glinsterscherf – tibbes punt

Van zicht ontnomen
riep ik naar een hand die zocht.
De wind roept en brengt.
Nu dwaal je hier rond op verloren momenten
houdt op tast de deur open voor water wat niet stroomt
maar een begin klopt in mijn tenen.
Zes jaar diep verdronken op een foto dwing
ik mijzelf nog steeds niets af.
Klamp vast aan twijfel en ik kan wel
koorddansen als mijn hoofd maar eens de grond
zou laten.
Probeer je een vreemde te laten zijn.
Maar
zodra jouw
dwalen
voelbaar is
wil
ik
in
je
armen.
Stukjes zielenspiegel draag ik met mij mee
als doekjes voor op wonden
er heerst hier oorlog weet je
dus blijf
blijf…
al is het maar in een zoekend moment.
Dan geef ik je wat glinsterscherven
die pijlsnel door je bloedbaan schieten.

blue socket bird – tibbes punt

Er rust een vlinder op je spoor
ogen die het zwartste strelen
haar vleugels in je zij
voor een seconde
denk ik
dat ik een vlinder ben
maar mijn pootjes dragen
blauwe stopcontacten
ik hip wat rond
drink water
weet dat april zich zal
herhalen.

vlinderveeg – erik-jan hummel

Zoals mijn bad vol potjes vol vlinders
en in de dekseltjes gaatjes en in
de kas een duizendtal op reserve
alsof ik hoopte dat ze de potjes
wegvlogen of zolang ze vlogen

Zoals ik baadde en zo zonder
het te willen potjes kapot deed slaan
en soms een vlinder ontsnapte, maar
vaker verzonk en ik me dan los sneed van

Zoals ik een aquarium kocht met sluitend
deksel, alle reserves losliet, juist daarin
faalde, want volledig vol vulde ik

Zoals ik het aquarium in een vol bad liet
zakken, het water het deksel drukte en zij

Zoals ik in één veeg

in rotterdam – berrie vugts

In Rotterdam in een kelder zonder raam zit
een jonge hond opgesloten.

Een keer per dag krijgt de hond een bak zout
water en slurpt.

De deur wordt dichtgegooid en het licht en de
voetstappen sterven weg.

De hond jankt, tiert, huilt om nog wat water en
sterft na drie dagen in een kelder in Rotterdam.

milieuvervuiling – pallas van huizen

Dieper onder het oppervlak werd het zichtbaar.
Alsof je door een verlichte gang liep,
de tekenen waren zowel aanmoedigend als onheilspellend.
Even leek het alsof hij zou gaan stikken.

Met haar vingertoppen testte ze het water,
ze zag er weinig bijzonders in,
haar neus prikte door de schijnheiligheid heen.

De vervuilde wanhoop en roestige ideeën,
bespaar me de moeite van een excuus.

Het afval voor het koninkrijk der Eendenlanden.

De kraaien, de zwarte kraaien
en de meeuwen, de witte meeuwen,
zaten gebroederlijk en gezusterlijk
daar aan het meer van zijn gedachte,
te pikken, te vissen, te fladderen en te vrienden.

Langzaam drongen de dampen van verzuurde planten
en verteerde vissen door
ze kregen ruzie, de diplomatiek ging verloren.

De sterkste deed een greep naar de macht.

Er werd niet meer geluisterd,
dichtgesmeerd zonder zeggingskracht,
stonden ze machteloos tegenover de gewone man of vrouw
die gewoon naar huis wilde en niet genoodzaakt was
zich bloot te geven aan de inzichten van het medisch personeel
van de instelling letterland.

Ze zouden 150 jaar lang niet luisteren.

Te dom om hun eigen troep op te ruimen

buikspreker boven water – delphine lecompte

Op de duimknobbel van de buikspreker rust een kever uit
Ik weet niet waar zo’n insect van bekomen moet
Hoorbaar is zijn hijgen niet
De buikspreker niest
En de kever keert terug naar zijn rijstpapeiland.

In de tweede strofe mag ik een prozaïsche omelet eten
Het helpt niet
Dat de buikspreker een mooi servies heeft
Het eigeel verhult een kannibalistische pelikaan
Bijna verklap ik mijn diagnose op het juiste moment.

Het juiste moment wordt verkeerd
Wanneer de buikspreker een houten dier laat vallen
Net voor de grond wordt bereikt herken ik
De olifant aan zijn surrealistische elegantie
Pas na het herstel van de slagtanden praten we opnieuw.

De buikspreker gebruikt het woord ‘aquarium’ in iedere vraag
Ik antwoord op al zijn vragen: ‘Ik kende het wachtwoord niet.’
Het wordt avond omdat de sterren willen opscheppen
Somber verlaat ik het huis van de beenharde buikspreker
Mijn somberte vindt goddank een vallende ster.

Ik vind de gevallen ster in een plas ossenbloed
Hij heet Abraham noch Noach
Zijn tweede beroep was koorddanser
Mijn wens is verse huisdieren voor al mijn mannen
En de gulzige genezing van de enige moer.

De gevallen ster lost tergend op
Terwijl de ochtendzon het ossenbloed stolt
Tot de roestige tekening van een kever op een duimknobbel.

aan mijn ongeboren kind – maaike klaster

Nee, je bent er nog niet, ook niet in mij.
Al kan ik een lange tienerjongen mama
tegen mij horen zeggen. Bestaat zoiets?

Zien wij elkaar op een dag onder- of
bovenaan een trap? Heb ik zin om jou
te dragen? Mag ik mij zoiets afvragen?

Het spijt me dat ik mijn leven lang zo
stom ben geweest, maar ga vanaf
vandaag maar bij jouw vader klagen.
Die gedraagt zich tegenwoordig als de
kledingloze keizer. Ja, schat, net als jij
had ik een wakkerder iemand verwacht,
maar ook ik heb liggen slapen.

Weet je dat ik jou zag, in het echt? Al
zullen er mensen zijn die mij voor gek
verklaren. Dat doen ze waarschijnlijk
toch al. Jij reed op een crossfiets door
de fontein op het plein en keek om je
heen als iemand die het – godzijdank -
nog niet had begrepen. Ik lachte hardop
en dacht: ”Goed zo, jongen, laat maar
zien hoe het hoort!” voordat jij je
zeiknat en triomfantelijk omdraaide
om diezelfde route door dat uit de
grond spuitende water nogmaals, maar
in tegenovergestelde richting, af te
leggen. Je keek er zielsgelukkig bij.

Bij nader inzien werd jij helemaal niet
nat, niet van water, want die fontein
was er wel, maar jouw lichaam nog
niet, en die fiets moet ik nog kopen.

Het leven is mooi, lieve jongen, dus
dat wil ik jou dolgraag geven, maar
zonder jou vind ik er steeds minder
aan. Ga maar vast bovenaan die trap
staan, dan kunnen wij zien wie er
eerder is: jij beneden of ik boven.

Ga ook maar aan je vader vragen
waarom hij zich als zo’n ongehoorde
klootzak heeft gedragen. Je weet al
waarom ik zo’n verschrikkelijk
kutwijf ben geweest.

voor wie het is geschreven – maaike klaster

Er is een tweede maan bijgekomen.
Nu huil ik tranen met tuiten.

Dat doet de maan soms,
water laten stromen.

Als ik jou nu in mijn armen had,
dan zou ik je laten weten hoeveel ik
van je houd. Kom gauw langs,

ik mis je zo.
Volgens mij kunnen wij veel mooier
en veel completer, speelsers onszelf
aan elkaar laten zien als wij eindelijk
ophielden met net te doen alsof
wij voor de ander niet bestaan.

Heb jij mij verstaan? Ik vraag het maar.

Ook dit heb ik in alle haast geschreven,
want ik word er moe van iedere dag
in mijn eentje op te staan. Nu jij nog,
lieveling, word je wakker uit onze
gezamenlijke dromen of blijf je
voor altijd in de mijne slapen?

Haast je. Ik vraag het je.

de paddenpoel – elsje de wit

ik kijk niet graag of schichtig achterom
de villa die er net nog stond, lijkt op een oude dame
kermend in haar houten jas
zo hol van binnen

doorgaans een even aantal passen lopen
met je handen in je zakken
naar de paddenpoel
de langgerekte tuin in

dan merk je ook waarom
de grote wijzers langzaam om het kroos heen draaien
en wegtrekken tussen het struikgewas

wacht hier

laat mij het beeld kapot slaan
van de pad die destijds naar lucht zocht
op het randje van aarde en water
waarna hij uiteenspatte op gras dat groen was

epiloog – maaike klaster

Hij hield de herfst in zijn hand
  en streelde met zijn dorre vingers
rimpels op mijn water.

Ik houd mijn hart vast,
  breekbaar als een nagel.
Dag herfst, dag hand.

nana – tijl nuyts

Je stuurt me brieven
met droge bladeren
van je sinaasappelboom

Ik ruik
het stof, de wind, de zomer
in de enveloppe

Dartelt je hand nog,
je gom en je potlood
vliegen elkaar in de donkere haren

Je land spiegelt
als een roestige munt in het water

Het schorre gefluister van
je sinaasappelboom
vertakt zich voor mijn ogen

Je hangt de zinnen in de withete zon
te drogen
kleurige wasknijpers klemmen
flarden wereld aaneen.

maalstroom – bert de kerpel

Als Pythagoras de aarde niet
bol had verklaard
kon ik nu misschien
lachend en bedaard
eraf stappen

bakken vol zorgen muilkorven
achterlaten voor nazaten
die mij met een ons geluk
niet achterna zouden zitten

ik zou m’n anker en m’n ego slaan
in Canada een beer verslaan
ter hoogte van Papoea Nieuw
Guidinges dan te water gaan

nu rest me slechts te rimpelen
in tijd onder te gaan.

schoon schip – mark kalsbeek

Het kolkt in mij,
verwoestende liefde klotst
en maakt mijn lijf zeeziek.

Misselijk hang ik over de reling
kijkend naar een klein meisje
dat verdwaalde in haar dromen,
zich verslikte in een te grote vis
- waarom vertelde niemand haar
dat er nog graten in zaten -
en schepen achter haar verbrandde.

Wrakken bleven, diep verzonken,
spookpiraten morrelden aan het gouden slot.
Zij hield haar juwelen vastberaden boven water
wachtend op de dag
dat ze genoeg waard waren
om haar eigen oceaan te kopen.

nox voluptatis – bert de kerpel

Toen ik sliep had ik een boek vast,
zij mijn handen en ze vroeg of ik
met haar in de bladspiegel wou duiken
en het donders brakke water brak.

Trots in de verte torende de oever
maar twee goed gekozen woorden en
tussen haar dijen lokte ze een karper.
Zijn vinnen sneed ze tot vleugels.

We zijn aan wal van bil gegaan.
Onze tenen woelden het zand
tot hoopjes, onze tongen trilden
maar alle letters losten op.

Van zodra de wind de klinkers
verzameld had en wij, charmante
ketters, weer te water gingen,
begonnen planten te dansen,

twijgen te zingen en later,
toen de spiegel ons losliet
en de letters, ontvlamden we,
bronstig als belezen spetters.

see you there – jan van heemst

De stegen naar de hel
zijn bestraat met jonge vrouwen;
de wegen naar de hemel
geplaveid met flauwekul.

Ik ga dus naar de hel
waar ik een feest ga bouwen
en heb geen moer vertrouwen
in dat oeverloos gelul.

Want daar boven is geen hemel
maar slechts het spiegelende zand.
Geen oase met een kemel;
en zonder water, o mijn hemel,
krijg ik dorst en zonnebrand.

zon/maan – maaike klaster

Radioruis houdt me wakker en alert. Alarm in de vroege ochtend,
die ook een middag of zelfs een nacht had kunnen zijn. Maar wat is
het verschil? De zon schijnt altijd ergens. Recht in mijn gezicht, in
dit gedicht. Het vel papier weerkaatst zijn stralen zodat hij als onze
astronomische hemelvader aan mij laat weten dat hij niet is vergeten
hoe wij heten; de maan in zijn kielzog meeneemt. Hij schenkt haar
ons leven en zij lacht veel vaker dan jij dacht, want zonder die
weerkaatsing in de nacht zouden wij altijd zijn blijven slapen, nooit
in een mensenhuid zijn opgestaan. Vraag maar aan het water.

blos – b. vogels

tot over je oren
in een oeverloze plas
kringen walsen

synchroon curven
op het water baltsen
en dan kunnen zoenen

en niet durven

winter – maaike klaster

Ik zou een deur in de zon willen zijn
met sneeuw op de stoep, aan het eind van een wintermiddag.

Daar zou ik het voorbijgaan zien van wandelaars, fietsers, licht, de tijd,
terwijl ik blijf staan met schemer binnen raakbereik,

het kraken horen van bevroren water, van mijn eigen hout in de kou
en het niet erg vinden dat ik krimp en het niet erg vinden dat ik kraak.

In de verte zou ik de voeten zien die thuiskomen bij mij,
traag van vertrouwen in mijn richting lopend.

Hen zou ik verwelkomen met mijn knop in hun hand.
Zij zouden mij openen en naar binnen stappen,
over de drempel naar mijn warme hart.

vang ons – kate schlingemann

Kom, trek jonge ogen aan
maak laarzen van je voeten
woel tenen door het natte zand

Licht zoeken we,
op het water
tussen vingers
uit het schuim
en bladeren

van ongeduld huilende wolven
we ruiken de maan zoals ze valt,
trappelen haar in glinsteringen

de onderwaterlasser leert schaken – delphine lecompte

De onderwaterlasser leert de knepen van het schaakspel
In de kale woonkamer van de incestueuze imker
Het is de imkerdochter die hem onderwijst
Ze draagt een zonnebril en een slagersjas.

De jas is vuil
Maar het is geen bloed
De lasser leert snel
Maar niet rap genoeg
Om te winnen voor de zon ondergaat.

De zon gaat onder en de lasser verliest
Voor de zesendertigste keer
Hij veracht de imkerdochter eigenlijk
Ze vraagt wat er zoal te lassen valt daar beneden
In het water? Zwembadladders misschien?

De imker betreedt zijn sobere leefruimte
Hij neemt meer plaats in dan de onbespeelde contrabas
Zijn kostuum is vies van uitgesmeerde insecten
Hij zegt tegen zijn dochter: ‘Stuur de lasser weg,
Voor ik mijn geduld verlies en jouw koningin naar zijn milt verban!’

De onderwaterlasser lacht
Hij is immers al jaren miltvrij
Hij neutraliseert de imker met zijn pinkring
En werkt zijn zevenendertigste schaakspel af
Hij verliest en de schemering went.

Tijdens het veertigste schaakspel voelt de onderwaterlasser
Dat de imkerdochter hem laat winnen
Hij staat op om haar te wurgen met zijn papegaaidrukke das
Maar de imker herrijst
En forceert de koningin van zijn dochter
Als een zetpil daar in de lasseraars.

* – maaike klaster

Ik lag in bad
Het was te klein
het water koud
Ik wilde eruit
en toch bleef ik liggen

de blote zee – b. vogels

Vrede is een zee van naakt zijn.
Een zaak van anderen
raken bij de huid.

De kleuren wissen in de massa.
Golven verankeren op een lens.

De mens is een druppel.
In zijn kleren valt hij op,
het netvlies van de visser
trilt in niets dan water.

anemogaam – maaike klaster

Wanneer het middagvuur speels de slaap
uit verwaaide kamers wist, slist
daarginds ons steels gerucht.

Buren wieden, zien het niet, maar
lispels druipen naar hun grasveld af.
Glijden zoals slakken slijmen.

Hun spinsels kruipen naar mijn huid omhoog,
bewegen mee en blijven bij me.

De dag gaapt sleets.
Grond staat droog.
Er is geen wolkje aan de lucht.

De buren met hun hark en spade
spitten in de rulle aarde,
kijken op, verwachten water.

De wind neemt loof mee in zijn vlucht.

loos – b. vogels

niets fonkelt nog
bubbels vergaan
de chroom verdwijnt
als schone schijn

hij staat rijkelijk op straat
zij werkt
met de laatste fles

dan heerst de glorie van plat water
zelfs het dak dreigt plaats te ruimen
voor briljanten sterren

apocalypso – roop

groeten uit het einde
van de wereld aan zee
het weer zat vandaag mee
twee cyclonen en het water
dat god met blote handen deelde

morgen zijn er plagen
en de pianist heet dante
maar pa gaat achteruit

nu is hij weer vergeten
herrijzen aan te vinken
dus na vrijdag zijn we er niet meer
zorg jij dan voor de planten

belangrijke boeken – maaike klaster

De grootste crimineel, dat ben ik. Wist je dat niet?
Misschien zit ik in jouw fantasie met een dikke bril
op Belangrijke Boeken te lezen en misschien is dat
maar goed ook, want als undercoveragent infiltreer
ik al jaren in de onderwereld, speel ik blackjack
aan zo’n casinotafel, fluister ik Japanse maffia
roulettecijfers in. Hier geniet ik: alles boven water,
maar met klasse, zacht geroezemoes, gedempt licht.
Als iemand je vraagt jouw sportschoenen thuis te
laten, betekent dat zoveel als: doe een beetje moeite
om binnen te komen. Wat niet hetzelfde als moeilijk
doen is. Denk na voordat je de straat op gaat.
Wellicht dat die leren pumps goedkoper waren; daar
gaat het niet om. Je laat anderen weten dat ze bestaan.
De regels van de gastheer of –vrouw respecteren, vind
je dat moeilijk? Geen wonder dat het huis altijd wint.

mijmering – joost de jonge

Wat mij raakt is jouw lach
die als een afgevallen blad op het water
rust op jouw tragiek

Als een kathedraal
majestueus geheven
grijpen takken in elkaar
een Gotische boog beschrijvend
die zich tot in de verte uitstrekt

Ik ben een dolende
terwijl God slaapt
zijn wij wakker in de droom van God
wanneer hij wakker wordt
zal hij zich niets herinneren
en ons onze dromen teruggeven

Donker en stil
gefilterd licht valt
op het voetpad
boven mij is het bladerdek
nagenoeg dicht

gevoel – hanny van alphen

tasten is voelen ik voel niets
anders dan mijzelf

ben ik

een vreemde onder de huid
die te lang in het water heeft gelegen

een vrouw die nooit weten zal
waarom liefde uit de wortel is geperst

gedood eer ze leven zou

morgenland – dani nacca

We trokken ons terug om de
onbeschreven dagen van
Morgenland te bewandelen,
te beschrijven.

Geblinddoekt zwevend
door het luchtledige
onwetend van de walging
die ons beviel.

Realiteit de zon van Icarus
De vergetelheid het water.

het meisje en de zee – hanny van alphen

wonderlijk hoe gedachten
suiker spinnen

het zoete de mond beroert
van het meisje in de wolken

aan haar voeten wijkt het water
de zee, de zee

ebt langzaam weg
en neemt in haar kielzog mee

de glimlach van een jonge man
en hoe zij wachtte