.
Rolden onze ogen enkel achterwaarts.
Twee witte vlekken in ons gezicht.
We tokkelden onze vingertoppen tegen elkaar
Een teken                 Het was tijd.
 
De deur kriepte een beetje.
We stapten de nacht in
En lieten onze contouren achter.
 
We houden de wacht.
De stad als een slapend lichaam
In onze armen omklemd.
We verliezen ons erin.
In de nacht.
In het stadse lichaam.
We vermengen ons perfect.

 
 
Symptoom 5: Stijve ledematen
 
We dachten
Als we het water blijven volgen
Langsheen Londen en Bombay
Dat we het wel zouden vinden
De utopie waar we al zo lang van droomden
Een plaats waar tijd niet bestaat
En altijd beweging valt te registreren
Tot de batterijen van de camera leeg zijn.
Een uitvergroot horlogeraderwerk uit Zwitsers goud
Waarin mensen klein lijken.
Ja klein lijken, dat leek ons wel wat.
We durfden zelfs stilletjes van zonlicht dromen.
 
Het duurt langer zonder dat iets
Dichterbij lijkt te komen
Het zijn altijd misschiens die
Nergens op uitdraaien.
 
Gelukkig zijn we onderweg
Alles wat we nodig hebben.
 
We zijn de ratten.
Als alles onderloopt
Het water rond ieders enkels staat
Zullen wij als eerste ontsnappen.
Naar droogte vluchten als iedereen nog
Dronken danst en het kamerorkest
nog een laatste wals inzet.
 
Als het moet hebben we ogen
Op onze rug, geroofd
Van wie niet zien wil.
 
We zijn zoveel geworden dat we
Slechts nog met een navelstreng van speeksel
Verbonden zitten met onszelf.

 
 
Symptoom 6: Onderhuidse bloedingen die de huid paarsig kleuren
 
Er hangt een zuchten in de lucht.
Een zachtjes ademhalen.
Het klakken en strelen van een tong
tegen de randen van een mond.
Misschien wil iemand zo stil iets zeggen
dat we het niet meer begrijpen kunnen.
Zelf zeggen we al lang niets meer.
Er zit zoveel in de weg.
Zacht en donzig van ons verhemelte tot onze onderlip.
 
Wie niet spreken kan moet wandelen.
Tot zijn gedachten vervagen
Losser worden
Melkwit.
We schrijven in morsecode met onze voetstappen.
 
Er hangt een zuchten in de lucht.
Wij antwoorden in lang kort kort.

 
 
Symptoom 7: Nieuwe wonden genezen niet, oude wonden of littekens kunnen weer opengaan.
 
Ik zou niet meer kunnen zeggen
Hoe we plots elk langs verschillende kanten van de oever zijn terecht gekomen
En niet meer samen kunnen zuchten
En stappend tegen elkaar aanbotsen
En daarom glimlachen
 
Toch gaan we verder
New York en Duinkerke.
We zwaaien af en toe
Liverpool en Gdansk.
Maar steeds minder.
 
Er zit een geniepig geluid in mijn oren
Dat me herhaaldelijk stil doet staan.
Met een ruk mijn hoofd doet keren.
Om enkel mijn schaduw te zien
In golvend reliëf op de kasseistenen.
Niemand daar die lacht
Hoewel ik het wel hoor
Een ingehouden proesten hooggestemd en sarrend.
 
Amsterdam, Helsinki en Calais.
 
Ik zuig op iets.
Een tong.
Maar het voelt niet als de mijne.
Maakt bewegingen die ik niet zelf beslis.
 
Shangai en Brugge.
 
De tong die aan mijn zuigen
Ontsnapt. De binnenkant van mijn wangen streelt
De randjes van mijn tanden.
Het ingeslikte proesten
Worden woorden in hoge tonen
Die mijn hoofdholtes doorpriemen.
Ik spoel mijn mond met kiezelsteentjes
Schuur zo de stem eruit.
Tot mijn lijf ether zweet en ik
Enkel nog uitgeput naar de overkant kan staren.
Tot de zon opkomt en blauwe vlekken
In mijn netvlies brandt.
Ik zie niets meer
Maar zwaai nog even.
Een haan kraait
En ik durf mijn ogen sluiten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Recente bijdragen

Recente reacties

Cookies?
Cookies = OK