KRAKATAU

tijdschrift tegen alles, omdat niets beter is

gisteren was hier – yorgos dalman

Het is een gewone dag, een dag zoals zo vele, vind je ook niet, oude man?
Verkeer raast voorbij. Mensen lopen hier en ginder. Een enkeling kijkt om. De zon weerkaatst in de ramen van de hoge kantoorgebouwen. Een glimlach zijgt neer op aarde.
Wat is het, oude man? Wat zie je? Boven je hoofd, ver weg, cirkelt een
reclamevliegtuigje. De boodschap is ook voor jou. Waarom lees je niet? Is het te warm soms? Het is een heldere dag.
Muziek stroomt je tegemoet. Een open raam ergens, een voorbijrijdende auto. Radio, radio. Een onderbreking door het nieuws. Tien uur. Maar wat weet je ervan? Je horloge is kapot, het glas ligt schitterend op straat, maakt de zon duizendvoudig.
De muur waartegen ze je gelegd hebben draagt plakkaten, gescheurd, opengereten door regen en wind. Ze vertellen je veel, als je het weten wilt. Lezingen, exposities, een opvoering in het concertgebouw: afgelast.
Zou je soms willen dat het regende, oude man? Zou je fijne miezer in je gezicht willen laten dansen? De gezichten voor je vervagen, worden kleiner, staan verder af. Je denkt aan hen die je zo lief zijn, die eens waren maar sinds lang niet meer zijn geweest.
Een van de omstanders is naast je neer geknield en heeft het bovenste knoopje van je overhemd losgemaakt. Alles is anders nu, alles wil zich beter voordoen dan het in werkelijkheid is. Grootser, prachtiger. Een laatste blik.
Het vliegtuigje verdwijnt in de zon. Sirenes loeien af en aan. Je hand knijpt samen. Je bloed, je bodem. Vegen op straat, op je jasje, op je gezicht. Het heeft iets grappigs zoals je daar zit, verdwaasd voor je uit te kijken. Stemmen hier en ginder. Zit u goed? vraagt iemand. Het is een loze vraag.
Wat zoek je, oude man, tussen de hoge kantoorgebouwen door, de verkeerslichten, het amok, de straat, daar tussen het wrede en de dood?
Klein kindje blijft staan en wijst. Trekt aan moeders arm. Wat is dat? Daar. Dat is geronnen bloed. Op straat en op het jasje en op het gezicht van die oude mijnheer.
Een man staat tegen zijn auto geleund. Hij bekijkt de voorspoiler. Wat een zonde. Wat een dag. Ook zijn bovenste knoopje.
De meeste lopen door. Zien niet je samengebalde handen. Hoeveel gedachten houd je nog vast?
Een zucht. Meer van verlichting dan van ongenoegen. Een laatste blik omhoog. Een blik van verstandhouding. De lucht, strakblauw.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Recente bijdragen

Recente reacties

Cookies?
Cookies = OK