Resultaten voor de categorie Columns

franse frietpraat – monique methorst

Punt is dat het allemaal zo gevoelig ligt. De pijntjes van zolder, catastrofe na strofe schrijven alsof het niet lijden kan en wij maar zo goddelijk zingen van: “Hij weet niet hoe, hij weet niet hoe, hij weet niet hoe.”

Op het verkeerde been uit woorden gezet, met de inkt amper droog achter de oren… zette je een keel van een aardappel op en droop alle shit af in jouw voetsporen. Even naar zijn schoenen kijken… super, hij loopt er nog steeds naast.

Om door een vingertje te halen… kom likken aan wie zo dik er bovenop ligt. Het is niet de kers of de ouwe taart, maar het vervelende van spanning is dat het zo lekker weg snijdt… net zo dwars tegen alle wetten van jouw natuur in, luistert het ook zo nauw om in alle vrijheid te schrijven: snuif je wel vaker in de spiegel van de kapper voor de smaak… wat weer niet in het juiste perspectief valt te lijmen en dan moet het nog zeker rijmen ook…

Dan ben je zeker ook van de partij Tegen etenstijd vervuilde poëzie en het kwijl aan de muren zit? Wat zure regenbogen erbij, heb je een dijk van een gedicht met als enige beperking dat je pas na de dood er beter door wordt.

ritme, rijm en alliteratie – otto foelkel

Het rijm in een gedicht kun je vervangen door heel specifieke klankvolgordes- en verbanden. Ook deze techniek houdt het risico in, dat de dichter gaat forceren.

Het gedicht “De vreemdeling” van Marsman begint met een aantal regels die niet rijmen. Pas de zesde regel rijmt op de beginregel en dat nota bene met hetzelfde woord. Ik heb het talloze malen gelezen voor het mij opviel. Toen pas begreep ik, dat de woord- en klankverbanden de rijm in de andere regels overbodig maken. Aan de analyse van dit fenomeen heb ik veel tijd besteed en ik
ben er nog steeds niet helemaal uit, hoe hij dat voor elkaar kreeg. (Overigens heeft het mij ook jaren gekost voor ik de inhoud van het gedicht begreep.

Het gedicht “Het brandend wrak” van Gossaert is een supervoorbeeld van wat je met rijm en alliterati kunt bereiken. In de eerste strofes wordt heel weinig informatie gegeven. Die kun je eigenlijk in twee regels samenvatten. Het gedicht steunt volledig op alliterati en rijm en is voor mij hèt voorbeeld van wat je met die technieken bereiken kunt.

Eenieder raad ik aan enkele jaren uitsluitend gedichten op rijm te schrijven, aangevuld met alliteratie en deze technieken pas heel voorzichtig te verlaten wanneer het taal- en klankgevoel zodanig ontwikkeld is, dat je je op dat wel heel gladde ijs kunt begeven. Een sober rijm, dat enkele regels verbindt heeft voor mij nog altijd de voorkeur boven het geheel ontbreken van rijm.

In mijn ogen lukt het vandaag de dag vrijwel niemand een ècht goed gedicht te schrijven, dat niet rijmt. Er wordt overal geëxperimenteerd, maar de resultaten zijn voor mij onbevredigend. Volg niet domweg de mode, maar probeer uit te vinden, welke gedichten je het meest aanspreken en waarom. Ik weet, dat slechts weinigen het daarmee eens zullen zijn, maar ik verwacht, dat in de (nabije) toekomsten rijm en alliteratie weer volop deel gaan uitmaken van gedichten.

Als schoenen beginnen te knellen is dat nog geen reden om dan maar op kousenvoeten te gaan lopen.

een kleine poëtica – jan holtman

De beste poëzie is volgens mij niet elitair of academisch. We moeten af van het idee dat dichters voor dichters schrijven. Onconventionele poëzie is slechte poëzie, want ook vrijheid luistert nauw naar de wetten. Het is schier onmogelijk om die wetten te beschrijven, want ze zijn er niet.
We kunnen na een studie theologie of letterkunde symboliek gaan duiden in een historisch perspectief en daarmee het gedicht proberen te verklaren. De schoonheid van een gedicht ligt echter niet verscholen in de verklaring, maar in de tekst zelf.
Wanneer een gedicht de schijn wekt dat het uit verveling is geschreven, kan het niets zijn. Een dichter die zich verveelt is niet aan het schrijven.

Een belangrijke voorwaarde voor poëzie lijkt mij dat het naast verwondering ook onbehagen moet scheppen. We willen niet in slaap gewiegd worden met antwoorden of verklaringen, noch deelgenoot gemaakt worden van het gevoel van de dichter. De tekst die iets anders is dan het gevoel van de dichter , moet ons raken. Een goed gedicht schept echter ook zo veel onbehagen, dat we als lezer blij zijn de dichter niet te zijn. Het gedicht jonge sla van Rutger Kopland heeft ons geraakt. Maar wie de documentaire gezien heeft, waarin de dichter in een tot schrijfhok omgebouwd kippenhok zit te mijmeren en te werken, kan toch niet anders dan concluderen dat er nauwelijks sprake is van identificatie met de dichter?

Een bevriende dichter verwoordde het zo: “Met het schrijven van poëzie benadruk je de beperktheid van taal, die bij goede poëzie althans, ruimte creëert voor beleving bij de lezer.” Ik deel die mening niet!, maar kan haar niet meer om uitleg vragen. Zetten we haar axioma in versvorm dan staat er wat:

met het schrijven van poëzie
wordt de beperktheid van taal
in vorm gebracht

Onopgesmukt! Geen hulpmiddelen! Geen geschreeuw! De taal, hoe beperkt dan ook, doet zijn werk! De bron van alle poëzie is lijden of verlangen. Is dat niet zo dan is er geen sprake van poëzie!