tocht der tochten – jan van heemst

In sneeuw en gure winden
reed hij op witte wegen
en werd daarna door al zijn vrinden
in de adelstand verheven.

Het daglicht was van korte duur;
de buien als een blinde muur
waar hij doorheen moet rammen;
hij wist dat hij moest vlammen
tot in het laatste uur.

Het duister kleurde alles grijs;
hij kreeg de wind van voren
en met de schimmen op het ijs
vocht hij nu om de grote prijs;
want wie niet doorzet is verloren.

Dan eindelijk de laatste stad,
die hij als Generaal betrad,
want nu als slagroom op de taart
reed hij weer op de Bonkevaart
en wist zich uitverkoren.

naakt – lammert voos

uitgekleed voor de spiegel zie ik
slap vel, grijs schaamhaar en vetrollen
rond de taille, welke taille? het zal vast niet
lang meer duren en de stilte vliegt me
naar de strot als een meute dolle honden
en de luiken worden door de wind geslagen
die aan de gordijnen rukt en de kachel walmt
roet, terwijl het gluiperig duister naar binnen
kruipt en de moed in de tocht
vervliegt

de muzeval – bennie spekken

(Taaltheaternacht, Emmen)

een monotoon
sonoor neuriënd
koor op de gang

de drempel over
de tocht door
de catacomben

mijn oog valt op
een motvlinder
tegen de lamp

geen weg terug
het is te laat
voor uitvluchten

mijn stem stokt
achter de deur
de zaal op zijn hand

raast de nacht
burgemeester
van rotterdam

romantiek is uit
den boze hier
komt ellende van

het lijf zucht
een laatste sigaret
ik weet niets meer