vlinderveeg – erik-jan hummel

Zoals mijn bad vol potjes vol vlinders
en in de dekseltjes gaatjes en in
de kas een duizendtal op reserve
alsof ik hoopte dat ze de potjes
wegvlogen of zolang ze vlogen

Zoals ik baadde en zo zonder
het te willen potjes kapot deed slaan
en soms een vlinder ontsnapte, maar
vaker verzonk en ik me dan los sneed van

Zoals ik een aquarium kocht met sluitend
deksel, alle reserves losliet, juist daarin
faalde, want volledig vol vulde ik

Zoals ik het aquarium in een vol bad liet
zakken, het water het deksel drukte en zij

Zoals ik in één veeg

verlies – pallas van huizen

Geurloos, kleurloos,
knoop in mijn voorhoofd,
er zit zoveel in, het stroomt weg,
houdt me sterk, gaat door
als ik niet meer kan.

Dat je er straks niet meer bent,
dat ik er niets aan kan doen,
onrustig, halfwakker, halfslapend,
met een vol glas en een lege maag.

Ik zal nooit meer dezelfde zijn.

maalstroom – bert de kerpel

Als Pythagoras de aarde niet
bol had verklaard
kon ik nu misschien
lachend en bedaard
eraf stappen

bakken vol zorgen muilkorven
achterlaten voor nazaten
die mij met een ons geluk
niet achterna zouden zitten

ik zou m’n anker en m’n ego slaan
in Canada een beer verslaan
ter hoogte van Papoea Nieuw
Guidinges dan te water gaan

nu rest me slechts te rimpelen
in tijd onder te gaan.

blauwdruk van een middagwake – maaike klaster

Losgeslagen paardenstaarten
spinnen in de zuidenwind.

Het meisje met de bladerharen,
oranjerode ritselblaren,
fluit het luchtruim vol
met omadagen, zongedroogde
houtverhalen.

Iedere natte boomschorsdroom
wordt limonade in haar ogen.

Het najaar staart,
                      cataract cataract,
maar de zomer geeft glaucoom.

de zee is rond – b. vogels

met haar dansende benen
stroomlijnen die in dijen verdwijnen
speel ik eb in mijn hoofd en vloed in mijn buik

de duik in haar golven is een wanhoopsdaad
waar de nacht van vol is
loopt zij van over

zand in de ogen betovert mijn voeten
de zee is rond en zij loopt aan de horizon

duoleed – martin m aart de jong

toch mis ik ze
de schapen in de wei
de bloemen en de opgaande
zon boven hun esoterische
wangen waarmee ze zeeleeuw
verdrongen van de eerste plaats
der onhandelbare dieren ze schreven
toch ook niet onaardig hun naam
in de lucht en ook de psychiatrisch
verloskundige had er een boterham aan
en een wand vol schilderingen. Ach
het kan zo hard gaan in het leven
dat ik soms vergeet om dood te gaan.

poëzieboekje 27/03/2012 acg vianen

poëzieboekje 27/03/2012 acg vianen

poëzieboekje 27/03/2012 acg vianen

dooi – diana hoogenraad

het winterkleed smelt
een groen tapijt komt boven
vol waterhoenen

kleuren vol gebroken zon – mark opfer

geen arm gekruisde voorman
geen intentie
tong uit je mond
tong uit je mond

Slechts de lege lichten kijken nog naar buiten
het is een tochtige vermoeidheid die uit je ogen peurt.

Het kan ook dat een hond in veel te kleine kamer
en de voorman blikken touwen trekt.
Waar is het staal dat alles vloeibaar maakt?

Slapen is een werkmansethos.

volgend leven word ik danser – ellen vedder

een mannendanser op lange kuiten,
lange armen, mijn schouders vol kracht,
gespierde tors, trossen spieren… zo’n sixpack
dat kan golven… luid muziek… zware drums…
Ik zal niet denken
over gekte in mijn stappen, ik zal tikkietik
mijn tenen hakken tappen, benen stretchen,
zinnenprikkelend zwaaien ik ben elastiek
pijn goedmaken, luchtspagaat, een saltootje
vooruit applaus, ik zal mijn partner bedekken
met warme handen, haar gooien en vangen
stiekem hete kusjes drukken in haar hals
mijn voeten zullen dat podium beroeren
als was zij aarde en ik haar afgezant

stil – onbezield

een arena vol mensenbladen
allen stil, statisch
zij zien een woord dalen
langzaam, naar benee
lento
nog niet rakend
wel nakend
een kaal woord
het zweeft nog boven

en dan raken zij elkaar
woord en bodem
vleesgeworden één

Oorverdovende Adembenemende
Donder!
De Arena barst uit zijn Voegen
Explodeert!

Dát was het woord
waarop het wachten was

in de geslagen krater
ligt het voor het oprapen
spreek Het
en de sferen zullen bedaren

durf je?

stil

maar niet alleen…

magneetbord vol memorabilia – ellen vedder

Kleine stoffen Gandhi, ja hij past
tussen een puntje echt lijkende brie,
een minikrat wijnflesjes en de kameel

vol nep briljanten. ‘t Koekoeksklokje
van plastic, een sprinkhaan gevangen
in glas en twee peperdure paardjes

handgesneden en beschilderd, import
folklore. Een gummi hart verstopt zich
tussen een dolfijn en bolle boeddha

zonder hoofd. Daarnaast de souvenir
van trouwen in Rome en een aanzet
tot poëzie in magnetische letters

voorbij – frido welker

er zijn stortbuien in de verte
sluiers water dringen zich een weg naar beneden, zonder moeite, en storten zich uit
er moet iemand zijn die nat wordt
ik kijk toe vanaf de vijfde

de bui beweegt zich langzaam, als een rups, naar het westen
de poten tasten zorgvuldig het landschap af op droge plekken
een enkele maal lijkt er licht doorheen te breken, een illusie
van sloten die tot de rand gevuld zijn, de koeien drinken
al hun magen vol

boeren die godzijdank op hun knieën zakken, het stro in hun handen
zacht voelen worden alsof het de huid van hun dochters was, zoveel
jaren geleden
dat ze moeten huilen met de stevige koppen van hun herdershonden
op schoot, grote ogen, tong naar buiten van uitzinnigheid

er moeten middelbareschool scholieren zijn, racend
op hun versnellingsloze fietsjes, drie naast elkaar
op de dijk aangepakt met striemen, recht het gezicht in
de wangen vertrokken van de pijn, deze sluiers
bewegen zich zonder moeite het land door

ze gaan een keer over in de drup, laten
de last is wat hij geweest is en reizen verder
de zee op, rustig de verdamping rokend
als ware het een waterpijp

trip – berrie vugts

Toen ik mijn patatje gevleugelde insecten
bestelde dacht je even dat we ergens in de
de toekomst waren beland.

De patat uitkramer schepte de zak vol met
een dikke klodder erbovenop: toekomst in
zijn seinende insectenogen.

De lege straat begon vol te lopen, mensen
klampten elkaar aan, keken naar onze zak
patat met een houding.

We keken naar de mensen, van de mensen
naar de zak patat die ons beiden vasthield
Uit de zak steeg gezoem op.

maandagmorgen – laura mijnders

Maandagmorgen wordt het gras
met een lusteloos
gezicht gemaaid
de alledaagse dingen
in het hoofd van de maaier,
het gras gekort
door een apparaat
dat maait
en het onkruid
de weg op doet stuiven
”dat apparaat”
dat nog altijd
meer lawaai maakt
dan dat het in resultaat
oplevert
zegt mijn buurman
meneer van de Stee.
wanneer er dan weer
zoals elke maandagmorgen
gras gemaaid moet worden
maakt meneer van de Stee
er een sport van
om zelf meer lawaai
te produceren
door zakdoeken
met het geluid van
wel precies gemeten
69 decibel
vol te snuiten

een goed gevoel – walter breukers

Rustig rook ik een broekspijp vol
en morgen begint mijn werkweek, ik -

leun achterover in een lui gevoel
en morgen, nee, niet doen -

ik ontspan me, zo hoort dat,
met pantoffelkoffie en koek

en adem – dit is toch -
ik adem – is dit niet?

het moet gewoon, jawel,
dit is een goed gevoel.

je kunt maar beter te voorzichtig zijn – martin m aart de jong

De regels volgen met je vingers, een grap afstoffen en die op het plein voor ieder oor te luisteren leggen. Je kunt maar beter niet te moeilijk doen of het zo doen dat het acrobatiek is voor gevorderden en de mensen klappen
hun handen stuk, want knap zijn is niet voor iedereen. De mooiste meisjes
schrijven weliswaar bij voorbaat al poëzie maar niet met hun vingers
het zijn lippen die lispelen,
het zijn heupen die dansen
op de maat van strakke verzen
met volle borsten ze geven je
romige liefde en sappig fruit
vol vitamines en mineralen
versterkende eiwitten ze geven
het goede van moeder natuur.

individualisme – elize augustinus

minder dan de
afstand tot de maan
zijn we
van elkaar verwijderd

ik ben
een meteoor

raast langs
de hemelkloot vol
reien en bochten bergen

kijken toe
hoe vogels
hun nestje bouwen
in trillende
uitgestrekte armen

onder
blauw baldakijn
tranen
dakloos

in de
zon
verdampen

eenhapsmaal – jelou

Je houdt van mij in brokken
in stukken
elke keer weer
een beetje meer hapklaar
Ik ben je portie
je eenhapsmaaltijd
voor hoe lang de tijd

Gisteren was ik benen
ze glommen van trots
jij likte ze gelikt
tot je tong verdroogd
de tijd weer om was

Vorige keer
was ik kut met liefde
je pompte me op
zo diep en vol
en terwijl ik nog
lag na te sissen
startte jij alweer je auto

Mijn dijen hebben
goed gesmaakt
en koesteren het kwijl
van druiperige lippen
Mijn borsten zijn
half aangevreten
maar dat groeit
alweer aardig bij

Alleen mijn hart
bloedde laatst
nog behoorlijk na
maar sinds ik er
een knoop heb ingelegd
voel ik me weer
helemaal de oude.

nachtportier – marten visser

Nachthotel vol gevallen engelen,
dwalend met starre gezichten.

Leven verloren, lege woorden
huilen bevroren tranen.

Zweven vormeloos in de ijle lucht,
boodschap zonder ruimte.

Bergen zonder hoogte,
gister is een ander land.

Laten we dansen op de maan,
kussen de vijand in ons zelf.

aflaat – benne van der velde

(of: hoe wij ermee rijmen)

   
Kuttekoppie kan het kloppen
dat ik lieve verzen schrijf?
Zelfs je bruin konijnenhol
blaf ik vol zonder te stoppen
en inderdaad met liefde…

Heb me lief en lik mijn naad.
Zorg zo dat ik bij je blijf?
Slettebakkie, zaadjesslet;
klein in bed met stoere praat
en ik bang dat ik griefde.

Met mijn lul vol goede moed
bespeel ik je zo geile lijf.
Jij woohoot je Sim weer dood
waarna ik, nog goed doorbloed,
doorspeel zoals jij het bliefde.

Ik nam je voor je gameconsole.
Wij neuken ook uit tijdverdrijf.
Voor ik kwam in je gezicht
richtte je je aureool
die mijn botte lust doorkliefde.

Niet dat ik niet komen mag.
Eerst zuig je me vakkundig stijf
als heilig schijnmatroosje,
je doosje onder kapersvlag
die ik ook vol poef paf piefde.

zinsnede – eelke van es

drachtig
prachtig
vind ik
dat
zo sterk
zo vol van paard

kop vol kolder – hans reitzema

Onder keppel
koolzwart
hoofddoek vol kleur
boven kruisje
dat zich koestert
in kroezig borsthaar
bengelend aan de
ketting van welke kerk
dan ook

huist
een kop
vol kolder

leeg waait nooit de lente
zinnen nooit van wind
zin nooit van wind
wanneer wat geschreven staat
een leeg vel jouw
pen vindt het
kind dat spelen kan
met alleen dat blad
opgelicht

verlicht de plicht
de plek waaraan
de kolder plakt de pek
die koestert kuist kruist ketent
kreten van oprecht
verlangen de klei
in boort

hoor
het waait open
elkaar

voor de ochtend kwam – jelou

Voor de ochtend kwam heb ik
je huid gestroopt, flarden ego
afgescheurd op zoek naar de
zin van het leven

diepere lagen stak ik af tot je
liefde in zicht, de nacht voorbij
sijpelde

druppelsgewijs heb ik het rood
gecheckt op zuiverheidsgehalte
tot mijn bekken vol

je vellen liet ik drogen met de
noorderzon, benieuwd naar wat
je straks na het ontwaken bij mij
aan zou trekken.