verschrikkelijk hart – c.p. vincentius

Het orgaan trilt, recht uit de borst gegrepen,
spontaan en vol emotie in de groep.

Wijd vertakt grijpen zintuigen en ledematen
naar ieders aandacht en medelijden.

Koppen blikken stil en fluisteren: ‘Schaamte
heeft het mens het nog niet geleerd.’

Haar wijsvinger en stem wijzen en dicteren;
wie niet met haar is, kan zich bergen.

Zij stoot en botst, butst opdoffer na opdoffer
en schramt al doende tot slachtoffer.

blue socket bird – tibbes punt

Er rust een vlinder op je spoor
ogen die het zwartste strelen
haar vleugels in je zij
voor een seconde
denk ik
dat ik een vlinder ben
maar mijn pootjes dragen
blauwe stopcontacten
ik hip wat rond
drink water
weet dat april zich zal
herhalen.

ikker – joost de jonge

I

zo zonder gedachten
ruisend in een open lucht
al te lang heb ik moeten wachten
in het duister, druipen grote druppels ik
rollend in een blozende leegte
van jouw zwijgende ontkenning
 
 
II

ondergronds werken zij met plezier
aan een gangenstelsel
een minuscuul dier dat jouw bloed drinkt
vele poorten en tunnels, een stelsel van verbindingen
hier een begin daar een einde
poppen, ‘t minnespel bedrijven
buiten in het bos
ooievaar staat stilzwijgend
met z’n bek tussen ‘t verendek
een hinde ijlt
‘t verwaaiende bos in
je weet heel goed,
dat niets zal beklijven.
 
 
III

ondanks dit al
verlucht jij het leven
door een kostuum in ruiten gedreven
poekelen wij met z’n allen
een verloren gezelschap
aan de vooravond
van het poezelig echec
ikker, is dat meer ik?
je hoopt ‘t wel, natuurlijk,
‘t is beter van niet
kon ik maar voorkomen
dat jij niet jij ook sterft van verdriet

roodborstje – joost de jonge

Vleugelslag flikkert tussen de takken
Licht aangeraakt door onzichtb’re handen
In een boom zitten er wel een stuk of vier
Verspreid vormen zij mooie verbanden

weg met de leegte – pallas van huizen

alsof je in het donker aangeraakt wordt
de hand van spieren, citroenen die zoenen,
eerst schrik je

het luchtfietsen in bad, alleen in lauw water
dat zij weten dat ik wel van ze hou
drinkend tot over de rand van duizend
waar een lach of glimlach
geen echte lach of glimlach meer is

herken ik de zwakte
nader niet gewenst
uit zelfbescherming

de andere kant van het verhaal
is dat er geen verhaal is

vaak ben je stil, soms droevig,
meestal over-optimistisch

ik mis je gezicht

 


YouTube: weg met de leegte – pallas van huizen

apocrief eutecticum – joost de jonge

boei mij boeheer, boei

Ik zie de dingen niet
Die de tijd achter zich liet
Noch de dingen die komen gaan.

Verpletter mijn verstand O oude wijze
Verbijster mijn geweten allerliefste
Muze van vertwijfeling, ‘s werelds enige

Paarden dragen mensen die als paarden zijn
Vrouwen nemen mannen die vrouwen mennen
En als dan het paard onrustig draaft door de nacht
Ment de oude wijze de zegen van verstandsverbijstering

Die verwijlt in het Oerlicht onaangetast
Die verruilt gedachten voor zegeningen
Die verruilt uitwaseming voor uitkristallisering

Ook al heeft oude wijze manieren, ‘t is geen vorm
Vermaak je gerust wildebras, maar
Je moet mij niet verloenen
Wijl hij verpoosde in de voorhof van wildvang

Wij wijzen naar godsvrucht
Hoe ook zullen zij uitvloeien
Die vreesden en dwaalden
Hovaardig, verbijsterd, dat ik niet besta
Verbeus zonder houvast
Het zoetgevooisde failliet van verbositeit

boei mij boeheer, boei

Jij ziet de dingen wel
Ook onder de sluier van een vaarwel
Evenknie van Euterpe

liefde voor een vrouw – pallas van huizen

Sommige mensen nemen haar serieus,
ze doet dingen die ze raken.
Ze laten zich niet beïnvloeden
door waanzin of jaloezie.

Uit ervaring leest ook hij haar in vrede.
Geen termen van goed of fout.
Als het haar niets zou kunnen schelen
dan zou ze het ook niet zeggen.

Objectiviteit bestaat niet.
Was hij maar een open meer.

De lucht is roze gespannen.

Met een op-zichzelf-gerichte blik
respecteert de man haar keuze.

Onvergankelijk is zij dezelfde.

De liefde is hier.

logeerpartijtje – pallas van huizen

De tunnel door de slaapzak, de zijkasten en lakens
naar het bureau was een avontuur,
een avontuur dat meerdere keren herhaald moest worden,

in zijn fantasie was hij een jedi, en zij zijn jedia,
van moeder mochten we de hele nacht spelen,
maar ‘s morgens bij het ontbijt
was de onrust toch voelbaar,
we aten snel cornflakes met yoghurt
en suiker en om 10 voor half negen
stonden we al op het schoolplein,

de moeder van Michel was de enige die er was,
zij en wij hebben alles gezien.

Papa was toch boos geworden.

wasdag – kate schlingemann

je kijkt al spannend
hier ligt niets voor de hand
of het klopt al vol verwachting

jij bewaart de afstand
in een doosje dat je met een duim
aan zet, uit knipt

onverstaanbaar wat zij zegt
of wat zij vindt, dat naakte lichaam
achter glas in drie primaire kleuren

het is nog lang geen tijd
het is alleen maar langer licht
zelfs de zomer moet nog gebeuren

open brain – pallas van huizen

Metronoom,
tellen en niet tellen, stilte en door,
achterovergeleund, steunend op twee vingers, dat,
dat wat je weet, beginnen met buigen, vinden
in drinkbouillon iets anders te zien.
De stand van de maan bijvoorbeeld.

De zoutspiegel dezelfde, deze woorden
een rimpel die altijd blijft
als een gevangen vogel
op een nog niet eens halfvolgeschreven blad.

In stilte wacht zij op antwoord.
De planten vrijen niet, ze fluisteren mee,
weer een lente.

Nemen, nemen en afscheid nemen, door twee delen
en er verder niet meer over praten.

Mijn maag draait nog een keer een rondje om.

dagje in de duinen – pallas van huizen

Zijn kroket was in het zand gevallen,
haar aardbeiensoftijsje droop over haar net nieuw gekochte T-shirt van de HEMA,
haar man staarde naar de lucht en hij als kleine filosoof staarde mee,
zonder zichzelf een vraag te stellen ergerde zij zich aan de afwezigheid
van zowel de heren als de dame.

In gedachte stond ze alweer bij de wasmachine,
zich niet bewust van de mooiste dag van het jaar.

de dichter, verliefd – ellen vedder

worden doet hij niet meer
Al zijn er huiden genoeg
streeploos wit, de haren verlicht
honing stroomt en koude voeten

zij passeren zijn gebarsten deur
kloppen soms, klingel meneer!
Een zwaar voorhoofd en spikkels
vuur, een tel bloed dat gonst

zijn ademhaling bevroren
O schat, o jonge klaarheid
‘t zachte in haar ogen, vluchten
voor zijn schaduw daar is

doden dromen niet – lesley adriaansz

Doden dromen niet.
Zij spelen alleen toneel,
herhalen van ster tot ster
de eenakter van hun leven
tot waar de lichtval reikt.

Doden dromen niet.
Zij zijn ondergeploegd verleden.
Zij schieten soms
kortstondig op
als schoten uit een akker.

Doden dromen niet.
Zij weten fantasieloos zeker
wat er loos is.
Hun kennis neemt niet toe of af
bij meer of minder universa.

the lonesome death of an indonesian maid in arabia – lesley adriaansz

Als was ik door goden geëngageerd,
gewogen en te licht bevonden en
-wat goden scheppen,
vernietigen zij ook weer-
doodgeslagen
en als afval afgedankt
bij het grof vuil bijgezet,
terwijl mijn kind thuis
vergeefs wacht,
jong nog, maar later
des te beter in staat er
goden om te doden.

vissen – lesley adriaansz

Levenloze vissen zijn doder
dan andere dode dieren.
Zelfs bij leven leven
hun ogen niet echt
en zijn zij koudbloedig
als een kadaver.
Vissen kletsen met petsen
op natte tegels.
Het klinkt als oorvijgen.
Onder water zijn zij onzichtbaar
van boven. Van onder van zilver.
Hoe groter en tandrijker
des te gevaarlijker
zijn zij.

ruimte voor tranen – pallas van huizen

Dat ze het niet aan zou kunnen,
voor de kat zou gaan denken.
Niet-wetende of het nacht of ochtend is.
Dat is de reden, daarom werd de schrijver boos.

In haar belang, groot of klein:

Als hij iets verkeerd gedaan heeft
dan was het uit liefde.

Op aarde smeekt de regen,
de zon spreekt in zeven delen.

Zoiets zou niemand doen, behalve als je wist
of erger nog als je wil.

In taal zal zij altijd blijven leven,
dat zal hij altijd blijven zeggen.

De wereld verandert, gevoel idem dito.

Alleen de herinnering blijft.

hoe verzin ik haar? – harry m.p. van de vijfeijke

Het weeldebeeld van een vrouw,
Russin vandaag. Beeld eenmaal gegeven
bewerkt dat ik een dag met haar verkeer.

Ik voorzie haar van de juiste lingerie,
zet alle klokken stil als wij ontbijten.

Ik noem haar Helena, Belofte, Matroesjka Kus
en ook Zacht Soepel Breedbeeld.

Mijn handen spelen, ik heb de durf
haar ogen in te zien. Hoe verzin ik haar,
want zij is een wonder zoals zij terugkijkt
en met Helenahanden naar mij reikt.

gedicht dat ik schreef op 06/06/92 – maaike klaster

Toen ik inmiddels 16 was

Ik wil praten met jou;
we moeten elkaar weten.
Volgens mij zijn wij
hetzelfde.
Misschien zou ik dat alleen
graag willen.

luisterend oor – bennie spekken

gezellig
met z’n tweetjes
bijkletsen

dat wil zeggen
zij praat
jij staart

het vuur knettert
in de open haard

de liefdesgeschiedenis
van een vrouw

en een man
op straat

die moord
en brand schreeuwt

linda (1993 -) – phillipe te bar

Wallen lagen onder haar
ogen als donkere dames
met lusten die zij
juist niet wil voelen

op haar snoeppapieren spookvel dat vaak zo smakelijk
zou kunnen knisperen, maar waaronder nou net weer
botten tot spiesen splijten om daar haar huid door te steken,
waardoor een weg uit die nachtzwarte uit pees en vlees
geweven holte zich opent; vanuit die ultrasone onderwereld
der labbekakorganen, meent zij, dat zij juist dat weer heeft;
onrustig gebeente, mergvol gestut van die bloedlauwe hel, dat
levenslang zinderend kraakt in haar zak van vaal en vlezig vel.
Haar botten willen zich ook wel eens in het volle licht warmen

aan de zon, waarvoor zij zich juist verschuilt als pasgeboren,
baarmoedernatte reeën doen die ook maar verloren rillen
in hoog, dorgeel gras.Voor even verlaten door hun moeder
die, zoals het hoort, gevaren afleidt als wolven en mensen.

De wereld is haar carnivoor waarvan zij, verloren lopende
polonaise van een meisje, de opengesperde muil inhost. Ze
offert zich liever lallend en alleen. Niemand waagt haar zo

aan te raken. Gelieve dat ook nooit te doen.
Teken haar; het is een nadrukkelijk verzoek.

* – maaike klaster

Zij is er weer! Gehuld in goud en blauw,
rijkgevuld en gul, kleedt zij mij in
sterrenstof, een chiffon japon
voor ’s avonds of voor
stervenskoude dagen.

Alle ongeborenen worden ondergedompeld in modder,

maar zij wast mij met haar tranen schoon.
Zo keer ik glansrijk terug op aarde
alsof ik ooit was weggeweest.
Heb vrees of wees
gegroet.

contro-vers – maaike klaster

Controversieel ben ik niet, of juist wel?
Ik weet inmiddels niet meer wat dat woord betekent.
Mijn broeders in de strijd leerden mij de lessen die ik nodig had:
dat zwart en wit hetzelfde zijn, dat zij tezamen regenbogen maken,
dat wij overal thuis zijn, dat leven luisteren en dan in vertrouwen
handelen is, dat ik altijd al deed wat ik nu doe: dit bolletje dat wij Aarde
noemen in mijn armen nemen en ons allemaal in slaap wiegen, liedjes zingen
die mijn kleine broertje voor mij schreef, die hij zelf nog steeds melodisch
schreeuwt. On Stage. Want daar gebeurt het, daar spelen wij met God, Allah,
de Vader, Moeder, of hoe je Het ook wilt noemen, en dat mag je iedere dag
doen. Om die liefdevolle leider nog eens aan te halen: “Life’s work, lady!” -
en dit is wat ik zeker weet: ik werk hard, ik speel harder.

de beweging – mattijs deraedt

Bedankt aan de beweging,
want het is zij en zij alleen
die mij inspireert.

Nog meer dan het gonzende lichaam
dat blinkt in deze koude kamer.

Nog meer dan het lachen van een vrouw,
jong en vol onzin, maar geslepen
en rad van tong.

Nog meer dan het licht tussen mijn oren,
de geladen leegte na een bloedneus
of het prikken van een nieuw harnas.

Nog meer dan de eindeloze bast die staat
en blijft staan, geolied deint onder liefde.

Nog meer dan dit alles
is het de beweging die me stuwt
en verrast, die me hard en week maakt,
die me wakker schudt en streelt
met haar spannende spieren.

En na de beweging rest alleen nog de slaap,
die maar niet komen wil.

met elkaar – mark kalsbeek

Wij, naast elkaar
op die afstotelijk lelijke bank
zeggen niets.
Onze geesten geanimeerd in gesprek
stoken samen een vuurtje.
De jouwe vertelt – ook al pook ik teveel -
dat als de rook is opgetrokken
jij toch warmer wordt.
Wij, zonder maatgevoel
maken tweestemmige tonen.
De mijne vertelt – hetzij met valse lucht -
dat als je goed luistert
zij steeds meer klinken als één.

Perfect passend trekken
tegenpolen elkaar aan.
Op die afstotelijk lelijke bank
ontstond iets oogverblindend moois.

de rode stad – b. vogels

er hoeft geen kraag omhoog
iemand die langs ging heeft haar gezien
in de schemer van rood licht

is zij verdwaald achter grijze gordijnen
zijn de straatstenen haar laatste uitzicht

hier past enkel modder bij
druil en vuile dingen

het rood zou haar kaken kleuren
bij het daglicht van de mensen

heeft iemand vuile was

schoon schip – mark kalsbeek

Het kolkt in mij,
verwoestende liefde klotst
en maakt mijn lijf zeeziek.

Misselijk hang ik over de reling
kijkend naar een klein meisje
dat verdwaalde in haar dromen,
zich verslikte in een te grote vis
- waarom vertelde niemand haar
dat er nog graten in zaten -
en schepen achter haar verbrandde.

Wrakken bleven, diep verzonken,
spookpiraten morrelden aan het gouden slot.
Zij hield haar juwelen vastberaden boven water
wachtend op de dag
dat ze genoeg waard waren
om haar eigen oceaan te kopen.

nox voluptatis – bert de kerpel

Toen ik sliep had ik een boek vast,
zij mijn handen en ze vroeg of ik
met haar in de bladspiegel wou duiken
en het donders brakke water brak.

Trots in de verte torende de oever
maar twee goed gekozen woorden en
tussen haar dijen lokte ze een karper.
Zijn vinnen sneed ze tot vleugels.

We zijn aan wal van bil gegaan.
Onze tenen woelden het zand
tot hoopjes, onze tongen trilden
maar alle letters losten op.

Van zodra de wind de klinkers
verzameld had en wij, charmante
ketters, weer te water gingen,
begonnen planten te dansen,

twijgen te zingen en later,
toen de spiegel ons losliet
en de letters, ontvlamden we,
bronstig als belezen spetters.

groot hart – maaike klaster

Omdat liefde in het hart schuilt; niet in de woorden God, Boeddha
of Moeder, luister ik zelden naar het pseudo-spirituele gezemel
dat deze dagen het luchtruim niet uit te meppen is, kan het mij geen
drol, geen donder schelen wie welk ambtskleed draagt, wie voor
welke parochie preekt, hoor ik enkel op welke toon elk hart spreekt.

Nu niet gaan huilen omdat ik jou voor de zoveelste keer op de
waarheid wijs. Jij deed mij veel meer pijn dan jij ooit zal durven
toegeven. Ten faveure van wat? De goedkeuring van goed gekapte
dames die nooit een onvertogen woord laten vallen, die heel hard in
hun handen klappen wanneer jij mij publiekelijk terecht wijst zonder
zelf ooit het achterste van jouw tong te hebben laten zien?
Dapper van je.

Ooit gehoord van simpelweg een arm om een ander heen slaan?
Daarvoor hoef je niet aan de kant van die ander te gaan staan en jouw
zo dierbare Midden te verlaten, een midden dat volgens mij niet meer
dan een door jou verzonnen term voor ontwijkingsgedrag is en dat
bovendien een gebrek aan nederigheid voor het leven, de grote liefde,
de schepper laat zien. Waar komt toch die angst of op z’n minst
afkeuring voor emoties vandaan? Wil je liever niet toegeven wat je
zelf allemaal fout hebt gedaan, hoe jij situaties waarin anderen jou
– soms zelfs moedwillig- schade toebrachten, oogluikend hebt
toegestaan?

De tijd dat jij mij voortdurend de les dacht te moeten lezen is eindelijk
voorbij, al had ik nooit gedacht dat wij zo zouden scheiden, had ik
jouw arm om mij heen verwacht toen ik jou vertelde dat ik als kind bij
verschillende gelegenheden ben verkracht. “ Dat moet je die mensen
maar niet aanrekenen.” zei jij. In plaats van mij te omarmen, hield jij
een hand boven het hoofd van de goorste daders. Toch spreek jij nog
steeds van een groot, warm hart – het jouwe dus.

Heb je dat hartvormige kussentje al in elkaar gezet dat ik jou die ene
kerst kado gaf toen niemand anders dan ik jou bezocht en ik samen
met jou; voor jou huilde, ik mijn arm om jou heen heb geslagen?

Noem mij geen engel; noem mij een mens. Dat maakt met elkaar
praten een heel stuk gemakkelijker, geeft mij het gevoel dat ik net als
de rest van ons mensen hier op aarde ben geboren; dat ik hier thuishoor.
Laat mij dan ook als een mens bestaan en kijk eens naar mij. Zie je die
pijn? Engelen lijden niet; mensen altijd. Dat heeft met de haat op deze
planeet te maken, en er is NIETS verhevens aan zeggen dat je die pijn
hebt ontstegen. Dat gebeurt pas als je sterft. Wat betekent dat jij in dat
veilige midden van je niet ten volste leeft; dat jij jouw eigen zachtste
kern stelselmatig blijft ontwijken en dan stiekem mijn kant opkijkt
omdat ik nooit te beroerd ben geweest om anderen mijn hart, mijn ziel,
mijn liefde te geven. Dat weet iedereen.

Waarom zou jij mij dan jouw omhelzing ontzeggen wanneer ik voor
het eerst van mijn leven laat zien hoeveel verdriet ik echt heb; wat
mensen allemaal met mij hebben uitgevreten? Omdat je dan zou
moeten toegeven dat je dat altijd al hebt geweten en nooit hebt
ingegrepen? Omdat ik grotere pijn heb dan jij? Waarom denk je dat
ik het uitschreeuw? Omdat ik niet van plan ben in de klauwen van een
paar grote klootzakken te blijven leven. Jij blijkbaar wel.

Dat ik op tien manieren kutwijf zeg, betekent niet dat ik er zelf een ben.
Zoals er mensen zijn die anderen de godganse dag met hun oudbakken
woordspelingen vervelen zonder ooit grappig te zijn geweest. Keurig
gekapte dames die bij elke valpartij van mij goedkeurend in hun
handen klappen, die vrouwen als ik aan mootjes hakken omdat zij de
Oermoeders en Alleenheerseressen van dit universum dachten te zijn,
met alle mannen van de wereld spinnend aan hun voeten, almaar om
hun mopjes grinnikend, terwijl de dames in kwestie zich in hun
nauwelijks verholen kwaad verslikken bij het leveren van commentaar
op iets wat ik met grove taal over precies dat als heiligheid vermomde
kwaad op papier heb gezet.

Die dames grijp ik bij hun oude vrouwenharen zodra zij ook maar één
gewelddadige, praatgrage, wijzende vinger naar mij uitsteken. Daar
blijft heden ten dage weinig van over. Geloof het maar, dames.
Hoewel ik veel betere dingen te doen heb, zal ik niet schromen u het
vlees van de botten te trekken als u mij nog eenmaal flikt wat u mij al
eerder flikte. Goed luisteren naar wat mijn hart rikketikt, vuil,
achterbaks verkrachtersloeder met uw naar zwavel en hennapoeder
riekende wasem. Dit zijn louter woorden; u bent de smerigste dader.
Nu u weer.

nieuwjaar – jan van heemst

De winterzonnewende
klinkt als een roep
uit ‘t onbekende.

Het is een stem
die ‘k niet wil horen,
daar zij het kaf
scheidt van het koren
en mij bedreigt
met de ultieme straf.

Hoe rusteloos mijn slaap,
waarin ik steeds de strijd verlies
met tijd en eeuwigheid.

zon/maan – maaike klaster

Radioruis houdt me wakker en alert. Alarm in de vroege ochtend,
die ook een middag of zelfs een nacht had kunnen zijn. Maar wat is
het verschil? De zon schijnt altijd ergens. Recht in mijn gezicht, in
dit gedicht. Het vel papier weerkaatst zijn stralen zodat hij als onze
astronomische hemelvader aan mij laat weten dat hij niet is vergeten
hoe wij heten; de maan in zijn kielzog meeneemt. Hij schenkt haar
ons leven en zij lacht veel vaker dan jij dacht, want zonder die
weerkaatsing in de nacht zouden wij altijd zijn blijven slapen, nooit
in een mensenhuid zijn opgestaan. Vraag maar aan het water.