KRAKATAU

tijdschrift tegen alles, omdat niets beter is

Hanz Mirck VS. Duinker

RECENSIE /. Buurtkinderen

Duinker debuteerde in 1988. Sindsdien volgden er vele dichtbundels. Buurtkinderen is een dikke bundel in acht afdelingen, het lijkt wel zonder opzet; er staan zelfs Engelstalige en Spaanse gedichten tussen de Nederlandse in.
Duinkers bekendheid kreeg een extra duwtje door zijn prachtige tweestemmige gedicht ‘De zon’, op cd voorgelezen samen met Kees ’t Hart. Ook in Buurtkinderen staan tweestemmige gedichten, zoals ‘Fantastische lippen’ (geschreven samen met ’t Hart) en ‘Henry Calvin’. Persoonlijk vind ik die wat minder sterk en bezwerend dan De zon. Het lijkt meer een maniertje te worden en sommige dingen lijken bij elkaar gezet zoals je bij sommige jazzmuzikanten kunt zeggen dat ze elke noot spelen die ze voor de voeten komt. De goeie komen daarmee weg en er zijn ook jazzmusici die nu eenmaal een zeer gespecialiseerd publiek nodig hebben. Voor mij is ‘Henry Calvin’ een gedicht dat gaat over een sergant Garcia, over een poëziewedstrijd en dan wegdrijft in een blik naar de sterren. Het lijkt vooral spel. Mooi spel, maar niet diepzinnig of urgent. En dat is jammer want vaak is Duinkers werk dat wel.
Duinkers dichterschap heeft zich ontwikkeld heeft naar steeds eenvoudiger, onnadrukkelijker, subtieler, ogenschijnlijk onzinnig, muzikaal. Een goed voorbeeld van de huidige staat van zijn ontwikkeling is het gedicht ‘Begin van de dag’:

      De vrouw vroeg dromerig:
      ‘Wat denk je, hoeveel soorten ruimte telt onze wereld?’
      ‘Acht,’ antwoordde de man die blij was met die vraag.

      En de vrouw vroeg dromerig:
      ‘Hoeveel wensen heb je eigenlijk?’
      ‘Eentje,’ antwoordde de man.

      En de vrouw vroeg dromerig:
      ‘Hoeveel onbewoonde eilanden zou je dan willen bezoeken?’
      ‘Nul,’ antwoordde de man die haar schouders begon te strelen.

      En de vrouw vroeg dromerig:
      ‘Hoeveel mensen praten net als jij?’
      ‘Zes,’ antwoordde de man.

      En de vrouw vroeg dromerig:
      ‘Met hoeveel monden zal ik je kussen?
      ‘Acht, dat zou het mooiste zijn,’ antwoordde de man.

Een vreemd gedicht. Vreemd omdat het zo bij elkaar geraapt lijkt maar toch heel precies is opgezet. Een vrouw stelt 5 vragen aan een man. Waarom vijf? De vragen lijken zonder samenhang uit de lucht te komen vallen. En de antwoorden lijken nog veel willekeuriger. Staat hier dromerige onzin? Het gedicht is wel muzikaal: de herhalingen, de ritmiek, en de motiefjes (acht soorten ruimte en acht monden).
Laat ik het eens beter lezer. Is het steeds dezelfde man? Er staat geen komma tussen ‘man’ en ‘die blij was met die vraag’, dus wie weet zijn er wel meerdere mannen bij de dromerige vrouw, en geeft er maar één antwoord. Je zou, gezien de conversatie en de ontwikkeling van het samenzijn, dat niet verwachten, maar zeker is het niet. Dat zelfde geldt voor de man in de derde strofe. Misschien bedoelt Duinker wel te zeggen dat de man in elke nieuwe situatie, elke nieuwe stap, een andere man wordt? Er zijn zes mannen die zo praten als hij, maar we leren er maar vijf kennen in dit gedicht. Het is dan ook nog pas het begin van de dag – er kan nog een boel gebeuren.
De vrouw in het gedicht blijkt te beschikken over 8 monden. Nu wil het geval dat de man meent dat er acht soorten ruimte zijn (hij heeft het dus over het begrip ruimte en niet over soorten plaatsen). De vrouw is er toe uitgerust, geschapen, om in elke soort een adequate mond voorhanden te hebben.
Daar spreekt een perfectie uit, iets bijna goddelijks. De man heeft ook geen behoefte aan andere dingen, een onbewoond eiland hoeft van hem niet, en de wereld kent hij op zijn duimpje want hij weet exact hoeveel talige dubbelgangers hij heeft. Twee mensen komen al maar dichter bij elkaar in een schijnbaar idyllische situatie (die me doet denken aan een vakantie), en er is nog iets wat onbekend is, maar in te vullen: de rest van de dag. De verwachting is dat dat een gelukkig verloop zal hebben. Maar zeker weten we dat niet. Op dit moment, voor de volgende stap, de zesde man, is alles goed en kan alleen maar beter worden. Het gedicht beschrijft daarmee geluk. En de kwetsbaarheid daarvan.
Maar er is meer. Dat goddelijke, de perfectie waarop dingen aansluiten, dat is ook een gelukservaring. De eenvoud van hun wereldbeeld en het ontbreken van verlangen naar meer, bevestigen dat. Maar het verschrikkelijk is nu, dat die man en die vrouw niet bestaan… Ik ken in elk geval niemand met acht monden, om maar iets te noemen. Waarom acht, en waarom acht ruimten? En hoe weet hij dat van die andere kerels? Zijn dat toevallige getallen die Duinker hier noemt? Ik kan ze niet herleiden, ik ken de wereld waarnaar ze verwijzen ook niet. Maar als een perfecte wiskundige formule komt alles wel uit. Dat snap ik geloof ik wel. Duinker schetst hier een paradijs wat je wel kunt zien maar niet kunt aanraken. In doodsimpele woorden, bijna proza, behalve de bedwelmende, dromerige, muzikale woordherhaling, en de vervreemde manier waarop die man (net als de vrouw blijkbaar) meerdere verschijningsvormen (die beide met de mond, met taal van doen hebben) beschreven wordt – alles in dit gedicht heeft effect en werkt toe naar het sublieme. Het spel met de motieven en herhalingen maakt het bijna muziek, mooie, droevig stemmende maar prachtige muziek. Als buurtkinderen spelen de gedichten om elkaar heen; het lijkt nutteloos en weg van de werkelijkheid wat ze doen, maar hun ernstig spel is een subtiel commentaar op onze werkelijkheid.
Er zijn ook gedichten in de bundel die meer uitdijen, meer los zand lijken. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘Kooltjes’, dat begint zo: ‘Luister / Luister goed / Noem je een kwartel dartel?’ Afgezien van dat muzikale rijmaspekt begrijp ik niet wat die kwartel in het gedicht doet – hij komt nergens terug, is niet te duiden als symbool. Vliegt Duinker daar uit de bocht? Of grijnst hij dat die vraag juist dartel is? Daar morrelt hij aan de wetten van de poëzie; waar ik vind dat die coherent en noodzakelijk moet zijn, lijkt Duinker andere wetten te gehoorzamen. Maar als ik die niet kan volgen haak ik af. Dat is jammer, want op zijn goeie momenten is hij een groot dichter. Misschien had een goeie redacteur de bundel uit louter hoogtepunten laten bestaan.

Hanz Mirck

Buurtkinderen
Arjen Duinker
Uitgeverij: Querido
ISBN: 978 90 214 3538 1
Prijs: € 21.95

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Recente bijdragen

Recente reacties

Cookies?
Cookies = OK