* – bianca hendriks

Ze staan tegenover elkaar
Handen naast hun zakken,
vingers gespreid, de voeten
wijdbeens, met losse kaken
haken hun ogen zich vast

Ze wachten
op een teken
in het spiegelbeeld van zichzelf

Ze wachten
op die ene wimperslag met losse handen
op de asterix met gespreide benen

Maar die blijft hangen
boven het onuitgesproken woord

…op een dag was het crisis. – martin m aart de jong

treinen liepen traag files liepen
vast, zoals gewoonlijk. Deuren
gingen dicht, monden gingen open
er was een man die een vrouw lief
had. Er was een kind dat ademde
op de zonbestoven straat. Er was
niemand op een plek waar de zon
ten onder ging er was niemand
op een plek waar de maan de wolken
ving in een weerkaatsing.
Het was crisis en de tijd
rolde de wereld in.

heaufdpijn – occludin

zevenendertig uur niet gegeten
twee nachten doorgehaald
en dat maakt wat uit
ik heb nu wodka nodig
anders droog ik verkeerd op

professor V. wil dat we sms’en
geen sarcasme in zijn stem
zijn witte Macbook hapert
digibetisme in de twintigste eeuw
hij deelt papiertjes uit
gedrenkt in een chemisch iets
leg maar op je tong en proef
trek niet zo’n vies hoofd
je bent een genetisch unicum

en ik flikker nog maar eens
mijn telefoon in de afvalbak
houd mijn lege blikje goed vast

zitje – ellen vedder

zitje - ellen vedder

zitje - ellen vedder

vreemde geschiedenis – martin m aart de jong

De dag vertalen in een grap.
De stad uit dwalen met
een lach en aan de poort
de tol betalen. Piep.
Het gezag hing vroeger
mensen op. Dat Galgewater.

Ze zijn allemaal geteld.
Er rolden hoofden op
een steen werd recht
gesproken. Pek en veren
opgestoken en een vrouw
werd in een ton gehezen
na gewezen, uitgefloten.

De tijd van nu wringt alles
uit. Een bangalijst.

Een meisje in de trein
geeft telefonisch
haar geheimen prijs
aan iedereen die
oren heeft. Ze wil
niet meer naar school

ze is zo bang voor
soortgenoten. Ze
hebben besloten haar
te mijden als

de pest. De stad
glijdt weg terwijl ze
vastgrijpt aan haar taal.
Ze zijn allemaal
niet te vertrouwen zegt
ze houden vast aan niets.
Het is beter dat ik ze verlies.

nekhaar – b. vogels

ik zou haar kunnen wurgen
vreemde vingers wriemelen
als rechtstaande haren

nu heeft zij me bij de baard
mijn hoofd bedaart boven haar schort
haar boezem nadert scheerlings
als ze mijn nek bewerkt met scharen

ik buig voorover en klamp me vast
aan de schoot van ergernis

radarloos – anouk smies

Ik ben niet uitgesproken
Er varen geen boten met slijptollen
langs de kieren van mijn brein
er is geen lijn

om u aan vast te houden, geen bouten
geslagen door de botten van mijn woord
wel splinters en veel touw

Wind waait er en wieken vol spuug
van opgespaard venijn, randen lijm
aan afgekloven nagels
Zo spaar ik zegels van mijn eigen vel
het boekje vol en u weet het wel

een nieuw idee door het kanaal
gekoeld de gehoorbuis in
Veel kabaal. Weinig wol, sjaal
of mouwen aan een arm

maar in de winter
kan het prima toch
Ik doop u in de vitaalste bron
en hou u met mijn best doen warm

windows – bennie spekken

schiet dood
in drie d

sluit zich op
sluit zich af

vloog vannacht
tegen de muren op

schreeuwde
van de daken

sluit nu aan
in de rij bij

het vitrinevlees
excuseert zich

met stijf op elkaar
geklemde kaken

zijn systeem
liep vast

* – maaike klaster

Hier komt ze weer, mijn wolf in
de nacht. Haar kreten grijpen mij
als klauwen, nagelen me vast.

            Aum

Die teef zijgt door betonkarton,
kweelt mijn dekens onder,

weent net zo lang haar fluim op
mij tot ik alleen nog flemen kan.

Jezus, Boeddha, waar ben je nou?!

En ze huilt en ze pruilt
en ze blaast mijn huid droog.

Die schapenvacht leg ik af,
van hieruit gaan we dubbelloops.

            klikklak

Ik jaag twee kogels door haar
derde oog en vul het gat dat blijft.

nattigheid – janus duprie

het wordt steeds
natter veiliger
gezelliger verdraagzamer
rechtser harder

we leggen het allemaal vast
uw gevoelige plaat
onze camera’s

* – geertruud otten

* - geertruud otten

* - geertruud otten

na je komst – peter helsen

We hadden je verwacht. De lijnen waarbinnen
je zou passen waren uitgetekend, hoopvol
en met zin voor precisie. We spraken over
de herinneringen die we zouden hebben lang

na je komst. Eén iemand hield de ander vast,
alsof bakens nodig waren. Een lied ontbrak.
Het geluid van de nachttrein werkte bedarend.

De morgen kwam met bitter licht. 
De lijnen hadden zich herschikt tot dierlijks,
onbestemds. De treinkadans werd dreigend. 
Hoe ijdel hadden wij je uitgezet?

constatering – gerardus

dat we kampioen worden
- van de wereld -
dat staat vast

alleen wanneer
blijft de eeuwige vraag

morgen – charlotte driessen

De ramen fluisteren
over hoe we binnenkwamen
Natgeregend, droogverteld

Een nostalgie over
uitgekamde haren
door tinteling bedwelmd

Waakzaam hou ik me vast
aan de linnen muur
ondergedompeld in
uitgewassen woorden

Morgen zonneschijn
Morgen hoop
Morgen liefde,
Eten, kleuren, spelen
en dan liefjes alles samen delen.

passiepreek – arjan keene

Ach, wat moet je toch met die gedichten
en meters bundels in de boekenkast.
Geniet liever van wijdse vergezichten
en houd je vrouw eens stevig vast.

Al dat leed en drama in de poëzie,
je wordt er maar ziek en misselijk van,
het is een zwaar perverse pastorie
met een onchristelijk bestemmingsplan.

Die drang om verzen vol te schrijven,
kom ik daar ooit nog eens vanaf?
Wellicht met veel ramen en veel wijven,
maar dat wordt een passieloze straf.

Ik bevlek mijn wereld maar met regels
en hinkel wat rond op weemoedtegels.