blauwwit – elsje de wit

Vandaag rende de jongen weer
door mijn ijle gedachtegang.
De jongen met de blauwwitte vlieger
op een kapotgeschoten dakterras.

“Als je touw maar lang genoeg is”, roept hij
“dan kom je over de grens”.

Ik loop door het dal en
vervloek de bergketen,
waarachter een moeder tegen de wind
de naam spelt van een zoon
aan een blauwwitte vlieger.

meneer – jacob van schaijk

morgen is verleden tijd
terwijl vandaag nog moet beginnen
en gisteren wel nooit zal komen

er is alleen een vlinder die fladdert
een herfstblad
dat dwarrelt in de wind

haar kromme handen grijpen mis
waarom ze huilt kan ze niet zeggen
ik zing een kleuterliedje

ze laat een foto zien van hem
of ik die nog ken
ze weet niets van een kastanjeboom

wie ik ben, ze heeft geen idee
maar met een kus is ze toch blij
en glimmend zegt ze dag meneer

“­zit er leven in een steen?”­ – pallas van huizen

Muziek doet pijn, stilte ook.­
De zon doet pijn, de wind ook.­

Kunnen we nog even met elkaar praten?
Gewoon met elkaar praten?
Zonder al te veel moeilijk gedoe.­

Kan ik nog even naar je kijken, je voelen?
Wil je me nog even aanraken
zoals alleen jij dat kan?

Muziek doet pijn, stilte ook.­
De zon doet pijn, de wind ook.­

Zien jullie dezelfde grijze wolken?
Precies dezelfde grijze wolken?
Zonder maar even te denken aan morgen.­

Het dier in mij zit in de regen.­
Even afgeleid laat zij de waanzin los.­

Langzaam word ik iemand anders.­
Teleurgesteld, verdwaald

in het bos van koning god.

nana – tijl nuyts

Je stuurt me brieven
met droge bladeren
van je sinaasappelboom

Ik ruik
het stof, de wind, de zomer
in de enveloppe

Dartelt je hand nog,
je gom en je potlood
vliegen elkaar in de donkere haren

Je land spiegelt
als een roestige munt in het water

Het schorre gefluister van
je sinaasappelboom
vertakt zich voor mijn ogen

Je hangt de zinnen in de withete zon
te drogen
kleurige wasknijpers klemmen
flarden wereld aaneen.

xx – jan holtman

geen haas of ree verscheen
aan mijn alziend oog

wind is meer dan
verplaatsing van lucht

een hand
die werd gemist

december – p. krauwinkel

De dag kruipt gestaag voorbij

Tanden bijten in de wintertijd

Gelaagd gelach van vreemden
sluipt door de kroeg en vergeet:
waar ik was en hoe ik heten

Buiten wordt de kou mij steeds
vreemder en de mensen op afstand
zijn bezig met hun verval

Ze dwalen door de stad
terwijl ze lachen en zuipen

De wind beukt de ramen
en fluistert de steeds dieper
wordende duisternis

Straks ga ik slapen
en ontwaak ik
in het nieuwe jaar

Als de straten bezaait
en rood zwijgen
over afgelopen jaar.

hexagonaal – maaike klaster

1.

In dit samengepakte geheel aan cellen
zit ik mij epitheel te vervelen, vervel ik
razendsnel, laat ik het met mijn schilfers
sneeuwen.

Alles is zo helder als kristal, zo scherp
dat ik bijna niet meer hoef te kijken.

Dit heelal bestaat uit gruis en glas en ijs.

2.

Zie je niet hoe doorzichtig mijn zeil is,
hoe lang geleden al ik zo dun tussen
de werelden geworden ben?
Eén ademteug, een laatste ademhaal,
dat ene zuchtje wind en daar ga ik,
een dooiend ijsgordijn dat, losgeraakt,
nu wegwaait met de tijd.

3.

IJspegels smelten zich een langer leven.
Zo vloeibaar, en naast elkaar, wil ik ook bestaan.

zondagen van winter – barbara trienen

O, winterschemering
in mijn haar
de geur
van jouw open haarden
samen thee in bed
verwaaid suist de wind
langs lege bomen
kom in mij huizen
voor altijd
jouw zondagskind

wat is, blijft – barbara trienen

misschien moet je
heel even

staren naar de stilte
even

zeggen dat er thee is gezet
even zeggen,

dat de wind wel waait
ook als de bomen er niet zijn

zij – danique corman

geen gezag meer op de straat
 
wanneer het daar voor je wankelt
 
 
gele flitsen behoedzaam gevolgd door groen
krijgt een halt toegereikt
 
 
een uiteinde van het draad
weggevlogen als een dwaas
 
ingezakt en afgevoerd door de wind
 
 
woeste poging om spijkers te verwijderen
wederom een mislukte poging van het kwaad
 
tijd verloren, vrijheid kent het bevel
 
de gevluchte schaduw werd gevolgd
verontwaardigd en onthutst
 
gestalkt werd zij
 

 
begeleidt naar een nieuw gekwel

anemogaam – maaike klaster

Wanneer het middagvuur speels de slaap
uit verwaaide kamers wist, slist
daarginds ons steels gerucht.

Buren wieden, zien het niet, maar
lispels druipen naar hun grasveld af.
Glijden zoals slakken slijmen.

Hun spinsels kruipen naar mijn huid omhoog,
bewegen mee en blijven bij me.

De dag gaapt sleets.
Grond staat droog.
Er is geen wolkje aan de lucht.

De buren met hun hark en spade
spitten in de rulle aarde,
kijken op, verwachten water.

De wind neemt loof mee in zijn vlucht.

de wind vertelt – hanny van alphen

hij staat hier klein en eindeloos te wachten
zo deerlijk kwetsbaar blauw – maar hij verbleekt
vaalwitte vogels stalen ooit zijn krachten
de wind vertelt: hier huist een hart dat breekt

zo deerlijk kwetsbaar blauw – maar hij verbleekt
en ik zak altoos dieper in de dagen
de wind vertelt: hier huist een hart dat breekt
hij legt zich neer – ik hoor het zachte klagen

en ik zak altoos dieper in de dagen
er kleeft een datum aan z’n ondergang
hij legt zich neer – ik hoor het zachte klagen
de wind: verlos hem toch van zwanezang

er kleeft een datum aan z’n ondergang
vaalwitte vogels stalen ooit zijn krachten
de wind: verlos hem toch van zwanezang
hij staat hier klein en nodeloos te wachten

oostduinkerke – b. vogels

Het peloton, in de zon gedoopt met onschuld.
Een god beklimt de zandberg, kinderspel.
Kort door de haarspeldbocht naar de zege.

Het strand van Oostduinkerke,
de jaren zestig liggen er verwaaid.
Het zweet vertrappeld,
het schuim als speelgoed voor de vloed.
Enkel de wind hijgt nog na.

* – serpil karisli

Words, words, words
Een boel weze letters
Zinnen maken is betekenisloos
Iedere taal mij vreemd
Een schip dat strandt in de golven
Voordat hij de haven bereikt
Een verlaten stad
Een verbannen pen
Is taal

Had ik maar niet de beperking van vertellen
Dan zou ik je bereiken met kleuren
Ik zou licht zijn en jouw huid strelen
En verhalen verbeelden in de lucht
Rennend in een wind
Zou ik jou aanraken
Een nacht zou ik zijn
Soms een maan zo nu en dan een ster

Was er maar geen afstand
Dan zou ik smelten in je huid
En vrijen met je geur
Ik zou een stem zijn
Een fluistering in je oor

mistral – martin m aart de jong

..vandaag werd ik wakker naast een Vlaamse dichteres
ze was gehuld in een goudgeel gordijn met daaronder
niets dan de toekomst en zei dat ze mijn moeder was
geweest in een vorig leven waarin ik één van de vele

sprinkhanen was die door Afrika waarden. We vraten
de aarde kaal we leegden onze zinnen in woestijnen
we waren talrijk als de korrels zand en we verspreidden
een geloof in een toekomst van kale gedichten we hielden

onze woorden losjes bij elkaar en strooiden er zuinig mee
met de wind die warm blies naar het Noorden.

camping happy – bob elias

buiten de hekken zwerven hoertjes
door de bermen

huilen roestige karkassen
ooit florerend in de wind

een vader verkoopt zijn verhaal
op een bordje van karton

voor elke prijs op het terras
er stapt een jongen uit een auto

zijn t-shirt oppert fuck it all

libera me – hanny van alphen

oude woorden dagen
nu de tijd
naar verten neigt

dichter
wervelt de wind
die het blad omslaat

laat los
van binding vrij
hoor, de pauken slaan

de zelfloosheid van populieren – stien van der wal

populieren gaan langs de akker
zo hun melodieus verklankte
kruinen en hoog vertakte tonen
dirigeren met beschorste baton
een onthechtende symfonie

populieren gaan onvoltooid
op beweging van de wind los
van alle bedachtzaamheid
behouden ze geen enkele toon
componeren onvervalst

verhalen van de derde etage – maaike klaster

1.

De zee is er bijna.
Zie je!
Er zijn vliegtuigpassagiers die het water al kunnen zien liggen.
Wij zien hun kerosinestaart, zwaaien de piloot gedag:
Dag meneer in de cockpit daarboven!
Hij laat op die ene witte streep na ons uitzicht blauw achter.

Wij wachten op de zee, die nu bijna hier is,
het strand door de wind vooruit heeft laten blazen.
Nog even en we duiken vanaf het dak in haar onbezorgde golven,
wrijven de slaap uit onze ogen, de laatste korrels van Klaas Vaak,
groeten de morgen.


2.


VENICE BEACH

 
Alles is omgekeerd.
Gisteren ligt voor me als een geïnverteerde woestijn -
nergens zand te bekennen.

Op t.v. zie ik L.A.,
die oceaan, die zee, de kustlijn die altijd een film blijft

en ik wil in dat water zwemmen, uit golven opstaan,
mezelf op het scherm tevoorschijn zien komen,
aan land gaan, in haar beloftes baden,
dromen achter me laten, alles waarmaken,
vanuit de stad het strand zien liggen en
nooit meer om zand hoeven vragen.
 
 
3.

Shampoo tussen mijn haar en hand.
Het parfum verdampt,
een vleug van een droom uit mijn jeugd.

In Italië op het strand
met mijn handdoek bijna in de branding
en de geur van zonnebrandolie op een gebronsde huid.
Dit is hoe vrouwen in bikini ruiken
als zij iedere dag in zonlicht baden – en de zee ruist.

Hier sta ik op een granito vloer
met de zee weer aan mijn voeten.
Het water dat langs mijn roze huid stroom, schuimt
en ik weet dat het niet te laat is,
dat er een branding in mij huist.

dichterbij de kust – debby visser-neale

mijn hoofd is helderder vandaag en
anders dan daarvoor ik ga naar
het strand om te voelen dat ik leef

inademen mijn lucht diep en schoon
laat ik door mijn longen
jagen in en uit mijn ribbenkast tot
de aanhechtingen vervagen

dichterbij de kust loop ik golven
spoelen voeten schoon trekken
terug en zuigen aan mijn
tenen wind gaat door
me heen en speelt me voor
mijn benen maakt
een warboel van mijn
haren en kust mijn natte
voeten

* – elize augustinus

mijn pen is machteloos
uit te drukken
in hoeverre
het onze
toekomst heeft bepaald

toren van pisa
binnengewaaid

verstrooide bladeren
voortijdig
in koude
aarde begraven

gele zonnen zwarte letters
taal die over de hele
wereld gesproken wordt

zachte wind
liefkoosde
naakte bomen

de geliefkoosde bomen

aankomstblues – hans van willigenburg

Je stapt uit het vliegtuig en ziet om je heen
een landingsbaan, vliegtuigtypen,
reclames, lichtkranten
van dezelfde orde.
De onderhuidse mededeling is dat je,
ongeacht het hotel waar je terechtkomt
en de berovingen, hartstochten,
misverstanden en verspilde uren
waar je onderdeel van zult worden,
in hetzelfde spel bent blijven hangen
met dezelfde strafpunten en beloningen
van een hoogstens wat ander gehalte,
maar in de warmte of de kou of de gure wind
van de buitenlucht van het buitenland
waar je in de schaduw van de hal mee kennismaakt,
gaat dat andere gehalte verloren,
zeker als je jezelf vervolgens tegenkomt in de spiegeling
van de paspoortbalie of de winkelruit van een tax-free
verdwijnt je laatste restje hoop op nieuwe levens
al vrijwel meteen
of anders, even later,
als de vliegtuigmaaltijd na hobbelt in je spijsverteringskanaal
en je, handen in de zij, een scheet laat bij de transportband.

blauw – b. vogels

boven mij spant blauw de kroon
de ondertoon een bloemenwei

mijn jeans is hemels
ik trek het groene t-shirt uit

de wind speelt nu opperhoofd
alles is wild en vredig
als vergedragen kindergeluid

in het verre westen troont
nog lang geen zon

tomeloos – jelou

Hoe hoog nog kan het dak
mijn schreeuw de wind doorklieven
de tijd voorbij gereisd
een zucht in lucht bewaren

een wachtwoord vol met hoop
houw ik uit grauwe muren
de hamer vastberaden
de code in jouw kleur

ik oefen baringsweeën
als wou ik jou opnieuw
als zouden twijfeltouwen
jou nimmermeer verstrikt

mijn hand omvat de rand
waarop je glimlach wankelt
het glijden onvermijdbaar
tot daar waar wind zich keert.

oma’s ogen – martin m aart de jong

op het graf van mijn oma ruist de wind
papieren dromen op ze fluisteren over
stille kracht en hoe je door de kampong
liep om te gaan zwemmen in de kali

en in bomen klom je deed alles
wat niet mocht alleen maar ja
je deed het toch passeerde
tijd en hoe de meester zei

op school wanneer je iets niet
wist oh jij garnalenkop
z’n gezicht kwam heel dicht
bij je. Ik weet nog hoe je levend
was je ogen vol verwachting om
wat was geweest stond je je

blijdschap uit te stralen
schaterend soms en hoe ik
begrijpend knikte zweeg
het verhaal al in mijn hoofd
vermalend en nog niet wist
hoe alles op te schrijven
ik dacht dat het zolang
geleden was het was alsof

de aarde was ontstaan
en jij en opa toen
de eerste mensen waren.

afwezig – b. vogels

zoek me niet tussen vier muren
ik ben een zwerver in de werkelijke wereld
een dwaler tussen water, aarde, lucht en vuur
en kom terug op de rug van de wind
vederrijk en verlicht

even later – dio the cilany

wanneer de dag niet meer
noch de nacht wordt onderbroken
elke avond haar schemering mist

en ik terug in je donkerder
dan donkere ogen

voorwaar geen verborgen list
en toch in rood gewroken

onder wind wordt niet gelogen
alleen de nasmaak onverkort

en daarvan enkel het wonder
dat zal worden opgeschort

een nieuwe ochtend – mark opfer

Wakker worden
met brosse zeesponsbenen
en je zorgen maken
en dan verbaast zijn
wanneer je ineens weer naast je bedje staat

honger hebben
en dat negeren
en alleen maar koffie zetten
terwijl je ogen branden
en je bloedhondwangen
alles naar beneden trekken

Er ligt een melkwitte gloed over de wereld
een zilveren reflectie
die de lijnen vervaagt
en alles kilo’s zwaarder maakt

ik voel me kwetsbaar
mijn arme overrijpe zonnebloemen
nutteloos aan mijn lijf

ik ben geen machine
ik ben niet gemaakt als machine
ik ben een zeemeeuw die op de wind wil drijven
en lustig naar de vrouwtjes krijst

woei – bob elias

de wind jaagt op lichtvoetigheid
de rolcontainer ligt op z’n zij
ik schraap wat schillen van de straat
de sla van gisteren waait voorbij
ik recht zijn rug en schuif ‘m terug
als een schaker die zijn toren redt
ach zo komen we de dag wel door
de luwte in mij de wind aan zet

angel’s share – onbezield

ik ontsnap
nog voor compostering
uit het gesneuvelde blad
en voel mij opgenomen
korrels zand kriebelen
schuren mij schoon

ontdaan van alle opsmuk
klaar voor de eeuwigheid
tilt de wind mijn bladergeest op
het Engelendeel voor de hemel
residu voor de aarde
zo ben ik in alles en overal

ooit verwaaid
en meegetroond
verguisd en gebruikt
zweef ik nu
dankzij u!