vroeger – theo corman
Oude mannen praat
kringelt over groene weiden
Jonge morgens
halen voorbije nachten in
Fris afgesneden gras
ligt klaar om op te nemen
Oude mannen praat
kringelt over groene weiden
Jonge morgens
halen voorbije nachten in
Fris afgesneden gras
ligt klaar om op te nemen
Ach, ik denk, het is
Toch slechts een woord
Niet mijn verrijzenis
Ook als het bekoort
Hoog in de lucht klinkt
Het kloppen van een specht
Hoe hier het blad in mij verzinkt
Tussen bomen hoog en recht
Meisjes van vroeger nemen plaats in
Hoewel, steeds minder
Het leven wist mijn herinnering
Ik fantaseer nu zonder hinder
Het woord is een wonder
De motoriek van mijn weken
Omar, Zie je de koe
Jij die in de diepte dook
Hol en met frisse tegenzin
Kan een steen die daar
Zo zwijgend ligt
Dromen over zichzelf
Door duisternis gebonden
Een deksteen wordt geplaatst
Waar een nieuw leven begint
Is het hogere soms een muzikale allegorie
Waar meisjes van vroeger dansen
Het woord is een wonder
Ze laten je vallen als een baksteen
Die wondere woorden
Blijken dragers van licht
Ik fantaseerde mijzelf
Lief en zacht als elf
Een bloeden dat nooit stopt
Een niet bestaan tot gewelf
Ach, ik denk wat het is
Toch slechts een woord
Tot mijn ontsteltenis
Blijft de ware zin ongehoord
Vroeger droomde ik iedere nacht
Dat ik een gemoedelijke kameel had
Maar ik was te jong om hem naar waarde te schatten
Ik was te oud om zonder blozen tussen zijn bulten
Te knikkebollen of mijn hallucinaties te verfoeien
Toen ik hem ruilde voor een tapijt was ik al wees.
Na de ruilhandel ben ik door het oog van de naald
Gekropen nadat ik mijn tapijt had uitgetest
Op de vijfde verdieping van een goktempel
Werd ik verpleegd door een schele touwslager
Die op een pafferige kaarsenmaker leek.
De schele touwslager had een teckel
Ik genas snel om met de hond te spelen
Toen ik was genezen keek iedereen
Op mij neer behalve de hond
Hij was nog altijd een teckel
En hij beval: ‘Steel me en wees goed voor mij!’
Ik heb hem op mijn rug gebonden
En met een ladder zijn we naar beneden gegaan
Op de begane grond heb ik de teckel losgemaakt
Hij snauwde: ‘Geef me een naam en verander van ogen!’
Ik was verbijsterd, wat een brutaliteit: die lenzen had ik
Betaald met mijn onmythische hymen.
Ik heb de teckel weggejaagd
Mijn lenzen was ik liever kwijt dan rijk
Maar ik heb ze uiteindelijk toch gewoon laten zitten
In de woestijn kwam ik mijn kameel tegen
Zonder rancune benaderde hij mij
De tapijthandelaar wilde mij wurgen
Omdat hij dacht dat ik hem kwam afslachten.
Sinds ik een bril draag droom ik nooit
Meer dat ik mijn kameel weggeef
Ik schat hem naar waarde:
Duizend vliegende tapijten en een ouderpaar.
Wat kan mij het nou schelen dat er mensen zijn die het
voor de camera doen! Je hoeft toch niet te kijken?!
Of denk je dat jouw ouders het anders deden, dat jij het
zelf beter kunt? Wil jij jouw eigen conceptie ontkennen,
of ben je bang voor jouw verwekker; de schepper?
Was je maar nooit geboren, hè? Vroeger was alles be
Heb je al gehoord van Jesse
die gekozen heeft voor zijn laatste dag
vluchtig trok hij
zijn schoenen aan
om te lopen, zoals vroeger
langs de waterkant
om gewoon maar wat te lopen
langs de bankjes
waar hij met vrienden
lachend zijn eerste sigaret rookte
even bleef hij staan
veegde zijn neus af
en keek in de verte
schatte de tijd en
dacht aan het kind zijn
maakte een keus
en een laatste keer zorgde hij voor
vertraging
niet door nonchalant
te laat te komen
en zijn klasgenoten dezelfde glimlach
als altijd te bezorgen
maar door te lopen
tot de zon komt
Ik vond een brief vandaag op straat
hij was door jou geschreven maar
aan een ander die ik graag had willen
delen in vier stukken zoals vroeger
in de middeleeuwen. Je schreef haar
dat ze mooier was dan ik, dat ze liever
was, haar blik je smelten deed als ijs
en dat je haar nooit zou verlaten. Ik
besefte dat ik haat verwarde met
hiaten. Dat ik alles wilde laten gaan
behalve jou. Je schreef me ooit
brieven waarin je trouw beloofde
dat je niemand liever vond dan
mij. Was ik dan zo mooi als zij?
aan de schemerende gracht
hapert een man
gewikkeld in vroeger
en niemand streelt hem door zijn haren
hij wiegt
zijn verliezende lijf
op de maat van passanten – breekt
de laatste dagen van dit zo besloten feest
waarop iedereen te vroeg ging slapen
en sinds de kruisen binnenstromen
verkruimelt hij – de laatste bomen
barst
nooit meer
in bloemen uit
Vroeger, heel vroeger, wilde ik vuilnisman worden. Of eigenlijk vuilniswagen, met een grote malende mond die alles wat de mensen er maar ingooiden – vuilnis, teevees, schijnbewegingen, kleine huisdieren – in enkele bewegingen verslond. Dat was vroeger. Vuilnis is er sindsdien altijd geweest. Maar het verlangen een vuilniswagen te zijn verdween al snel. Ik werd liever dierenarts, of voetballer; rotzooi en blessures zo veel mogelijk vermijdend. Ook voor deze beroepen bleek ik, om onjuiste redenen, ongeschikt.
hommage aan Iris Murdoch
ik zou niet weten waarom ik schrijven zou
heb ik
John, heb ik niet ooit geschreven, vraag ik hem, ik weet hem soms nog mijn man,
als hij me kan vinden en ik mezelf en mijn bril
mijn hele ik en dan de rest ervan kijkt naar hem op en vraagt even of ik het ware
heb ik echt geschreven lieve John?
ik hoor zijn antwoord zittend in het zand dat alleen mijn hand zich nog herinnert, waarheen hij me meegenomen heeft
maar ik weet niet waarom
het zand was vroeger los en niet zo solide als toen de klok plotseling
wil ik mijn platenboek
dus gaan we nu naar huis John, want de rommel weet ik daar en alles nog
en jij zet thee heet het platenboek?
thuis weet ik niet waarom mijn chaos niet vertrouwd, ineens onvast geworden is en dan vouw ik me
wring me eruit ik ga op zoek naar vroegere oevers zonder netten
zijn ze niet meer van de zee
ik roep de hond: Apollo
Bacchus hier!
kijk, de man heeft me gevonden en zet thee
de graaf! ik weet hem
de hemel, lieve John, ik weet je weer, is een diep kasteel op zand gebouwd
soms weet ik Hartley oude vrouw en de meedogenloosheid van tijden
noch het onvermijdelijke alsmaar weer en overkomelijk verdriet
de wanen die monsters oproepen en andersom
en wat er tussen Socrates en Sartre was
ik kan er niets meer mee
het is negen uur en het ronde hoekt, breng me naar bed John
en blijf bij me of ik ga en als ik ga
zoek me dan maar niet
laat me mijn eervolle aftocht
drapeer de zee, drapeer de zee
die van vanochtend maar om mijn lijf dat pijn doet –ja zo– ik dank je
zeg je beleefd goedenacht
ik ga van Bruno dromen
wat is het koud en wat mis ik Alice
ik denk dat ik goed schrijf
vroeger wilde ik geen dichter worden
maar gelukkig
Een uitdagende melodie galmt door de straat
De één krijgt de vis en de ander de graat
Een beetje ver gezocht nietwaar?
Terwijl ik verder loop
Denk ik aan de buurman van vroeger
Hij speelde graag met graten
Verorberde vis en graat
Tegenwoordig is hij tanden Stoker. magnaat.
Moeder, nu hangt U los
in de touwen van de dood
de regisseurspet aan de lamme voeten
Het is niet meer zo leuk als vroeger
zucht U mij toe en
ik zeg dat ik het begrijp
Waar de vermeende greep op de wereld
illusies in een grote glazen kast stopt
schendt ouderdom de vertrouwde regels
Alles valt in diggelen
en bukken kan niet meer.
vroeger wilde ik geen gitarist worden
maar drummer
ik kreeg geen drumstel en ging postzegels
verzamelen
en ruilen met gitaristen die ook geen
drumstel kregen, maar wel een gitaar
we ruilden Suriname voor de Antillen
zonder muziek maar met precisie
Vroeger rook ik altijd
de sigaren van mijn vader.
Vroeger bracht mijn vader mij
altijd naar het grasveld
in zijn blauwe Ford Fiesta.
Geen kind keek op.
Vroeger was ik verliefd
op hakjes. M’n vader vond dat altijd
iets voor jongetjes met mooi haar.
Vroeger speelde ik iedereen
door de benen. Mijn vader vond het
altijd eentje teveel.
Vroeger was ik aanvoerder.
Ik huilde altijd als ik werd gewisseld.
Mijn vader gaf mij dan patat.
Vroeger was ik topscorer.
Mjn vader vond dat nooit
een onderwerp van gesprek.
Vroeger was mijn vader
de sigarenkoning van het dorp.
Nooit kwam hij boos binnenlopen.
Vroeger hoorde ik op de trap
hoe mijn vader altijd zijn hoofd brak
in de nacht.
Vroeger bracht ik de krant rond
& zag ik altijd hoe leeg de fles Beerenburg
op het aanrecht stond.
Vroeger was mijn vader
altijd de aangewezen man
voor het uitlaten van de hond.
Vroeger zag ik altijd
hoe voorzichtig mijn vader
de platen van Ede Staal van stal haalde.
Vroeger vond ik mijn vader altijd
een hele vreemde, maar lieve man.
Iedereen liep met hem weg.
Nu zie ik mijn vader weer.
Hij loopt gelukkig niet weg. Wat wil je?
Hij ligt in een kankerbed.
& nu ben ik opeens de aangewezen vreemde man
die breekt & niet weet waar hij het zoeken moet.
Straks zie ik hoe mijn vader
een plekje heeft veroverd in de krant.
Geen duivel zal opkijken. Laat God maar
met hem weglopen.
weer
later dan
laat kan moe
de slaap niet vatten
dat had ze vroeger nooit
toen was later nog te vroeg
nu laat ze tijd van vroeger toe
ze vroeg er om en laat zowaar
haar vroegste vroeger toe
het wordt steeds later
vroeger echter
echt nooit
meer
Je stelde mij een vraag,
zo eentje die heel kort maar
krachtig
zoals je dat wel vaker doet
en ik,
mijn hoofd vertalend in
waarom en hoe het komt
dat dingen zo gebeuren,
verdwaal in duizend zinnen
van hoe het nu
en voordat je geboren,
waar toen de zon en ik de
weg insloeg die leiden zou
naar wat ik wilde weten
hoe jij dat zou
wanneer jij vroeger was
en ik net andersom
zo eentje die heel kort maar
krachtig
zoals je dat wel vaker doet
verzuchtend met een lach
dat één zin al voldoende.
van wat ik schrijf is nooit meer
is nooit meer iets waar zoals
vroeger dingen waarheden
waren
mijn tong lispelt er lustig op los,
toen liefde en bloedworst nog
samengingen en wij zongen,
omdat we
nog zingen konden:
eigen meester, niemands knecht
recht en slecht
stalen vuist en rappe hand,
zo is ’t volk van Nederland
waar is het varken in dit lied
met stalen vuist en rappe hand.
ferme jongens, stoere knapen,
schaamt je jongens en gaat mee
naar de zee, naar de zee
om aldaar te verdrinken,
recht en slecht.
hola, Bootsman, ik ga mee!
De zon kruipt langzaam omhoog
dat is zo’n afgezaagde zin als het om de vroege morgen gaat
ik heb vandaag een paardenstaart ingedaan
eentje die me terug bracht naar vroeger
naar het zwiepen als ik op de schommel zat
vandaag waait het hard
en de weilanden zijn bevroren
Rook komt uit de schoorstenen,
ach arm milieu.
Ik zou bijna ’s bus uitlaat vergeten
die is net zo erg
en ik werk eraan mee
“Save the planet”
staat dan ideologisch op mijn hemdje
We rijden weer,
al die file in de ochtendspits
al die 21ste eeuwse proletariërs
niet bezweet van het fabriekswerk
maar keurig in kapitalistisch pak
al die idealen
de lente is er ook een
vandaag vecht ze met de winter
narcissen tegenover vrieskou
ook al zo’n cliché metafoor
ik weet dat de lente winnen zal
op een dag
nog even wachten, alleen.
Het goede overwint altijd,
daar geloof ik in.
Naïef zullen ze me noemen,
scheelt me niets
een dromer zullen ze me ook wel noemen
veel leuker dan een realist
De zon kruipt nog steeds
en mijn gedachten ook
Daar zijn ze weer, de galmen van de andere kant. Van
eerder. Aan deze Boulevard Edgar Quinet rusten
ergens op een zolder stijve foto’s in donkere albums.
Behouden mag de stille verte. Vroeger was er zonder
luister genoeg gefluister binnenskamers. Nu blijft ijdel
de bijbel dicht, al klinken er plots wel eventjes violen
samen, honderden. Onder spreektaal worden hier loze
riolen gedicht zodat het geheim van de verbazing blijft.
Voorvaderen kuchen, zien dat er nog steeds naar gulle
genade gesmacht wordt in lofprijzen. Zij hopen dat we
niet zullen vluchten in leeggeroofde zuchten maar gaan
verhalen van wat gebeuren mag. Van doorgift, in tempus
praesens. We horen. “En, was het weerzien blij?” En we
verstaan. “Ik zal een brief zijn uit mijn tijd, een andere.”
moet het gepast zijn
als afgemeten dubbeltjes
op zijn kant wordt je nooit
gaat u verder wij luisteren
leggen ons oor op uw
op uw op uw op uw
nu hebben we wat we vroeger
dat zo’n schijf
blijft hangen
en dat we de geschiedenis
de dingen moeten toch
gebeuren ook al weet
en heeft de film
maar u leest geen kranten
Vál ik me daar toch op straat zeg
hartstikke dood joh
al voor ik goed en wel
de grond raakte trouwens
best nog een smak als
het breken een val
niet meer gaat
haar
zag ik nog lopen
wel eens vaag wat mee gehad
te weinig om het meteen weer stevig
op een zoenen te zetten
teveel om elkaar compleet te negeren
dacht ik
geen blik
geen blik keurde ze me
waardig
de mensen zien je niet meer
staan tegenwoordig meneer
nee dat was vroeger
wel anders niet meer
zitten ook trouwens hoor
de mensen dat
ze je niet meer zien
zitten
van lezen hield hij dat weet ik nog wel
maar hoe hij nou heette
Henk of zo of Hans of Frans
zoiets
zó loopt hij hier nog
en nou ligt hij hier
zó bovenop zijn tas
kijk nou
ja mooi is anders daar
had ik wel wat meer van kunnen maken
maar eerlijk gezegd overviel het me nogal
dat doodvallen
ze had me toch maar mooi
gezien
Mijn grootmoeder toont me hoe
Het is niet aantrekkelijk
Het geknepen vlees blijft staan
Doet denken aan een termietenheuvel
De herinnering van een oude kruisboogschutter
Naast de heuvel was hij jong en gespierd
Aan de verkrachtingen nam hij geen deel
Liever temde hij een kameleon.
Ik bloos sneller dan vroeger
maar ik val niet meer in slaap in de kapperszetel
ik word wakker met een keffende ringtone en
een man die nog slaapt en vraagt: ‘Wil je een stuk kaas?’
aan zijn moeder die dertig jaar geleden is gestorven
Ik antwoord in haar plaats en hij wordt wakker zonder verontwaardiging.
Mijn grootmoeder zegt dat ik dwaze gezichten trek
Wanneer ik een spiegel vind is het schaamrood verdwenen
Ik zit aan de keukentafel en verplaats kruimels
Nu zijn ze een panisch kind in de wachtzaal van een tandarts
Haar vader leest zijn gedichten voor
Het is geen angst voor de tandarts
Het is haar toekomst in zijn schrijfsels.
De parkeergarage is van ’t type ‘Split Level’. Wat betekent dat je – eenmaal geparkeerd – vanuit je auto halve benen voorbij ziet lopen, vanaf de knie naar beneden. Laarzen en instappers en werkschoenen en muiltjes en hakken.
Intussen vertelt iemand op de radio dat Radovan Karadzic meent dat de werkelijkheid beter benaderd wordt als we nu eens alles wat er gebeurd is precies omkeren.
Zoals die platen van de Beatles, waarvan vroeger wel gezegd werd dat de ware betekenis alleen gehoord kon worden als je ze achterwaarts afluisterde.
Of misschien ging ’t zo, buiten het zicht van de camera’s: wonden ritsen dicht, lijken slaan de ogen open, lopen achterwaarts weg van de rampspoed en gaan letterlijk zoals ze gekomen zijn, op weg naar een mooie toekomst als kleuter en uiteindelijk zachtjes wegslapend in de geborgenheid van hun moeder.
Karadzic – die is psychiater geweest en president met een gek hoedje op en later ook wel gebedsgenezer, dus die heeft mogelijk wel gekkere dingen meegemaakt, waardoor het in zijn ogen misschien niet eens zo’n slechte verdediging is. Meer waarschijnlijk is dat ie helemaal geen verdediging heeft voorbereid, maar in een manische bui Slaughterhouse 5 tien keer achter elkaar heeft gelezen.
Oh nee, dat was ik zelf.
Het is druk hier, met halve benen die allemaal dezelfde kant op lopen, wat haast niet mogelijk kan zijn, want dan zou de garage toch binnen de kortste keren helemaal vol- of juist leeg moeten zijn?
Ik denk dat ik naar zweet stink. Of naar iets wat hier in de auto ligt te rotten.
Ik moet weg. Maar eerst bel ik m’n afspraak af. Ik zeg dat ik op straat zit bij een kind met een niet te stelpen bloedneus en dat we wachten op een ambulance die maar niet komen wil. Zulke dingen gebeuren tenslotte. En wat voor mens zou je zijn als je dan de helpende hand niet toestak?
- het elektrocuteren als scheikundig principe
stroompjes lopen langzaam door mijn lichaam
kriskras maar met een richting, dat kan
waar de rivier stroomt van hoog naar laag
waar er gemeanderd wordt
begin en eind verbonden en ontsprongen
ik ril, elektrocuteren is nooit leuk
sommige dingen zijn net als wakker worden
op een koude winternacht zoals je die vroeger had
de man aan de knop
mist
geruststellende woorden
hij is hard, bevroren
ledematen bewegen zelfstandig en hij
mist
de knop
ik leef door een samenloop van omstandigheden, gereflecteerd
met het idee van een knop met een man, die beide fictief zijn
maar waarbij genoemd moet worden dat er een mogelijkheid is
om zonder het idee van een man met een knop voort te gaan
en er hoeft ook niet altijd gedrukt te worden, of juist nooit, dat
zijn uitersten, vastgestelde grenzen waarbinnen ik leef
voor mijn eigen bestwil gekozen zodat ik daartussen kan
stromen,
theoretisch kan praktiseren,
definitief neerslaan met geluk
hoewel er geen sneeuw meer ligt
{
Vormen van een rivier
Stromen
Verdampen stap voor stap en slaan als
Neerslag in de vorm van
Sneeuw neer
}
vroeger waren
ze beter
de hoeren die tulpen
uit amsterdam turkije