reservetijd – janine jongsma

en als je mij hebt doorgrond,
weet dat er daarna niets meer komt
wat jou nog verbazen zal in mij

jij mijn restwaarde afschrijft
waar ik liefheb in ons trouwboekje
geen beroering meer voelt

aan de andere kant van ons bed
waar ik al jaren niet meer kom
je mij plichtmatig welterusten wenst

verval ik in het stilzwijgen van ons huwelijk
onder de noemer “houden van”
tot een obligate kus bij gelegenheden

was ik de vlekken uit je onderbroeken
stel ik louter retorische vragen
en serveer onopvallend je lievelingskost

om de aandacht voor die halfdode vrouw
in dit krankzinnige instituut
maar niet op mij te vestigen

de afstand is zichtbaar – pallas van huizen

Weggestopt in een glas,
de zilte tranen,
de onschuld van een man,
als zwarte ogen achter rode gordijnen,
zware schouders,
een tel van onbalans,
was zijn vrouw maar hier,
verloor hij zichzelf zonder inzicht,
zienderogen wegkwijnend in teren taal,
druipt haar liefde langs de hoorn,
de donkere eenvoud van verlangen,
waar houten tongen afstompen
tegen ijzeren idealen,
ze was geen gangmaker,
maar raakte me
in haar vertraging.

liefde voor een vrouw – pallas van huizen

Sommige mensen nemen haar serieus,
ze doet dingen die ze raken.
Ze laten zich niet beïnvloeden
door waanzin of jaloezie.

Uit ervaring leest ook hij haar in vrede.
Geen termen van goed of fout.
Als het haar niets zou kunnen schelen
dan zou ze het ook niet zeggen.

Objectiviteit bestaat niet.
Was hij maar een open meer.

De lucht is roze gespannen.

Met een op-zichzelf-gerichte blik
respecteert de man haar keuze.

Onvergankelijk is zij dezelfde.

De liefde is hier.

vriend – martin m aart de jong

Laat ik het hebben over jou. Ik maak
me zorgen. Hoe je de dagen doorstaat
en iedere dag toch trouw blijft posten.
Het is allemaal niet veel zaaks, los

strooigoed voor de vogels alsof je in
jezelf praat. Maar dan nog, wat zeggen
statistieken, wat zegt een “vind ik leuk”
Twijfel je nooit? Wil je niet opgeven

klap je nooit dat boek eens dicht en stap
je naar buiten, groet de vreemde die je buur
vrouw is. Dit is het leven niet. Beschermd

gebied vol onnatuurlijk heden. Geen dood
voor wie een status heeft. Profielen staan
onopgeheven voor eeuwig langs de lijn van tijd.

milieuvervuiling – pallas van huizen

Dieper onder het oppervlak werd het zichtbaar.
Alsof je door een verlichte gang liep,
de tekenen waren zowel aanmoedigend als onheilspellend.
Even leek het alsof hij zou gaan stikken.

Met haar vingertoppen testte ze het water,
ze zag er weinig bijzonders in,
haar neus prikte door de schijnheiligheid heen.

De vervuilde wanhoop en roestige ideeën,
bespaar me de moeite van een excuus.

Het afval voor het koninkrijk der Eendenlanden.

De kraaien, de zwarte kraaien
en de meeuwen, de witte meeuwen,
zaten gebroederlijk en gezusterlijk
daar aan het meer van zijn gedachte,
te pikken, te vissen, te fladderen en te vrienden.

Langzaam drongen de dampen van verzuurde planten
en verteerde vissen door
ze kregen ruzie, de diplomatiek ging verloren.

De sterkste deed een greep naar de macht.

Er werd niet meer geluisterd,
dichtgesmeerd zonder zeggingskracht,
stonden ze machteloos tegenover de gewone man of vrouw
die gewoon naar huis wilde en niet genoodzaakt was
zich bloot te geven aan de inzichten van het medisch personeel
van de instelling letterland.

Ze zouden 150 jaar lang niet luisteren.

Te dom om hun eigen troep op te ruimen

* – bennie spekken

een vredige avond
hoe is het mogelijk

geen hond op straat
geen sirene in de verte

vrouw aan de bloedwijn
en ik in haar schaduw

een vuurtje stoken

gedicht dat ik schreef in 1994 – maaike klaster

Toen ik 18 was, de Roxy in Amsterdam nog bestond
en XTC hoogtij vierde

 
 
Zo lief en lief
is iedereen
en alles
houdt van jou

Je danst en praat
Je springt en aait
Je zoent een man
en dan zijn vrouw

Het eeuwige leven
strekt zich uit
omdat de nacht
oneindig lijkt

Maar ‘s ochtends vroeg
merk je al snel
dat alles slechts
twee pillen blijkt

luisterend oor – bennie spekken

gezellig
met z’n tweetjes
bijkletsen

dat wil zeggen
zij praat
jij staart

het vuur knettert
in de open haard

de liefdesgeschiedenis
van een vrouw

en een man
op straat

die moord
en brand schreeuwt

de beweging – mattijs deraedt

Bedankt aan de beweging,
want het is zij en zij alleen
die mij inspireert.

Nog meer dan het gonzende lichaam
dat blinkt in deze koude kamer.

Nog meer dan het lachen van een vrouw,
jong en vol onzin, maar geslepen
en rad van tong.

Nog meer dan het licht tussen mijn oren,
de geladen leegte na een bloedneus
of het prikken van een nieuw harnas.

Nog meer dan de eindeloze bast die staat
en blijft staan, geolied deint onder liefde.

Nog meer dan dit alles
is het de beweging die me stuwt
en verrast, die me hard en week maakt,
die me wakker schudt en streelt
met haar spannende spieren.

En na de beweging rest alleen nog de slaap,
die maar niet komen wil.

dooie hoer – andré van der spek

ergens
ligt
wellicht
op de rug
een dode vrouw

misschien
wordt ze
nog 1 keer

gebruikt

als tafelkleed

of als een ander
decorstuk


ach
ik weet niet
hoe
het voelt
met of zonder
rubber

maar als ik het hoor
hoer!!!
denk ik vaak
aan me moeder

promovendus – maaike klaster

Met een paal in je broek ten onder gaan,
knock-out geslagen worden. Dat is de kracht
van een vrouw die niet bang voor seks is, niet
vies is van haar eigen lijf, en jij maar doen of
je mij niet ziet, maar toch stiekem naar mij
kijken. Kijk naar je eigen wijf!!!!

De smerigheid waar jij mij mee achterliet,
alsof je met een hoop stront onder je schoenen
mijn huis binnenliep om mij vervolgens te
vertellen dat mijn huis voor jou niet schoon
genoeg was en ik als vrouw, als mens, niet
deugde, heb ik grotendeels weggewassen, met
water, zeep, geschreeuw en tranen. Dat was het
wel zo’n beetje. Nu ervaar ik voor het eerst in
maanden mijn oorspronkelijke vreugde weer.
Goddank, en jij ook bedankt, Meester in de
Drogredenen. Over die retoriek van jou – eerst
zeggen: “ Zullen we koffie drinken?” en dan
roepen: “Ik ga jou helemaal niet bellen, want ik
heb al een relatie!” – kan ik een dissertatie
schrijven waar ik als Novice in de
Argumentatieleer direct op promoveer. Liegen
doe ik niet. Ik heb het, net als jij, allemaal zwart
op wit.

Mij aan het huilen maken en mij dan, terwijl je
de deur in mijn gezicht dichtsmijt, verwijten
dat ik mij als een slachtoffer gedraag; dat mijn
energie “niet zuiver” is, daar kan zelfs de grootste
Professor in de Neerlandistiek niets mee.
Daarvoor moeten wij overschakelen op
Geschiedenis en Politicologie – als die studie nog
bestaat – want zo’n uit haat geboren filosofie,
daar zijn Hitler en Mussolini groot mee geworden.
Om nog maar te zwijgen over het feit dat jij de
zaken – voor de zesde keer – om wist te draaien en
beweerde dat ik om iets heel anders huilde dan ik
deed. Hoe kom je daar toch bij, en hoe haal je het
in je hoofd om mij telkens terug te duwen in de
handen van mijn vroegere verkrachters om dan te
zeggen: “Ophouden met huilen, kreng!” ?
Wat ben je dan voor een mens? Hoeveel
verkrachtingen heb jij meegemaakt toen jij klein
was, en zeg je dit soort dingen in gedachten ook
tegen de kinderen die te grazen zijn genomen door
Robert M.?

Er is maar één logische conclusie die ik uit dit
treurige en totaal onnodige verhaal kan trekken:
in tegenstelling tot wat jij zelf beweerde, ben jij
niets gewend.

tijd van hebben – martin b

Daar stond ze, rokend in de kou, wachtend op een Greyhound bus. Veel bagage had ze niet meegenomen. Van jongs af aan had ze al een bloedhekel aan bagage. Niet alleen aan bagage, ook aan artsen. Bagage en artsen, dat waren de dingen in haar leven die ze verafschuwde. Ze wist donders goed dat ze moest stoppen met roken en daar had ze echt geen broekie van een arts voor nodig die dat nog even onder haar neus moest wrijven. ‘Je hebt longkanker, Merel. Als je zo door blijft roken, geef ik je nog geen half jaar.’ ‘Ach, jullie artsen zitten er wel vaker naast. Go fuck yourself’ had ze tegen hem gezegd. Nee, wat dat betreft was ze niet bepaald een vrouw.

De vliegreis was uitermate vermoeiend voor haar geweest. Er was een bommelding op Schiphol en voordat er weer groen licht werd gegeven, was ze ruim acht uur verder. Ze baalde als een stekker. Ze werd kotsmisselijk van het lot. Telkens weer. In een impuls had ze de nieuwe roman van Arnon Grunberg gekocht, enkel om de tijd te doden. Maar dat werd een enorme domper. Ze kwam niet verder dan pagina één. Daarom besloot ze het boek maar weg te geven aan de eerste de beste voorbijganger die ze zag. Dat was een man met lang haar, een bril en een pokdalig gezicht. ‘Dank u vriendelijk. Mijn open haard zal u tot de lengte der dagen dankbaar zijn’, grapte hij.
Ze lachte zo hard dat het gênant was. In feite kostte lachen haar het leven, vanwege de standaard hoestbuien die daarop volgden. Eenmaal in het vliegtuig zat ze, tot overmaat van ramp, naast een dikke stinkende Duitse vrouw, die de oren van haar kop lulde over de Islam en het buitengewoon schandalig vond dat Obama de Nobelprijs voor de vrede had gekregen. Zij vond het op haar beurt weer schandalig dat het wonder duo Allah & God haar hadden geschapen. Ze hield wijselijk haar muil. Toch vond ze het jammer dat ze niet even het raampje kon opendraaien om haar eruit te donderen.

Er is hier vrijwel niets veranderd, behalve de sneeuw, dacht Merel. Het zag er daadwerkelijk oogverblindend uit en dat terwijl haar ogen in der loop de jaren met een snelvaarttrein achteruit waren gehold. Wel typisch dat Karel op een steenworp afstand woonde, van waar zij in 1976 een jaar lang stage had gelopen als secretaresse voor een bedrijf dat bomen kapte. Het druiste eigenlijk tegen al haar principes in, maar het verdiende uitstekend. Ze was tot de ontdekking gekomen dat het bedrijf inmiddels met de grond gelijk was gemaakt. Dat vond ze wel ontzettend komisch.

Ze nam nog een trek van haar sigaret. Fucking Canada, mompelde ze. Godverdomme Karel, waarom uitgerekend een internetslet in Canada? Hoe oud ben je nu helemaal? Kon je het niet gewoon wat dichter bij huis zoeken? Ik bijvoorbeeld. Was toch bij mij gebleven, jij lief verdwaald Zwaantje. Zwaantje, dat was het koosnaampje die ze te pas en te onpas maar al te graag gebruikte. Karel had prachtige pikzwarte wenkbrauwen en haar zo zuiver wit als een pasgeboren wolk. Ze vond het dan ook gezicht dat Karel toentertijd een hanenkam had. ‘Je lijkt net een verschrikte zwaan’ had ze toen tegen hem gezegd. ‘Ik ben Karel de Grote’, antwoordde hij droogjes. Waarop Merel antwoordde: ‘Ja, in je broek misschien. Maar niet in je kop, Zwaantje.’ Hij lachte. Merel was de enige persoon die Karel aan het lachen kon maken. Ze schudde haar hoofd en schoot haar peuk weg in de sneeuw. Het doofde langzaam.

Daar was eindelijk de Greyhound bus. Het leek wel een eeuwigheid te duren voordat de deur openging. Ze toonde haar bus ticket. De buschauffeur gaf een goedkeurend knikje. Alle buschauffeurs zijn hetzelfde. Hij leek overigens verdacht veel op die ene buschauffeur uit The Simpsons, alleen de walkman ontbrak. Ze keek rond in de bus, uitsluitend gevuld met uitgebluste figuren. Ook dat nog. Ze moest stoel 45 hebben. Gelukkig had ze geen buurman of buurvrouw en dat zou de rest van de busrit ook zo blijven. Algauw viel ze in slaap met The Cure op haar iPod.

‘Ma’am! Ma’am! Wake up, ma’am, you’re here.’ Ze opende haar ogen als een klein kind en zette haar bril recht. ‘Okay, thanks a lot.’ Ze frommelde haar iPod weer in haar handtas en strompelde uit de bus. De bus bleef nog eventjes staan en vertrok toen weer. Ze hield van het geluid dat de bus maakte door de sneeuw. Het maakte haar intens gelukkig. Daar stond ze dan, in the middle of nowhere. Ze zag een vogel die ze niet zo snel thuis kon brengen. Ze haalde haar spiegeltje tevoorschijn en ze bekeek zichzelf grondig. Mijn hemel, wat ben ik toch oud aan het worden, dacht ze.
Ze pakte haar lippenstift. Ze wist dat Karel haar lippen het mooiste van alles vond. ‘Je hebt geen pijplippen, maar lippen om op slaap te vallen’ had hij ooit eens tegen haar gezegd. Het grappige was dat Merel meestal degene was die als eerste in slaap viel, vaak met haar wang op zijn zak. Hoewel Karel Merel had verlaten, had Merel veel zinnen van Karel in haar hoofd opgeslagen. Die zinnen braken nooit uit, spookten niet. Ze hoorden domweg thuis in haar hoofd. En misschien maakte dat haar ook op een één of andere manier wel meer ziek dan de kanker. Ze vroeg zich af hoe Karel zou reageren als ze hem vertelde over haar ziekte en zijn onbekende zoon. Waarschijnlijk zwijgend. Karel zweeg namelijk graag. Karel de Grote Zwijger noemde ze hem ook wel eens. Ze haatte het als Karel niets zei. Ze zou ondertussen multimiljonair zijn geweest als ze voor alle gedachten van Karel een kwartje had gekregen. Het heeft niet zo mogen zijn. Ze klapte haar spiegeltje weer dicht. Het was nog een goede tien minuten lopen naar het huis van Karel.

Ze belde aan.

spoor – b. vogels

Waar plaats je de vrouw met lijfgeur in het paradijs?
Alvast niet in de trein, ze stoot me aan.
De hemel keert zich om in mijn hoofd.
Ik staar naar de studente met de spelende tong.
Voor de grijsaard, met gehoorapparaat,
naast haar is vast niet alles roze.

* – joost van gijzen

De meeste meisjes kennen we nooit als vrouw.
Niet met iedereen deel je puberend het matras -
In de nieuwbouwwijk of eindexamenklas
Zijn er voor elke Janneke een Jennifer, Gwen, Maud,
Hanneke, Marleen, Louise, Brenda en Sas;
Toen geen vonk, daarna geen mistletoe, de huwelijkstrouw,
Nog steeds geen vonk – maar zelfs dan een licht berouw,
Verlangen naar het slaapkamer contrast.

De deur door naar het centrum van de wereld, het bed
Waarin ze je haar zuchten toevertrouwt,
Het schaamteloze beest in ogen hemelsblauw.
Je discussieerde tot aan andere keuzes op het stembiljet
Toe; zag elkaars kinderen opgroeien, de eerste grijze haar; oud
Geworden samen – maar zonder haar lichaam op het palet
Blijft ze dezelfde van klimrek tot verzorgingsflat.
We begraven een heleboel meisjes; zelden een vrouw.

belangrijke boeken – maaike klaster

De grootste crimineel, dat ben ik. Wist je dat niet?
Misschien zit ik in jouw fantasie met een dikke bril
op Belangrijke Boeken te lezen en misschien is dat
maar goed ook, want als undercoveragent infiltreer
ik al jaren in de onderwereld, speel ik blackjack
aan zo’n casinotafel, fluister ik Japanse maffia
roulettecijfers in. Hier geniet ik: alles boven water,
maar met klasse, zacht geroezemoes, gedempt licht.
Als iemand je vraagt jouw sportschoenen thuis te
laten, betekent dat zoveel als: doe een beetje moeite
om binnen te komen. Wat niet hetzelfde als moeilijk
doen is. Denk na voordat je de straat op gaat.
Wellicht dat die leren pumps goedkoper waren; daar
gaat het niet om. Je laat anderen weten dat ze bestaan.
De regels van de gastheer of –vrouw respecteren, vind
je dat moeilijk? Geen wonder dat het huis altijd wint.

…op een dag was het crisis. – martin m aart de jong

treinen liepen traag files liepen
vast, zoals gewoonlijk. Deuren
gingen dicht, monden gingen open
er was een man die een vrouw lief
had. Er was een kind dat ademde
op de zonbestoven straat. Er was
niemand op een plek waar de zon
ten onder ging er was niemand
op een plek waar de maan de wolken
ving in een weerkaatsing.
Het was crisis en de tijd
rolde de wereld in.

ik droom – joost de jonge

Ode aan Jean Cocteau

I

Het enig werkelijke
Ben ik, zelf in de crypte
Van mijn eigenheid

De driehoek slaakt een zucht
Een zucht in glas tussen lood
Goud, geel, groen en blauw licht

Hier nemen wij afscheid
Van hem die nu de doden nader aan het hart ligt
Voorheen was hij een en al levenslust
Jong en vol dromen sterk en
Bezwangerd door al wat moest komen

Het groene licht vluchtte zojuist
In een verbogen voluut

Ik herinner mij de kracht
Van jouw zinderend vergeten
Van jouw ziedend stoomwit
Gestaalde gedachten

De vrouw die jouw schede was
Hoefde niets te verwachten
Zij behelst de drang van jouw groei

Tot in de kleinheid van herkenning
Tot in het kleine voelen
Tot in het stille bloeien
Van planten in de tuin
Tot in het oneindig doorgroeien
Van het aantal sterren
Aan het begin van de avond
Je omhelst hun schittering
Je stort je blind
In het verlangen
Naar hun glans
Gedwongen en onteerd
Alsof niets van al wat ik zei
Je kan veranderen

Zonder woorden ben ik niet vrij
Dacht je bij jezelf
Nee, je schreeuwde het in je hoofd
Ik hoorde je

Gekweld door kleinigheden
Gekweld door lasterlijke taal
Een mens is in zijn streven
Altijd ondergewaardeerd

Mijn ziel, de kinderen
Zij plooien hem in de
Duistere krochten van hun
Onberispelijke lofzang
Jij bestaat net als ik
Net even iets anders
Ik droom

II

Het goud van glas
Dat nu over je ligt
Streelt de plooien
Die giechelend schroeien
In de dans van jouw liefdesspel

Zoals zij glooien
Gladgestreken, dat wel
Als een antwoord
Je verslinden van top tot teen
Ik droom

Ik droom zonder schroom
Van een warm bad
Van klotsend vloeibaar goud
Dat mijn geest likt
En mij vult
Al mijn openingen
Zachtjes kussend binnensluipt
Hoorde jij mij
Of ben jij mij geworden

Ik droom


III

Dwang drukt op liefde
Van een onderdaan
Dwang drukt op de levenslust
Van een onderdaan

Een hersengolf die je
Bijna om doet slaan
Rijs nu, ga staan
En eer dit dode lichaam
Was het bijzaak
Dat je hier nu ligt
In een beschilderde kist
Gesloten, jij bent al naar huis
Wij eren hier de
Voetafdruk van jouw ziel
En zijn verwonderd
Dat je bent vertrokken
Wij zijn bang om te erkennen
Dat jij niet jouw lichaam was

Ik droom

ik – yvette rombouts

‘De vrouw met de rode haren, dat ben jij,’ zegt de buschauffeur.
Ik schrik, ik ben onverwachts gezien.
Schuifelend, gebogen, grijs en onzichtbaar maar wel met fel rood haar.

Ik weet niet waarom ik niet duidelijker ben.
Om alles wat ik heb gedaan.
Om alles wat ik was en nooit zou worden.

In mijn hoofd ben ik niet gezien, geen ruimte in nemen, wel gillen.
Praat niet met me want mijn stem is onvoorspelbaar.
Hoog piepend, zacht fluisterend of plots omslaand, veel te hard.

Nee, ik wil niet mee klagen over de te langzame caissières.
Maar jij, voor mij in de rij, met je blauwe jurk, dwingt mij.
Met mijn glimlach sluit ik een pact met jou, perfecte blauwe vrouw, tegen de caissière.
Vreemdeling zie mij,
Vreemdeling hoor mij,
Vreemdeling voel mij,

Vreemdeling negeer mij.

gevoel – hanny van alphen

tasten is voelen ik voel niets
anders dan mijzelf

ben ik

een vreemde onder de huid
die te lang in het water heeft gelegen

een vrouw die nooit weten zal
waarom liefde uit de wortel is geperst

gedood eer ze leven zou

vandaag is misantropie aantrekkelijk – delphine lecompte

Vandaag is misantropie aantrekkelijk
Voor de dadaïst in Kaapstad
Hij is op zoek naar inspiratie
En een goedkope beenprothese
Voor zijn vrouw, ze snakt naar evenwicht.

Deze ochtend werd hij gewekt
Door zweepslagen op een welpenflank
De welp was stom, de beul een albinoman
Er waren ook toeschouwers
De meesten waren arm en in januari geboren.

Niemand stopte de albinoman
Hij staakte zijn ranselen vanzelf
Toen het leeuwenjong bezweek
Na zijn theeloze ontbijt vindt de dadaïst
Een beenprothese op de drempel
Van een geïmproviseerd bordeel.

De dadaïst vindt twee hoeren
Met slechts een linkerbeen
Hij neukt ze beiden
Een beetje tegelijk, een beetje kwaad
Dat ze spotten met zijn onbesnedenheid.

Na de betaling voor de schertsende seks is
Misantropie onvermijdelijk voor de dadaïst
In zijn hotelkamer probeert hij de beenprothese
In zijn valies te proppen
Het been breekt in twee.

De dadaïst huilt
Wanneer de zon ondergaat
In Kaapstad zijn alle ondergangen mooier
Dan zijn collages en borstels thuis
Toch vangt hij enkele vliegen
Die cirkelen boven de vermangelde welp.

Terug in België verwerkt hij
De vliegen in een misantropische collage
Hij houdt niet meer van zijn labiele vrouw
Maar wel nog van zijn morsige zelfheid.

huig is geen vies woord – delphine lecompte

Bijna iedereen vindt schelp
Een mooi woord
Zelfs de bonte vrouw
Die verkracht werd in een kuststad
Toen ze dertien was
En dacht dat vulva huig betekende.

Vooral de jongen
Wiens vader stroper was
Wiens moeder hem een wafel beloofde
Jarenlang dezelfde Luikse wafel
Met uitzicht op de zee
Maar zijn moeder bezweek aan een herseninfarct
Vóór De Panne werd bereikt.

Ik zit op het dak van een strandcabine
Vrediger dan mijn vader, ben ik niet
Schoner dan mijn moeder, wil ik niet
De ezeldrijver is verweerd
En sentimenteel geworden
Het mag.

Ik vind strand een mooi woord
Groter dan god, is het niet
Schoner dan schelp, wil het niet
De zon schijnt sentimenteel
En genadig onder te gaan
Dat kan niet.

leven en laten leven – maaike klaster

Over mannen en andere hoeren 
 
 
Wie zal ik nu eens voor vuile kankersnol uitschelden?
Mezelf? Dat heb ik al gedaan, meerdere malen, tot er
niets meer te schelden, niets meer te vergeven
(ver-geven) viel, alleen de pijn overbleef die anderen
mij hadden aangedaan, dus nu zijn jullie aan de beurt.
Weest niet bang, ik ben niet degene die jullie pijn zal
doen, dat hebben jullie zelf gedaan. Als jullie alvast
in de rij gaan staan, zijn we sneller klaar. Dan pak ik
intussen mijn Van Dale erbij om wat mooie, nieuwe
woorden op te dissen, anders wordt het zo saai,
vinden jullie ook niet? Of je moet het niet erg vinden
om door mij steeds opnieuw voor vieze tyfushoer te
worden uitgemaakt. Dat scheelt mij uiteindelijk ook
weer werk. Dacht je dat ik dit voor mijn plezier deed?
Nee, voor mijn plezier ga ik koekjes staan bakken.
Dit is keihard werken – wat ik overigens met liefde
doe hoor, hoer – maar plezierig kan ik het niet
noemen, de godganse tijd de metalen haatplaten van
mij afslaan die jullie als een stel onervaren
bouwvakkers, met mislukte ninja-tactiek, op mij
afvuren. Iets wat ik trouwens ook voor jullie bestwil
doe, en voor het welzijn van alle andere bewoners
van dit klootje dat wij onze aarde noemen. Dat je dat
even weet, lui sekreet. Waarbij tot slot vermeld moet
worden dat een hoer hier natuurlijk ook een man kan
betreffen, iemand met een goede baan, een net pak
(ja, uiteraard, een spijker-, trainings-, vissersbroek
mag ook), een vrouw en meer dan één kind. Zo één
die naar de hoeren – oftewel, prostituees – gaat. Ja, ik
kan jullie allemaal aanwijzen, stelletje broederhoeren
van me, maar dat zal ik uit respect voor ieders privacy
niet doen. Bovendien: jullie vrouwen weten het toch al.

Zo heb er één gekend, een hoerenlopende manhoer
dus, een beetje een zacht ei, een Humpty Dumpty
met een trouwring om, die vanaf de andere kant van
het bureau waar wij aan gezeten waren bij
verschillende gelegenheden een aantal keer
Blah-Blah tegen mij zei terwijl ik net deed of ik naar
hem luisterde, maar in werkelijkheid alleen
geïnteresseerd was in wat God te vertellen had. Net
als hij geen woord van wat ik te zeggen had verstond.
Dit heerschap, dat overigens in een verder verleden
verkrachter was geweest, jonge vrouwen pakte alsof
het niets was en daar nog mee wegkwam ook, wat ik
behoorlijk knap vind, ik had hem die knakworst allang
tussen zijn benen vandaan gevreten, maar goed, dit
heerschap dus bezoekt regelmatig een prostituee,
waarbij ik een groene omgeving voor ogen krijg, met
iemand in een woon/werkruimte die veel van een
stacaravan wegheeft, de auto van meneer met het
kinderzitje achterin keurig voor de deur geparkeerd,
en tenslotte het beeld van hem bovenop de dame in
kwestie, terwijl hij al neukend – of iets wat er op lijkt –
met koude haat op haar gezicht in slaat. Er zijn blijkbaar
vrouwen die zich daar graag extra voor laten uitbetalen.

Dan zou ik mij tenslotte tenslotte (volgens mij hadden
we al één tenslotte gehad, zo niet, dan laat ik die
tweede lekker staan, want ik ben moe en ik heb nog
niet gegeten) tot de Dames van Lichte Zeden willen
wenden, onze hardwerkende prostituees die overal op
aarde het oudste beroep ter wereld uitoefenen (Gaap!):
Niet zo zeiken, dames! Niet net doen of jullie, en
jullie alleen, Het Leven kennen. Jullie hebben seks
voor geld, en als je dat geen leuke baan vindt, moet je
op zoek gaan naar ander werk.

Waarbij ik mij probeer voor te stellen hoe de
echtgenotes van al die hoerenlopende manhoeren
zullen reageren als jullie opeens hetzelfde werk
zijn gaan doen als zij en er voor hen niets te klagen
overblijft, zij mij en alle andere alleenstaande
vrouwen niet meer als een hoerachtig prooidier aan
hun uitgehongerde echtgenoot kunnen voorschotelen,
nu hij zijn treurige zaad weer gewoon bij hen komt
uitstorten. Hoe zal zo’n wereld eruit zien? Ik kan me
er weinig bij voorstellen. Jullie?

flessenpost voor chris zegers – maaike klaster

Chris, lekker ding dat je bent, waar ben je? Op t.v. zie ik jou met oceaanhaar
(droog van zon en zout) een verzekering aanprijzen en je ziet er zowaar
gelukkig uit. Is dat waar? Want waarom mogen wij hier in Nederland niet
meer van jou genieten, moet jij ergens op een onbewoond eiland in de
branding staan? Hoewel ik jou een mooie man vind, een stuk ja, zeg maar
gerust een flink brok goedaardig testosteron, val ik niet op je. Althans, niet
hier vanaf de bank. Jij bent voor mij te tweedimensionaal; ik heb ze liever
dicht op mijn huid. Echt, ik ben niet zo’n vrouw die steeds aan andere
vrouwen moet bewijzen dat ze tieten en een kut heeft door naar spierbundels
op een film- of televisiescherm te wijzen. Doodvermoeiend vind ik dat.
Liever word ik vastgehouden door iemand die van mij houdt en ik van hem.
Dat lijkt me logisch, want liefde staat altijd (altijd) voorop bij mij, en na een
lange rij daaraan verbonden kwaliteiten (wederzijdse waardering, trouw,
elkaar in vrijheid ondersteunen, verantwoordelijkheidsgevoel en meer van dat
soort zaken) komen met Heel Grote Letters: Communicatie en Seks. Daar kan
ik geen genoeg van krijgen. De meeste mensen neuken met haat, slaan die
eerste, belangrijke stap over, dus daar is geen reet aan, om het zachtjes uit te
drukken. Jij niet, dat kan ik zien, want jij bent lief. Maar zo’n grote vent die
(en ik zeg het heel voorzichtig) van seks houdt en dan ook nog eens een hart
heeft dat de hele dag liedjes afdraait alsof het om zo’n speelgoedmuziekdoosje
van vroeger gaat, die wordt de Lage Landen langzaam maar zeker uitgebonjourd,
want die is voor velen te bedreigend. Wat een slapjanussen, vind je ook niet?!

Als ik het mij goed herinner, las ik ergens dat jij onlangs vader bent geworden.
Mocht dat inderdaad het geval zijn: Hoera!!! Gefeliciteerd! Volgens mij ben jij
een fan-tas-ti-sche papa. Dat doet mij deugd en ik wens jou alle vreugde toe.
Eén verzoek: stap in dat bootje, dat zelfgemaakte vlot, en kom terug naar
Nederland, want ik kan jou hier niet zien en een man zoals jij erbij maakt alle
verschil. Zou jij dat voor mij willen doen? Texel is trouwens ook heel mooi!!!

Heel veel liefs, alle hens aan dek,
Maaike (wat o.a. zee betekent) Klaster

* – maaike klaster

Onze Noordzee is een oude vrouw met Verhalen Van Duizend-en-een-nacht,
een golf voor iedereen, een groen stroom die voor ons allen lacht. Waarom
vertrouwen wij haar niet? Mijn leven lang zal ik die kustlijn afspeuren tot
ik die ene kaurischelp gevonden heb en in mijn jaszak mee naar huis kan
nemen. Wacht! Daar lag ze al.

mythe – b. vogels

schuw mij even niet
in het flitslicht schuilt een leven
de vleugels van een veulen
de leugens van de rimpels
het simpel dartelen van een vrouw

zwart is slechts een schone schijn
waarin een jeugd verdwijnt

brief aan vlinder, merlijn en isa hoes – maaike klaster

De Nederlandse roddelpers is uitgerukt.
Opgeruimd staat netjes, trut.
De Nieuwe Kleren Van De Keizer, Manolo Blahniks
met een zelfmoord vergelijken!

Bijna reed ik mijzelf op een rotonde dood, toen mijn
leraar mij tijdens de les tussen neus en lippen door
vertelde wat Antonie Kamerling had gedaan:
Zichzelf opgehangen aan een balk in de schuur
waar zijn vrouw hem aantrof na het vinden van
de brief die binnen lag.

Zij houdt zich goed; dat is niet goed.
Nu is het de tijd van Grote, Wijze Tovenaars en
hun Glimlachende Nachtvlinders, van kinderen die
naar hun papa vragen, die te allen tijde woedend
mogen zijn omdat je daarmee wonden heelt die
anders nooit genezen.

Ik zag hem wel, in gesprek bij Life & Cooking,
met ogen die zichzelf haatten, en ik heb hem in
mijn ziel gevraagd die Ouwe Duivel thuis te laten.
Hij heeft niet geluisterd.

Antonie, je brak ons hart.
Nu kost het ons een leven om jou steeds opnieuw te
moeten vergeven. Maar het leven duurt soms maar
één seconde, zo snel reis je door de tijd en kun je
jouw vader met terugwerkende kracht alsnog dat
leven geven, met hem over vanalles in gesprek gaan.

Want niet zijn dood doet pijn, maar wat hij tijdens
zijn bestaan heeft gelaten: een liefhebbende vader,
echtgenoot, broer, zwager, collega zijn; zich
herinneren wie zijn ouders waren.

Dus verwijder dat koord, noem het moord en zie
hem terug bij zijn geboorte, hoe hij lachend op jullie
wacht, in de tuin, bij de schuur, bij de hemelpoort.

london, 1994 – maaike klaster

Krijtstreeppakken strijken, overhemden met een vouw in de mouw,
Engelse overzichtelijkheid. Als ik mij uitstrek, kom ik tussen de
vloer en het plafond klem te staan. Met de Victoria’s Secret-slipjes
van Madam nog in mijn hand begin ik te lachen. Deze streek leveren
ze mij niet meer, mij in een oude, Victoriaande kelder verstoppen!
De radio staat aan, op Radio One of Classic FM. Als je mij vraagt
Brits te praten, dan doe ik het.

Ik was achttien en au pair, streek in mijn eentje de borstzakdoeken
van de Heer des Huizes glad, en de tijd stond net zo stil als ik wilde.

Waarom zou je een meisje al jouw schone was laten opvouwen?
De kuren van een getrouwde vrouw in een huiskamer die voor
haar eigen kind verboden terrein was, maar waar ík uiteraard wel
mocht komen. Op maandagochtend zat ik op mijn knieën voor de
open haard om de verbrande kolenas net niet op de vloer te vegen,
nam ik altijd mijn cassetterecorder mee, bepaalde ik zelf waar ik
was en dat het eigenlijk wel meeviel.

* – maaike klaster

Als volwassen vrouw heb ik mannen meegemaakt die, omdat ik een vrouw was
en zij niet, omdat ik geen pik had, omdat we allebei ooit kinderen waren, maar
blijkbaar alleen zij volledig tot wasdom waren gekomen, zich in alle verwrongen
voorzichtigheid met de verkrachters uit mijn kindertijd dachten te kunnen meten,
geen geile vinger naar mij uit durfden te steken, alleen onbeschrijflijk vies een
volwassen vrouw als klein meisje wilden strelen, onder het mom van: jij bent ooit
beschadigd en nu ben ik jouw vader, waardoor zij zich – inderdaad – alsnog tot
kinderverkrachter en mij tot hun slachtoffer maakten.

Als je ooit op wat voor een manier dan ook van jezelf een vaderfiguur en van mij
jouw kleine meisje maakt, dan zal ik je zo ontiegelijk hard op je bek timmeren
dat je naar Tokio moet vliegen om je tanden terug te vinden.
Wanneer ik je vraag om mij goed aan te pakken, doe dat dan ook, teringlijer!

verslag van een mishandeling (1978) – maaike klaster

1.

Het ziekenhuis waar ze mij toen ik twee was een week lang martelden
staat nog steeds, bestaat niet meer als ziekenhuis, herbergt nu nieuwe
ondernemingen. Als ik sporadisch langsfiets, krijg ik koude rillingen,
omdat ik weet wie er spoken. Misschien dat iemand op kantoor op dit
moment de verwarming aanzet en zich laat verwarmen door de radiator
waar ik met beide armen aan vastgebonden werd.
 
 
2.

Ma Cherie, zegt-ie
en hij kust met zijn tong mijn mond, omdat ik smaak naar snoeplippenstift
en ongeschonden, verse kersen, streelt mijn naakte lichaam, maakt van mij
zijn minnares, een vrouw om van te houden, zegt: Jij bent zo machtig mooi!
Hoe zou ik mij nou in kunnen houden? – maakt zijn wil de mijne.

Wat hij natuurlijk allang wist, is dat ik heb gewacht met plassen, zodat ik hem
op het juiste momen zijn gladgeschoren bek in pis en hij voor het eerst die
onderzoekende artsenvingers verwijdert van mijn clitoris, mijn kut nu weer
van mij is.

Iedere vrouw op aarde die lang en breed volwassen als Lolita heeft gelachen,
haar preburale vagina aan een volgroeide man aanbood, mag bij deze mijn
plaats innemen. Daddy’s Little Girl ligt te huilen in een luier.
Na vierendertig jaar ben ik eindelijk van je af.
 
 
3.
 
Schoonheid kan mij gestolen worden zolang jij nog in mij ronddoolt,
ik jou niet te pakken krijg.
Blijf staan, wijf!

Met handen die mij raken als natgemaakte handdoeken smijt je mij onder
een stromende douche, laat je mij daar in mijn eentje staan en jij blijft
grijnzen, krijst: Sssst, niet tegen papa en mama zeggen – grijpt mij bij
de keel, knijpt terwijl de andere kinderen kijken, laat mij omgekeerd
hetzelfde zien, alsof het alleen de anderen zijn die pijn lijden en ik
degene ben die iedereen hier uit jouw haatdragende hart moet redden.
Vanaf nu zal ik in iedere verpleegkundige jouw krullen zien,
geen thermometer meer vertrouwen.

Het is een wonder dat je ons liet leven na ons dagen te hebben uitgehongerd.

Thuis laat jij jouw man mijn blote lijf betasten terwijl hij jouw tieten streelt.

Zonder woorden werden wij geboren, maar hier heb ik een pen die
meer macht heeft dan jij ooit over mij hebt uitgeoefend.
Zelfs toen je mij met geweld in dat ledikant onder bedwang hield, vocht ik
terug, zodat je was gewaarschuwd, mij al bijna niet meer aan durfde te kijken,
bij mijn vrijlating tegen mijn ouders zei dat ik mij zo goed gedragen had.
 
 
4.
 
De andere kinderen en ik vinden elkaar terug op de gang,
zijn na al die jaren weer boeren en boerinnen op een verkleedpartijtje,
schoppen lachend onze klompen in de lucht, raken zo alsnog het plafond.
Terwijl wij hen die ons zo zorgzaam haatten de schaapskleren van het lijf
hebben gerukt, hebben achtergelaten in de nu kinderloze zaal, waar zij elkaar,
in het duister op de tast, als stinkende, wilde beesten zullen verslinden
en verdwijnen in dat zwarte gat.
Wij slingeren ons al zingend naar buiten, waar de zon vandaag alleen voor ons
is gaan schijnen, lossen op in het licht, vinden onszelf in de huidige toekomst terug,
laten ons omarmen door een liefhebbende, volwassen huid, slaan onze armen
om twee kinderen heen. Eén van de twee ben ik, twee daarvan zijn zij.

compositie in zwart – jos van daanen

Als de dood ontwaakt
heeft ze niet geslapen,
ze heeft niet in haar bed
gelegen, niet op haar zij
gedraaid, ons niet,
voor wie dat weten wil,
betrokken bij haar dromen.

Als de dood is opgestaan
zijn haar lakens onbeslapen
en is haar bed aan een kant
leeg en inderhaast verlaten
door wie niet slapen kon
bij de gedachte dat haar lijf
tot leven komen kon.

Maar de dood zucht niet,
krijgt om die gedachte
geen plekje kippenvel,
ze neemt haar plaats in
voor haar kapspiegel en
brengt rouge aan
op haar bleke jukbeenderen.

Ze glimlacht ongenaakbaar
als ze de schaduwzijde
van haar verlangens
om haar ogen wrijft en
de pluisjes van haar mantel
en haar zwarte laarzen
borstelt.

Pas als de dood tevreden is,
knipt zij haar nachtlamp uit
om zich kalm en statig
als een vrouw van de wereld
onder de mensen
te begeven.