de zee of de zoo – delphine lecompte

Kop is de zee
Munt is de zoo
Mijn muze krijgt zijn zin
Het wordt de dierentuin
Nochtans was ik de gooier van het geldstuk.

In de dierentuin laat ik het geldstuk vallen
Op de gepantserde rug van een profeetoude krokodil
Ik geef de wens aan een verbrand kind met oerslechte ouders
Hij gebruikt de wens om zijn moeder te wurgen
En vraagt of ik nog een euro kan missen voor de zelfmoord van zijn vader.

Mijn tweede en laatste euro rolt van het gekartelde schild van een piepjong gordeldier
Toch pleegt de vader van het verbrande kind zelfmoord
Maar hij wacht tot zijn zoon in de goot ligt
Met kromme sonnetten over verlepte kustgoochelaars
Hij wacht tot zijn zoon doof en onvindbaar is.

Na de stenen tijdperkmonsters geef ik mijn muze eindelijk mijn handen
Hij kneedt heel voorzichtig mijn vereelte klauwtjes
Alsof ze onderkoelde vogeltjes zijn
Ik huil omdat zijn voorzichtigheid nooit aarzelend is
De grootste bizon geeuwt omdat het onweer hem verveelt.

We schuilen voor de regen in het nachtdierengebouw
De vleermuizen weigeren de duisternis te erkennen
En hangen weerbarstig als rouwvlaggen te dromen van rotsschilderingen
De goedgelovige nachtdieren lossen onze makke verwachtingen in
Maar ik wil nog steeds naar de nietsontziende zee.

aan mijn ongeboren kind – maaike klaster

Nee, je bent er nog niet, ook niet in mij.
Al kan ik een lange tienerjongen mama
tegen mij horen zeggen. Bestaat zoiets?

Zien wij elkaar op een dag onder- of
bovenaan een trap? Heb ik zin om jou
te dragen? Mag ik mij zoiets afvragen?

Het spijt me dat ik mijn leven lang zo
stom ben geweest, maar ga vanaf
vandaag maar bij jouw vader klagen.
Die gedraagt zich tegenwoordig als de
kledingloze keizer. Ja, schat, net als jij
had ik een wakkerder iemand verwacht,
maar ook ik heb liggen slapen.

Weet je dat ik jou zag, in het echt? Al
zullen er mensen zijn die mij voor gek
verklaren. Dat doen ze waarschijnlijk
toch al. Jij reed op een crossfiets door
de fontein op het plein en keek om je
heen als iemand die het – godzijdank -
nog niet had begrepen. Ik lachte hardop
en dacht: ”Goed zo, jongen, laat maar
zien hoe het hoort!” voordat jij je
zeiknat en triomfantelijk omdraaide
om diezelfde route door dat uit de
grond spuitende water nogmaals, maar
in tegenovergestelde richting, af te
leggen. Je keek er zielsgelukkig bij.

Bij nader inzien werd jij helemaal niet
nat, niet van water, want die fontein
was er wel, maar jouw lichaam nog
niet, en die fiets moet ik nog kopen.

Het leven is mooi, lieve jongen, dus
dat wil ik jou dolgraag geven, maar
zonder jou vind ik er steeds minder
aan. Ga maar vast bovenaan die trap
staan, dan kunnen wij zien wie er
eerder is: jij beneden of ik boven.

Ga ook maar aan je vader vragen
waarom hij zich als zo’n ongehoorde
klootzak heeft gedragen. Je weet al
waarom ik zo’n verschrikkelijk
kutwijf ben geweest.

contro-vers – maaike klaster

Controversieel ben ik niet, of juist wel?
Ik weet inmiddels niet meer wat dat woord betekent.
Mijn broeders in de strijd leerden mij de lessen die ik nodig had:
dat zwart en wit hetzelfde zijn, dat zij tezamen regenbogen maken,
dat wij overal thuis zijn, dat leven luisteren en dan in vertrouwen
handelen is, dat ik altijd al deed wat ik nu doe: dit bolletje dat wij Aarde
noemen in mijn armen nemen en ons allemaal in slaap wiegen, liedjes zingen
die mijn kleine broertje voor mij schreef, die hij zelf nog steeds melodisch
schreeuwt. On Stage. Want daar gebeurt het, daar spelen wij met God, Allah,
de Vader, Moeder, of hoe je Het ook wilt noemen, en dat mag je iedere dag
doen. Om die liefdevolle leider nog eens aan te halen: “Life’s work, lady!” -
en dit is wat ik zeker weet: ik werk hard, ik speel harder.

brief aan iemand die ik kende – maaike klaster

Eens zullen wij het nooit worden.
Wilde jij nou bij mij of ik bij jou terugkruipen in die buik,
onder een zelfgebreide streepjestrui? Want net als een zeepaardje
kan ik mijn mannen zwanger door die oceaan laten dobberen en
ik ben, zoals je weet, de Kleine Zeemeermin in het groot. Niet de
Disney-variant, maar de echte, die zich in de golven van haar vader’s
zee werpt, sterft, omdat niemand haar voor vol aanziet. Zelfs jij niet.

Toch blijf ik van je houden. Lamlendig, dat wel.
Wordt dit zo’n gedicht dat mensen gaan citeren tijdens
bruiloftsredes; aan het graf van een gestorven dierbare?
Ik lach me nu al een kriek. Wat dacht je ervan?
Zullen we buiten op het plein een pilsje gaan drinken,
ook al houd ik helemaal niet van bier? Je weet me te vinden. Aan de
overkant van één de zeven zeeën.

XII – jan holtman

een mooie dag, schreef ze
toen haar vader

schaatsen kocht
en geen ruzie maakte

renaissance – maaike klaster

Ik heb een heel deel, half deel, van mijn stem
teruggevonden, een luchtkoker waar oude en
nieuwe noten, tonen, klanken, zinnen, woorden,
melodieën door naar buiten stromen, een stuk
van mijn luchtpijp dat al die jaren afgeknepen
was, waar niets uit tevoorschijn mocht komen.
Horen jullie die hoge C terwijl ik dit schrijf?
Ik was er bijna! Wie had dat ooit gedacht?!

Nu kan ik niet meer stoppen met zingen en
herken ik mijzelf niet meer, of liever gezegd:
ik herken mijzelf na zo’n 32 jaar weer terug.
Er kriebelt zelfs een dikke giechel in mijn keel
die mij vertelt dat ik wel degelijk ooit een meisje
en alle dagen vrolijk ben geweest, en dat is een
zegen.

Dat wilde ik jullie even laten weten, intellectuele
broers, zusters, vadervrouwen van deze wereld
die nog steeds denken te kunnen beweren dat
één zinnetje van een uitermate luie donder
(René Descartes, ja. Dat luie sekreet, die in z’n
bed liggen ruftende, slome pijproker) ons bestaan
op aarde bepaalt. Wat Een Goeie Grap. Want
Verlichting, dat is een hoofd op sterk water.
Uiteraard ja.

Misschien dat we dan volgende keer van plaats
kunnen wisselen en jullie je als tweejarige laten
afranselen, vastbinden, uithongeren, betasten;
je op je vierde zo bruut laten verkrachten dat
niemand tegen je wil zeggen hoe erg dat voor
je is geweest; op je vijfde je vader chronisch
ziek zien worden; op je zevende te horen krijgen
dat papa’s ziekte nu ook in jullie lichaam huist
en op je achtste, met je knuffelbeesten en
kleurblok op schoot, aan de zijde van je vader’s
dialysestoel af kunnen vragen waar jullie, als
jullie later groot en ziek zijn, die twee dikke
naalden zullen laten plaatsen, in jullie dijbeen of
in jullie arm, want de huid op een vrouwenarm is
dun en als zo’n shunt te vaak geprikt wordt, kan
het voorkomen dat dialyse niet meer mogelijk is
omdat de naalden niet meer houden en als
nierpatiënt ben je zonder dialyse binnen een week
dood.

Misschien dat het vooruitzicht van aan een
machine gekluisterd; door een pompje en een
vezelachtige kunstnier in leven gehouden
worden jullie idee van plezier is. Jullie hadden
niet meer nodig dan jullie gedachten, toch?
Een lichaam, dat is maar iets vies. Daarom mag
je blijkbaar als volwassene zomaar een kind te
grazen nemen. Had ik maar niet met een mond,
een kut en een paar nieren geboren moeten
worden. Eigen schuld, dikke bult, zullen we maar
zeggen. Die ziekte heb ik overigens overboord
gegooid. Wie hem wil, mag hem hebben.
Mijn zegen heb je.

chomolungma – maaike klaster

Een zandkorrel wordt stof, groeit uit
tot een sneeuwvlok, de sneeuwvlok wordt pop
- aan de rand van een bos

De korrel, een zwerfkei
geweest, sleet met de jaren,
in een reis door de tijd
- mineralen hebben op aarde
het eeuwige leven

De zwerfkei, dissident van zijn vader,
de koning der bergen, ontsprong zijn lot, zei:
“Misschien los ik op”, liet ketens achter,
maar de rots uit zijn jeugd bestaat nog. Zijn heilige moeder
kust er de lucht. Op een dag keert hij terug
als regendruppel. Nu draagt hij een muts

* – maaike klaster

Dans met mij, Beëlzebub,
de horlepiep, een zeemanswals.
Laat die klompvoet stampen.

Verschijn jij in fluweel gekleed,
ik als de groene fee, het
dwaallicht op dit boerenfeest,

verleidster van Hij die er
nooit is geweest, de geest
van mijn vader, vermommer van

het allerzachtst gestoofde vlees.
Nu offer ik precies een pond
in ruil voor echte fik.

En als het vuur dooft, zal ik
zingen, zal ik la lo liedjes zingen.
Lanoline zal ik zingen. Voor een
warme nacht.

ongeboren. – martin m aart de jong

Hier begint het dan. Mijn dagen.
Het rommelt bovengronds. Mijn
moeder kan mij nauwelijks dragen
mijn vader vraagt waarom. Aan Allah

maar die wil dat wij het leven dragen
met alles en daarom. Ik trappel om die
wereld in te raken. Te vragen of ik blij
moet zijn. Met alles wat terecht komt

op de daken van onze stad. In onze straat.
Of ik dan – een eeuw later – mag sterven
in Jeruzalem.

toen de vos de kerststaldief verwenste herkende ik mijn oom – delphine lecompte

Toen ik kaarsenmaker was heb ik deze bijensterfte
Voorspeld maar niemand wilde me geloven
Zelfs al hadden ze me geloofd wat konden ze doen?
Wat kun je ondernemen tegen insecten die creperen
Omdat aronskelken niet meer sluiten??

Nu ik al mijn amuletten heb opgesloten
In de buffetkast van een gek geworden horlogemaker
Droom ik iedere nacht van grotten
Ze worden bewoond door preutse hoefdieren
En heidense vossen met profetische merelogen.

Ik ben de enige mens in mijn droom
In de grot ben ik de vierde machtigste
Ik kan een incestueuze imker doen verdrinken
Maar ik kan geen verdrinkende imkerdochter redden
Soms maak ik een sponzenverkoper stom.

In de echtere wereld koop ik tien sponzen
Van een uitgedoofde sponzenverkoper
Ik krijg een spons gratis
Omdat ik mijn linkerborst toon
Thuis verknip ik de elfde spons
Tot ik de machtigste vos van de grot herken.

Bijna elke nacht wenst de machtigste vos
De leverontploffing van een dief in een lift
De diefstal is altijd oneetbaar en gemeen
Bijvoorbeeld een kerststal van een tumorrijke vader
Die Melchior in de linkerhand
En morfinepomp in de rechter alles wil geven
Aan zijn dochter, in het stro.

In het stro is ze verwekt
En de balken van de stal zijn opgevuld
Met gouden kamelen
Maar de dief in de lift kruipt door het oog van de naald
Hij wordt stinkend rijk
Wanneer ik wakker word bestaat zijn rijkdom nog altijd.

sexual healing – maaike klaster

Als Marvin Gaye het zingt, mag het wel,
maar als ik het doe, word ik vies aangekeken.
Wat is het verschil? De werkelijkheid waarschijnlijk.

Een greep uit die gezellige grabbelton:
slappe hap geneuk; vreemdgaan; naar getrouwde mannen
lonken terwijl jij jouw echtgenoot links laat liggen; tegen
jouw echtgenoot zeggen dat hij maar even gezellig met die
alleenstaande dame moet gaan praten; jouw echtgenoot die
naar de hoeren gaat; jij die denkt dat alle alleenstaande
vrouwen prostituees zijn, terwijl die zelden seks hebben,
laat staan dat ze ervoor betaald worden, in tegenstelling tot
jij overigens; een moeder die zegt dat haar zoontje van 14
maanden met alle vrouwen flirt (gatver!). Laten we die
laatste eens omdraaien: een vader die zegt dat zijn dochtertje
van 14 maanden met alle mannen flirt. Ziet u wat ik bedoel?

Ik zou bijna gaan denken dat er heel veel mensen op aarde
zijn die niet mij, maar zichzelf vies vinden als ze seks
hebben. Pech hebben jongens, zo ben ik niet, en zo ben ik
nooit geweest. Verkracht worden, daar heb ik wel moeite
mee. Met vies aangekeken worden ook.

Ga toch verdomme zelf eens behoorlijk liggen neuken, dat
doe je door eerst behoorlijk lief te hebben, en laat mij met
rust, doen wat ik doe; dan hoef ik niet steeds dit soort
gedrochten te schrijven. Ik heb uiteindelijk wel iets beters
te doen. Neuk lekker, zou ik zo zeggen.

huig is geen vies woord – delphine lecompte

Bijna iedereen vindt schelp
Een mooi woord
Zelfs de bonte vrouw
Die verkracht werd in een kuststad
Toen ze dertien was
En dacht dat vulva huig betekende.

Vooral de jongen
Wiens vader stroper was
Wiens moeder hem een wafel beloofde
Jarenlang dezelfde Luikse wafel
Met uitzicht op de zee
Maar zijn moeder bezweek aan een herseninfarct
Vóór De Panne werd bereikt.

Ik zit op het dak van een strandcabine
Vrediger dan mijn vader, ben ik niet
Schoner dan mijn moeder, wil ik niet
De ezeldrijver is verweerd
En sentimenteel geworden
Het mag.

Ik vind strand een mooi woord
Groter dan god, is het niet
Schoner dan schelp, wil het niet
De zon schijnt sentimenteel
En genadig onder te gaan
Dat kan niet.

mijn vader wordt een hond en ik moet jezus spelen – delphine lecompte

Een hond met de overduidelijke ziel
Van een Tibetaanse monnik likt
De dijwonde van een agnostische fietsenmaker
Naast de fietsenmaker ligt mijn vader
Met gespreide armen in een filmwoestijn.

Hij speelt een profeet
En ik verzorg de catering
Natuurlijk is het een droom
De hond is de ster van de film
Het is een stomme film.

De agnostische fietsenmaker geneest
Dankzij het kwijl van de boeddhistische mopshond
In mijn droom speelt hij
De duivel van mijn vader
Maar zijn hoorns lossen telkens.

De fietsenmaker krijgt de slappe lach
En wordt ontslagen
Hij verlaat de filmwoestijn
Met een minder lafhartig geloofstelsel
De heilige hond mist de duivel
Hij wordt onhandelbaar.

De regisseur vraagt aan mijn vader
Of hij de hond wil vervangen
Maar al te graag!
Mijn vader wordt een stoïsche schoothond
En ik mag Jezus spelen
Er is geen duivel meer nodig.

Mijn baard jeukt en mijn monoloog is afgemeten
Bovendien wordt de catering toevertrouwd aan een blinde misantroop
Dus wek ik mijzelf met een duim die al wakker is
Krabbend aan mijn hals
Plan ik alvast een ijsje op de dijk.

mijn ex-bakker speelt dat hij het redt – delphine lecompte

Mijn ex-bakker speelt met treintjes
In een onverschillig rijk (Frankrijk)
Terwijl zijn vrouw een gilet haakt
Voor de kersthond waar ze op hoopt
Ze zijn huidziek noch schrijnend
Toch huilt de bakkersvrouw vandaag.

Wanneer de bakkersvrouw bijna uit
Gehuild is belt ze haar jongste zuster
Die nog in België woont
De zuster haakt ook een vest
Maar niet voor een messianistische mastiff.

Na het telefoongesprek pleegt
De bakkersvrouw zelfmoord
Met de leiband van de komende hond
Mijn ex-bakker wordt door zin in suikerwafels
Gedreven naar beneden.

Ze bengelt en hij maakt haar los
Op de radio zegt een gebroken polsstokspringer
Dat hij zijn gokverslaafde vader nooit meer wil zien
Voor de ambulance arriveert
Heeft mijn ex-bakker drie suikerwafels verorberd.

Mijn ex-bakker speelt met verweerde passagiers
En verwaande conducteurs in een hol herenhuis
Het sneeuwt en de mastiff dreigt
Te stikken in een goederenwagon
Maar mijn ex-bakker redt de hond.

camping happy – bob elias

buiten de hekken zwerven hoertjes
door de bermen

huilen roestige karkassen
ooit florerend in de wind

een vader verkoopt zijn verhaal
op een bordje van karton

voor elke prijs op het terras
er stapt een jongen uit een auto

zijn t-shirt oppert fuck it all

oerol – jan holtman

mijn oude vader heeft het touwenmuseum opgericht
achter de dijk, tegenover het kerkhof te Zurich, Surch
zeggen de friezen, this is Surch, zegt mijn vader

en dit is touw van zee, kom we lopen naar Harlingen
maar niet om de boot naar Terschelling te nemen
want dat is heus niet het mooiste plekje op aarde

en nu het Oerol festival daar gaande is, wellicht zelfs
het lelijkste, de kunst bestaat daar bij de gratie
van twee naakte wijven op een bakfiets

flessenpost voor chris zegers – maaike klaster

Chris, lekker ding dat je bent, waar ben je? Op t.v. zie ik jou met oceaanhaar
(droog van zon en zout) een verzekering aanprijzen en je ziet er zowaar
gelukkig uit. Is dat waar? Want waarom mogen wij hier in Nederland niet
meer van jou genieten, moet jij ergens op een onbewoond eiland in de
branding staan? Hoewel ik jou een mooie man vind, een stuk ja, zeg maar
gerust een flink brok goedaardig testosteron, val ik niet op je. Althans, niet
hier vanaf de bank. Jij bent voor mij te tweedimensionaal; ik heb ze liever
dicht op mijn huid. Echt, ik ben niet zo’n vrouw die steeds aan andere
vrouwen moet bewijzen dat ze tieten en een kut heeft door naar spierbundels
op een film- of televisiescherm te wijzen. Doodvermoeiend vind ik dat.
Liever word ik vastgehouden door iemand die van mij houdt en ik van hem.
Dat lijkt me logisch, want liefde staat altijd (altijd) voorop bij mij, en na een
lange rij daaraan verbonden kwaliteiten (wederzijdse waardering, trouw,
elkaar in vrijheid ondersteunen, verantwoordelijkheidsgevoel en meer van dat
soort zaken) komen met Heel Grote Letters: Communicatie en Seks. Daar kan
ik geen genoeg van krijgen. De meeste mensen neuken met haat, slaan die
eerste, belangrijke stap over, dus daar is geen reet aan, om het zachtjes uit te
drukken. Jij niet, dat kan ik zien, want jij bent lief. Maar zo’n grote vent die
(en ik zeg het heel voorzichtig) van seks houdt en dan ook nog eens een hart
heeft dat de hele dag liedjes afdraait alsof het om zo’n speelgoedmuziekdoosje
van vroeger gaat, die wordt de Lage Landen langzaam maar zeker uitgebonjourd,
want die is voor velen te bedreigend. Wat een slapjanussen, vind je ook niet?!

Als ik het mij goed herinner, las ik ergens dat jij onlangs vader bent geworden.
Mocht dat inderdaad het geval zijn: Hoera!!! Gefeliciteerd! Volgens mij ben jij
een fan-tas-ti-sche papa. Dat doet mij deugd en ik wens jou alle vreugde toe.
Eén verzoek: stap in dat bootje, dat zelfgemaakte vlot, en kom terug naar
Nederland, want ik kan jou hier niet zien en een man zoals jij erbij maakt alle
verschil. Zou jij dat voor mij willen doen? Texel is trouwens ook heel mooi!!!

Heel veel liefs, alle hens aan dek,
Maaike (wat o.a. zee betekent) Klaster

alledaags – tijsterblom

wafwaf kraait paard in de vensterbank
bevel voor moeder en konijn om
aan het werk te gaan en gehoorzaam
pakt konijn de stofzuiger, moeder
neemt de cirkelzaag

daarmee kort ze keurigjes de beentjes
van Stientje twee centimeter af , dan op
een drafje naar de tuin om haar keuteldoos
te legen; zo, nu een lekker boertje en
de dag is goed begonnen

maar vader in de schuur sombert:
het wordt weer een dag als alle andere
en zet met de linker mondhoek
zijn geurspoor op een houten balk

brief aan vlinder, merlijn en isa hoes – maaike klaster

De Nederlandse roddelpers is uitgerukt.
Opgeruimd staat netjes, trut.
De Nieuwe Kleren Van De Keizer, Manolo Blahniks
met een zelfmoord vergelijken!

Bijna reed ik mijzelf op een rotonde dood, toen mijn
leraar mij tijdens de les tussen neus en lippen door
vertelde wat Antonie Kamerling had gedaan:
Zichzelf opgehangen aan een balk in de schuur
waar zijn vrouw hem aantrof na het vinden van
de brief die binnen lag.

Zij houdt zich goed; dat is niet goed.
Nu is het de tijd van Grote, Wijze Tovenaars en
hun Glimlachende Nachtvlinders, van kinderen die
naar hun papa vragen, die te allen tijde woedend
mogen zijn omdat je daarmee wonden heelt die
anders nooit genezen.

Ik zag hem wel, in gesprek bij Life & Cooking,
met ogen die zichzelf haatten, en ik heb hem in
mijn ziel gevraagd die Ouwe Duivel thuis te laten.
Hij heeft niet geluisterd.

Antonie, je brak ons hart.
Nu kost het ons een leven om jou steeds opnieuw te
moeten vergeven. Maar het leven duurt soms maar
één seconde, zo snel reis je door de tijd en kun je
jouw vader met terugwerkende kracht alsnog dat
leven geven, met hem over vanalles in gesprek gaan.

Want niet zijn dood doet pijn, maar wat hij tijdens
zijn bestaan heeft gelaten: een liefhebbende vader,
echtgenoot, broer, zwager, collega zijn; zich
herinneren wie zijn ouders waren.

Dus verwijder dat koord, noem het moord en zie
hem terug bij zijn geboorte, hoe hij lachend op jullie
wacht, in de tuin, bij de schuur, bij de hemelpoort.

al die willen te kaap’ren varen – maaike klaster

Hoe ik ironie moet spellen, weet ik nog wel,
maar dubbele ironie, die van de Grapjas, Palsjas en Jeruzalem,
gaat mij iets te ver. Is dat niet illusie van de 1- of zelfs
0-dimensionele graad?

De man met de kleine baard die regelmatig met Odysseus uit
varen gaat, lijkt weinig op te hebben met verre horizonten of
hoge bergtoppen die de hemel raken, zit liever pindarotsjes
weg te kauwen met een goede video.
Ja, sorry hoor, dat kan ik ook, het moest eruit. Een inkoppertje,
zullen we maar zeggen. Volgens mij kun jij veel beter als jij
niet steeds de tieten van de meisjes scheidde, je handen af wist
te houden van krap volwassen anorexia patiënten. Een arts
hebben ze niet nodig en een vader hadden ze als het goed is al.
Ik houd van jouw stijl, maar jouw klasse staat mij niet aan.
Misschien dat vechten niet jouw sterkste kant is, mannen in
zwarte pakken het beter kunnen. Ik denk aan twee langharige,
Maleisische broers van Amsterdamse bodem die het nodig
vonden om, met ruisende broeken en wapperende manen, over
mijn solar plexus (vertaal dat maar) te komen stampen. Toen
was ik dertien; nu roste ik ze zo in elkaar. Hoewel ik moet
toegeven dat zij uitermate lichtvoetig waren, hun vechtkunst
haast een dans was. Daarom bleef ik kijken.

* – maaike klaster

Ik blijf maar vallen in armen die er niet zijn.
Wanneer houdt het op op, komt er een einde al al dat schrijven over lelijkheid –
ik heb er zeeën voor in tweeën moeten splijten – staat er iemand anders op
die zegt: Misschien is het nu dan wel genoeg geweest met al dat luie haten,
wegdoen van mijn Vader, Moeder, God, de Hemel, het Leven. Laat ik nou eens
doen wat mij bij mijn geboorte werd gevraagd, of ik onvoorwaardelijk lief wilde
hebben, wat ik inderdaad heel even heb gedaan, maar toen ook dat voor het
gemak heb weggegooid, want hoe lang zijn we hier nou eigenlijk op Aarde?

Dan kan ik eindelijk weer boontjes doppen, eten koken, een man liefhebben,
baby’s verschonen, mezelf lachend langs een raam zien lopen.
Want denk niet dat ik wat ik tegen jullie zeg niet ook tegen mijzelf heb gezegd.
Weet dat ik mijn verkrachters, en mijzelf om die verkrachters, voor alles heb
vergeven, zodat ik verder kon en wilde leven, deze pen heb opgepakt en
alles heb geschreven.

* – maaike klaster

De Bijlmermeer in zwart-wit.
Het startsein van een man met idealen.

Mijn vader met lang haar en onze eerste zwarte hond
aan het voetballen met mannen die ik later mijn ooms zou noemen.
Mijn moeder met een zakdoek om haar hoofd.

Met z’n allen in beweging op een 8mm film.
Wie wilde hen niet zijn?

De soundtrack van voor mijn tijd illustreert de torenflats:
All along the watchtower. Voorgeboortelijk paradijs.

* – maaike klaster

Mijn vader zwaaide mij uit
voordat ik ja kon zeggen.

Als de auto met de kist ons huis
voorbij komt rijden, jankt de nieuwe hond.
Eeuwig weerzien met haar oude baasje.

Een lijk terug naar huis rijden
om iedereen te laten weten wie er dood is,
zodat wij vanuit de rouwstoet naar buiten
met David Bowie uit volle borst mee kunnen fluiten:

Let’s dance, put on your red shoes and dance the blues,

zodat we weten dat alle huizen zullen huilen,
zij mijn vader de laatste keer thuis zullen wuiven.

* – maaike klaster

In dialyse ligt een toekomst verborgen
die iedereen denkt te kunnen voorspellen.
De dikke naalden in de armen van mijn vader
vertellen hun eigen verhaal.

Hij laat mij Spetters zien
vanaf zijn stoel naast de machine,
waar wij elkaar nooit de baas zullen zijn,
want hij is groot en ik is klein.

Dat laatste ei moet nou ook maar stuk,
ik geef het terug, volg het spoor van bloed,
druppel voor druppel,
maak mij los van mijn vader’s DNA,

want ik weet dat ik dat kan, dat ik hem
voor altijd aan die machine kan laten zitten,
zodat hij voor mijn toekomst sterft,
de klok op zijn dood gelijk zet,
mij van hetzelfde lot bevrijdt.

* – maaike klaster

Gezondheid heeft mijn naam gekregen,
maar ik weet niet wie ik zonder die ziekte ben.
Dit kunnen ze niet menen,
iedereen wil mij af zien takelen.

Mijn arts zodat ze gelijk heeft gekregen.
Mijn moeder en ik omdat we bijna niet meer anders weten.

Alleen mijn vader en de zijne draaien zich om in hun graf,
geven mij terecht op mijn falie,
hebben het lichaam overleefd, nemen mij naar oudere tijden mee,
laten zien hoe het altijd al beter was geweest,
schenken mij hun verloren levens, vragen er niets voor terug,
blijven alleen nog even staan kijken
hoe ik lach als ik de deur uit stap.

fumé – ploos

ik zet een bierglas over je heen en
schuif een foto van mijn moeder
altijd voorhanden
onder je kont

je vader woonde hier binnen
je moeder was ‘t liefste in de tuin
en andersom
het hadden kruisspinnen kunnen zijn

maar jij bent er
nast schuim en elzas
vanaf de wand
nog even en je eet de suiker
net niet
uit mijn mond

rolpatroon – jelou

Het was bekleed met
ribfluwelen redenaties
de kamer
van mijn vader

Uitgelegd
besloeg het zo’n
30 vierkante meter
aan constante herhalingen.

sentimental journey – jan zwaaneveld

Hier, in dit zwijgzame dorp, ben je geboren
terwijl levens doorgingen of er niets was gebeurd,
iets wat later wel anders zou worden.

Je leerde hier lopen en lezen, gitaarspelen,
alcohol drinken en je fatsoenlijk te gedragen, iets
waarvan je veel hinder zou ondervinden

toen er meisjes in het spel kwamen en je dat
spel helemaal niet bleek te begrijpen. In de schuur
met die hoge schoorsteen repeteerde je

met de punkband waarin ook W. en H. speelden
die allebei te vroeg zijn doodgegaan. Voor de deur
van de kroeg tongzoende je voor het eerst met A.

en daar, in die kleine woonboot, vond zij haar man
met een vuilniszak over zijn hoofd.
Wat valt er nog meer te zeggen?

Onder de kastanjes bij de kerk ligt je vader,
op wie je meer bent gaan lijken dan je lief is. En dat
het leek of levens hier doorgingen,

maar dat je het niet meer hebt afgewacht.

volgwagen – bennie spekken

stilstaan voor het stoplicht
en de dood springt op groen

grote broer spreekt
het laatste woord

geen nood
we halen hem zo weer in

hij lijkt sprekend
op mijn vader

maar die zweeg liever

koorts – b. vogels

mijn stappen achtervolgen me
tot in de donkere huiskamer
waar mijn vader en moeder
me kruisen op het voorhoofd

ze zijn jong en bij elkaar

de trappen zijn licht en eindeloos
ik houd mijn kleren aan
voel het bloed kloppen
druk mijn onderbuik op bed

ik ben heet in een naakte kamer
waaruit het heelal vertrekt