ik wil niet meer horen – kees klok

Ik wil niet meer horen
van dit kolken en verklaren
dit uitleggen
van radeloosheid dit
veronderstellend alles weten.

Ik wil een ommuurde tuin
onder wolken die wij ooit
speels duidden
vers gemaaid gras de
geur van meisjesharen.

Geef mij blues, rebetika of fado
meeuwen boven drooggevallen
schorren, een slikrivier
met vissersboten die alleen
weten van roest en rotting.

Geef mij het schuren van
schepen langs de kade
vervagende letters op
doorweekt krantenpapier
en verstomde microfoonstemmen.

Laat mij het ritme van de rivier
de verhalen
van een grootvader
die beter wist.

XII – jan holtman

dat gras, dat
eeuwige gras
dat

het huis, de
tuin, de appel-
boom

dat gras

de paddenpoel – elsje de wit

ik kijk niet graag of schichtig achterom
de villa die er net nog stond, lijkt op een oude dame
kermend in haar houten jas
zo hol van binnen

doorgaans een even aantal passen lopen
met je handen in je zakken
naar de paddenpoel
de langgerekte tuin in

dan merk je ook waarom
de grote wijzers langzaam om het kroos heen draaien
en wegtrekken tussen het struikgewas

wacht hier

laat mij het beeld kapot slaan
van de pad die destijds naar lucht zocht
op het randje van aarde en water
waarna hij uiteenspatte op gras dat groen was

een nieuwe avond – maaike klaster

Het kan wel zo zijn
van de liefde en de haat,
van het zoeken en iets anders vinden,
van het aaien en weer laten gaan,

maar een nieuwe avond fluistert door mijn tuin,
vangt de stemmen uit de verte en vermengt die
met het geluid van een rinkelende tram.

Zo vertelt hij in één adem
het verhaal van afzonderlijke zomers
binnen dezelfde stem beleefd,
brengt hij hen gonzend samen
op de plek waar ik sta
en luister.

met kromme handen – joost de jonge

jij met dagloners in mijn tuin
droom over ik
hoezeer waardeert de tuinman
‘t groen van de boomstammen
je beweegt in een stroom
een stroom beweegt in je
één ogenblik steekt mijn rug
volvoert
de bewegende dood is
opgestaan uit een verlammende angst
mijn tafelgenoot

verhalen van de aarde – maaike klaster

De maan door een vergrootglas boven een stad zien hangen.
Zij verlangt naar haar straten, geeft zich aan de menigte over.
Hier is niemand die haar ziet zoals wij haar zien. Hier is zij wit
en verveelt zij zich nooit, vervelt zij alleen, ademt zij haar
eigen stof weer in. Hier gooit zij hoge ogen, kijken zij naar haar
volle gezicht op, wassen zij zich in haar licht, wassen zij haar
haren. Hier hoeft zij nooit meer dood te gaan. Hier ben ik niet,
maar ik kan zien waar zij is geweest, herken de weg die zij wil
gaan, hoe zij de maan gedag zwaait en zich in het neonlicht
begeeft, de nacht kust met haar gulle lach, hoe alles wat
bevreemdt al heel lang bekend terrein geworden is, hoe de stad
terugpraat met iedere straattegel, met iedere hoer op iedere stoep,
en op iedere hoek een nieuwe kans om een andere weg in te slaan,
dealers die naar specerijen ruiken die je thuis alleen uit keukens
kende, luchtige overhemden, een zonnehoed – ook na
zonsondergang, en het klikken van je hakken, de zolen van de
sandalen aan je half ontblote voeten, een deur die voor je opengaat.

Zo ben je altijd onderweg, veeg je al die oude tranen weg, maar
niet echt, veeg je de vloer aan met je vader die jouw taal nooit
heeft gesproken, geef jij jezelf een nieuwe moeder kado die van
iedereen nog het meeste op de jouwe lijkt, vind je een geheime
tuin om steeds in terug te komen, andermans thuis om in te wonen.

komische uitnodigingen – maaike klaster

Ooit, het zal in 2006 zijn geweest – kijk het maar na -
werd ik uitgenodigd door mijn toenmalige baas om bij
haar in de tuin het glas te komen heffen op de tachtigste
verjaardag van Fidel. Castro dus. Dat vond ik vrij komisch.
Nee, ik ben niet gegaan. Uiteraard.

Een andere uitnodiging waar ik wel om kon lachen was
geen uitnodiging, maar een aanzoek. Van een wildvreemde.
Op een bushalte, middenin de nacht. Deze man wond er
geen doekjes om, vroeg mij vrijwel meteen ten huwelijk en
hij meende het echt. Zo naarstig was hij op zoek naar een
verblijfsvergunning. Ook toen heb ik nee gezegd.

Een derde uitnodiging die geestig, maar eigenlijk om te
huilen was, kwam uit onverwachte hoek. Mijn vriend destijds
vroeg of ik alsjeblieft wilde kijken naar hoe ik mijzelf in de
toekomst zag, en ik verbaasde mij erover dat hij niet op de
hoogte was van het feit dat ik er geen een had. Zelf zag hij
zich als vader aan de vaat voor een raam staan met buiten in
de tuin een baby op een kleedje. Dat vond ik vreemd, bijbels
bijna, want met wie had hij dat kind gekregen? Niet met mij,
dan had hij dat gezegd. Misschien dat hij in zijn fantasie een
soort mannelijke Maagd Maria was die de Heilige Geest had
bevrucht. Toen ik ernaar vroeg, kreeg ik de wind van voren,
met daarop volgend die uitnodiging, dat verzoek. Of ik A.U.B.
mijn eigen toekomst wilde bekijken, mij niet wilde bemoeien
met de zijne. Wat hij eigenlijk zei, was dit: “Wat een trut ben
jij dat jij niet in staat bent om kinderen te krijgen! Ik heb de
mijne tenminste zelf bedacht.” Gek is dat, hoe mensen een
kloof tussen zichzelf en een ander weten te slaan om die ander
er vervolgens van te betichten niet aan hun kant te staan.

De uitnodiging om over die kloof te springen sla ik altijd af.
Van mij uit gezien is er geen kloof. Ook die had hij zelf bedacht.

alledaags – tijsterblom

wafwaf kraait paard in de vensterbank
bevel voor moeder en konijn om
aan het werk te gaan en gehoorzaam
pakt konijn de stofzuiger, moeder
neemt de cirkelzaag

daarmee kort ze keurigjes de beentjes
van Stientje twee centimeter af , dan op
een drafje naar de tuin om haar keuteldoos
te legen; zo, nu een lekker boertje en
de dag is goed begonnen

maar vader in de schuur sombert:
het wordt weer een dag als alle andere
en zet met de linker mondhoek
zijn geurspoor op een houten balk

1992 – maaike klaster

De basslijn van Come As You Are stroomt mijn slaapkamer binnen
zoals de zon door de half geopende luxaflex, waardoor mijn muur in
licht en schaduwstrepen is gehuld, een muziekbalk in de middag toont.
Buiten hangt mijn moeder de schone was op aan de waslijn in de tuin,
spelen kinderen zoals ik zelf een paar jaar eerder deed.
Kurt Cobain vertelt zijn melodie vanuit Seattle, maar klinkt voor mij
meer als LA, als zee, want dit is een lied dat is als water waar ik in
kan zwemmen, van het ene schooljaar naar het volgende, dwars door een
hete zomervakantie heen. Hij neemt ons mee, een complete generatie aan cassettebandjesluisteraars die zo hun c.d.’s met elkaar delen. Het mijne
nam ik over van een klasgenoot die mij ook Guns N’ Roses leende.

Ik ben binnen en midden in de wereld, zing neuriënd of luidkeels mee
- wie weet het? – terwijl buiten vogels fluiten, rozenstruiken bloeien,
de zomer ons alles geeft. Ik ben zestien en nooit alleen.

* – maaike klaster

Omdat ik als Kwakoe ter wereld kwam,
op een woensdag geboren,
lig ik iedere zomer in de tuin
aandachtig te luisteren
naar wat deze Hollandse zuidwestenwind
in het Sranang te vertellen heeft,

eten we schaafijs in het park,
ben ik in den vreemde thuis
omdat overal dezelfde vogels fluiten.

Er zit een koekoek op de dijk –
iemand heeft mij zijn locatie aangewezen –
die mij met zijn holle echo
een kijkje in zijn nest laat nemen,

mij laat weten dat hij overal thuis is,
dat het tijd is,
dat ik altijd al wakker was,
maar nu mijn eigen eieren moet vinden,

dat ik niet meer naar de koekoek moet zoeken,
dat Kwakoe geweest is,

dat het overal feest is
nu wij de Surinaamse wedstrijdvogels
uit hun kooien bevrijd hebben
en zij overal de klank van Fernandez laten horen,
hun weg terug naar huis hebben gezongen.

En de koekoek tikt nog steeds.

Nee, dat was de specht,
die wil het liefste vechten
met de allerhoogste, holle boom,
zegt dat ik nooit thuis moet blijven dromen,
boort gaten in zijn zelfverkozen woning,

laat mij nog even liggen in de tuin
met de muziek van een andersoortig festival
dat ik nu voor altijd aan mijn ouderlijk huis verbind,
dat mij aan die vroege tropenzomers blijft herinneren.

Iemand doet de deur open
en alle noten, kinderen, vogelveren
waaien weer naar binnen.
De deur slaat dicht.
Nu kan ik beginnen.

fumé – ploos

ik zet een bierglas over je heen en
schuif een foto van mijn moeder
altijd voorhanden
onder je kont

je vader woonde hier binnen
je moeder was ‘t liefste in de tuin
en andersom
het hadden kruisspinnen kunnen zijn

maar jij bent er
nast schuim en elzas
vanaf de wand
nog even en je eet de suiker
net niet
uit mijn mond

architect uurhistorie – martin m aart de jong

de dag aan puin gereden
in haar tuin gestopt
aan haar gazon het gras
eraf gevreten en betegeld
stortbeton voor vijvers
uitgegoten in haar vlees
en weg gereden zonder
teken in mijn cabrio
vol wilde nachten
bouwplannen voor
een groots hotel
onthuld haar nagels
uitgeslagen op de plek
waar straks het zwembad
komt de cocktailbar
een plek om boeken
uit te lezen en geliefdes
te verbranden op de barbecue
zo’n dag alweer verzopen
op het nuluur nu.

kleurenblind – bob elias

toen in mijn tuin
de glazen pauw
zijn kleurige staart ontvouwde
schoot je hem dood
voor een caleidoscopisch
mozaïek

moest dat nou?

muision impossible – monique methorst

Er was eens een blanco muis ontsnapt aan muizenissen uit mijn hoofd kon ik mij niet in die gedachte vergissen… om maar met de deur in huis te vallen blijf ik in elke centimeter van mijn vierkante leven rondhangen.

De oren gespitst op ieder anders geluid waar ik geen kaas van heb gegeten, wie kan mijn gekeutel nou niet weerstaan… een huis tuin en keukengedachte is zo gepiept, zo gedaan.
Terug in mijn hoofd kom ik Roodgrapje tegen bij de nooduitgang… en dat doet de deur dicht! Ik heb zo mijn grenzen, weet U.

Bloot slaat hartstikke dood. Oh, vermuist nog aan toe! Nu lig ik daar uitgesmeerd en maak van elke afgelikte boterham geen gezicht, ik ben zo verstrooid, er blijft geen gedachte overeind bij de moraal van dit gedicht.

transformatie – anouk smies

Je gezicht
is de hete zomer
van alles dat ik eerder schreef

Mijn woorden blozen
Onze hartslag een zon
die een radslag maakt

Wij beschaduwen de avond
volg je twijfel zonder geluid
Wat gebeurd is trek ik na

en zet de meubels in de tuin
Wij bouwen ons tentenkamp op
terwijl onze gedachten stap voor stap
het pad aftasten

Buiten je huid

vogelvrij – onbezield

vrije vogels doen mij walgen
ik giet dus vitriool bij de boom
is hij dood, hak ik hem om
heeft de vogel geen zitplaats meer
om mij te bekijken en bemokken

rattengif op lokvoer wil ook wel helpen
de neergevallen lijken ruim ik op
ik luister en het is goed…
maar de krengen waarschuwen elkaar:
ga niet in die tuin des doods!

laat ze maar, de omgeving is alert
hun tijd komt nog wel want
als klein duimpje heb ik de buurt in mijn macht!
ze zijn te stom om acht te slaan
te gulzig… maar ze blijven komen…!

nieuwe buren – bennie spekken

diep in de tuin
onder onze boom

hoor ik de takken
zuchten hoor ik

achter de schutting
taal een hart

breken

begeleid wonen – joke schrijvers

Wijk jaren vijftig
strook gras langs de singel
daken in rood

rijtjeshuizen verbouwd tot
een ieder voor zich
woninkje onder of boven

Maar één redt het niet:
de vreemde muziek
de jampotjes in een rij
op de stoep bij de buren
de bijl in de tuin
de deur geblokkeerd
het schreeuwen het mes

Politie raadt aangifte af
ontoerekeningsvatbaar
rechter zal toch seponeren

Voor dit soort problemen gaat u
naar burenbemiddeling
of GGZ

Opname?
Voorlopig is nergens
een bed

beklag – fred tak

te huur
een lint verdriet
van zeven meter lang
voor in de tuin
geleverd met
een bonte streng van kleine lichtjes

om ook ‘s avonds
de schittering
van tranen te laten zien

van nood en ziekte
met verderop een uitgang
zeg maar grote centenbak
om kilo’s meelij in te werpen

opstand – stoney pete

In het huis mijns vaders
zet ik de ramen open
want er zijn vele kelders

Hij is elders
bezig met bladerblazers

In de tuin branden hopen
verboden bladeren

Maar tegen zijn zin in
waait de rook naar binnen
en de rookmelders zingen
de doden wakker

de vraag – frank fabian van keeren

herinner jij je dat we samen in de schaduw van
licht verdriet het geweld stopten

huilden de pijn vrij van schaamte
enige tulp in haar tuin
eeuwig waar nooit winter was
jouw hoofd op mijn naakte borst

je fluisterde een vraag

uit schoonheid kunnen kussen zweven
na moorden blaast de wind een schreeuw
slaap en laat ons met de regen
stormend over dagen gaan ja
zweef maar

ik ben bang lief
ik droomde
dat jij het vergeten was en
ik mis je

tuin – jan holtman

Daar zit je dan, geheel onverwacht
door onkruid omgeven mooi te zijn
in een tuingedicht, zo onveilig met
je blote armen en je mooie avondjurk.

Je nipt, je denkt, je schenkt nog eens bij,
een ster doet je over een steelpan spreken
en onder de aanzettende wind buigt riet
en bamboe, het zevenblad zo gewillig

dat het je enkels streelt
en jij jezelf vergeeft.

de tuin van de buren – martin m aart de jong

maar is er iets
van doen
tussen denken
en laten

waaien;
observeren
indringend
opnemen
ontwaarden

is er iets tussen
lief kozend
pluizen

en benadrukken
dat jij er buiten
staat en dus ver
boven deze strijd
van terreur
schreeuwende

opblaaspoëzie

in de tuin
van de buren
waar de coniferen
op wacht staan
de hele winter
door en krokussen
onthoofd het voorjaar
ingaan bij gebrek
aan aanspraak.

balkonscenes – jan holtman

I

Gezeten op het balkon
knarst alles, behalve het grind
van vroeger toen hij het
nog harkte en de tuin in een
zinloos wieden vorm gaf om

zich ‘s avonds in de schaduw
van de ondergaande zon
de rijkdom te beseffen van
haar voeten op zijn been,
haar enkels om te strelen.


II

Gezeten op het balkon
van het nieuwe appartement,
het huis verkocht, de tuin
werd hem te veel, zegt zij
zwijgt hij en kijkt minzaam

naar de dampende thee,
haar enkels enkel nog
vleesgeworden herinnering,
een rollade in sandalen,
haar voeten zijn niet meer.

leed der natuur – jan holtman

Haar tuin is trampoline
een boompje staat nog
in de weg

een kind zou zich het
hoofd kunnen stoten,
geen twijfel over mogelijk

dat boompje moet nog weg.