voorbij – frido welker

er zijn stortbuien in de verte
sluiers water dringen zich een weg naar beneden, zonder moeite, en storten zich uit
er moet iemand zijn die nat wordt
ik kijk toe vanaf de vijfde

de bui beweegt zich langzaam, als een rups, naar het westen
de poten tasten zorgvuldig het landschap af op droge plekken
een enkele maal lijkt er licht doorheen te breken, een illusie
van sloten die tot de rand gevuld zijn, de koeien drinken
al hun magen vol

boeren die godzijdank op hun knieën zakken, het stro in hun handen
zacht voelen worden alsof het de huid van hun dochters was, zoveel
jaren geleden
dat ze moeten huilen met de stevige koppen van hun herdershonden
op schoot, grote ogen, tong naar buiten van uitzinnigheid

er moeten middelbareschool scholieren zijn, racend
op hun versnellingsloze fietsjes, drie naast elkaar
op de dijk aangepakt met striemen, recht het gezicht in
de wangen vertrokken van de pijn, deze sluiers
bewegen zich zonder moeite het land door

ze gaan een keer over in de drup, laten
de last is wat hij geweest is en reizen verder
de zee op, rustig de verdamping rokend
als ware het een waterpijp

arnhem, stationsplein, september 2001, de elfde voorbij – hans mellendijk

Is dit plein
een brug te ver?
Is dit teken
een eindsein
om te vertrekken
naar het zijn,
nieuw verleden,
of om tijd te rekken?

Is de brug
een plein dichtbij?
Is dit richting
een zuchtkuch
van tien pond grutten,
in wezen
oude verlichting
of om in te dutten?

Is dit sein
een brug nabij?
Is de binding
Een scheerlijn
om aan te kleven,
het ware
mens’ uitvinding
om te kunnen leven?

Is dit orakel toch niks meer dan
wat verschoven regels en woorden?
Is dit, daar het dichtgoed rijmen moet,
opbouw en afbraak spiegelend,
door geschuif betekenis krijgt, inboet
of godallahmachtig,
slechts een anekdote uit verleden Arnhem?

Johnny Kraaykamp speelt avondstollend mooi King Lear.
Daarna dolend bomen over het nu en hier.
Johnny van Doorn indachtig,
klinkt galmend over het plein gegleden, de stem:
‘Is this square a bridge too far?’
Een vraag toen klip-en-klaar.

Nu jaren later zie ik cynisch op afbakenende palen.
Het bordje ‘Hier wordt vakkundig gesloopt door Van Dalen.’

hoe in dat hoofd – martin m aart de jong

we raasden voorbij
we hadden een geweldige avond, drank en onze chicks ze waren
we hadden gewonnen weet je
die klootzak slaat met zijn klauwen op de motorkap
dus wij stoppen

dat moet je niet flikken bij ons dus
hans slaat die bolle tegen de grond
bloeden man!

bellen ze in ene keer de politie…
ik zeg nog wegwezen.

die bolle en die leiperd waren al weg
dus wat aangifte?

hans zegt nog
wat hier is gebeurd…
lachen joh, hij zegt
ze sloegen ons in ene
we reden hier gewoon.

dus wij stappen weer in
en rijden verder.

overgang – raf geusens

de tederheid is weer voorbij
de zinnen zijn verzet
en uitgeblust de vuren

laat binnen nu het donker
en knijp de ongebruikte ogen
ontdoe de huid van overschot
de voeten van hun overtal

waar is de plek die groeit
de kiem van nieuwe wensen

ik ben je een beetje vergeten – cilja zuyderwyk

pappa
maar ik schreef al zo vaak over jou
over het schip en je handen, het roer
in je knuisten, de kleine gevaren op het IJ

water over de reling, de coasters voorbij
jij die nooit een spoortje van angst vertoonde

mam is overleden, al gesignaleerd?
ze droeg haar blauwe jurk met die golvende
stroken onderaan de rok, soort walsje

juist ja, die engelse, ik zie je nog dansen
met haar in het dorpshuis en jij met
iets teveel jonge klare, je draaide en draaide

kuste haar daar waar de liefde gloeide
zoals immer; onderhuids

lippen, ja, haar lippen, zo stil gevallen
bij het afscheid, maar kijk naar haar uit

ze zal je zoeken, zwart haar en blauwe
ogen, wakker, zoals iedere matroos.

dit zachte rollen – eelke van es

Het regent en gigantische sneeuwvlokken van
de laatste parelwinter drijven alsnog voorbij.

Ik adem nog. Ik laat mij als een kind
langs toonbanken dragen, mij als
doortrapte supporter toezingen door
garagehouders en zakdoekfabrikanten.

Het vriest en een Turkse man met snor
en brede zwarte vliezen wacht op zijn koffie,
hij houdt zijn jas gesloten als hij tegen mij zegt:

Je kunt hier zitten, je kunt hier niet zitten,
uiteindelijk gaat het om de gemoedsrust
van gebouwen als je weer naar buiten stapt.
Kijk, het regent en nu komen de getijden,
en dit zachte rollen zal nooit meer anders zijn.

voorbij de landerijen, de nevels en het gesticht – lilian caessens

I

ik ben niet méér dan het vergaan
van een halve eeuw aan mens
en wat ben jij mijn liefste

wat ben jij
behalve die vreemde mens
die niet méér is
dan wat witte botten voor het kraaien

een schild
niet meer dan een hollander
op bordpapier

een stem aan gort

II

zo mijn moeder mij baarde
begeerde
hou jij mij vast
voorbij de landerijen de nevel en het gesticht

ik heb je niet meer beloofd
dan je hebt ontvangen

hier in dit huis
heb ik enkels vastgebonden
broze handen gestoken in druipende zijde
ver van de stad
waarin ik een bakfiets en wat kranten had

ik verzorgde bloemen
alsof zij moesten herstellen van een zomergriep

III

wat we eerst zagen of roken
verdraagt ons niet meer

de dingen legen, álle dingen
zij vervuilen niets, versmaden niets

zij vervelen zichzelf

zo sterven wij
een eigen omstandigheid