poco depri paradox – hans goudart

telkens als mijn adem stokte
bij elke huivering
en al mijn kippenvel.
altijd als mijn hart
op hol raakte of oversloeg.
alle brokken in mijn keel.
elk dat is even slikken,
ieder blozen, elke blos,
al het gestamel en gestotter.

elke blik en elke aanraking;
de hele verzameling
verwarrende beelden;
ieder woord
een woord teveel,
ieder woord
een woord te weinig.

alle hap-snap,
al het half-affe;
alle kladjes,
alle flarden,
alle losse flodders.
alle flitsen, snippers,
losse eindjes;
stukjes van een lied
wat ik ooit had willen schrijven.

alle foto’s oude vlammen
& de ongeschreven brieven…
hoe geduldig mijn papier.
alle lijstjes, titels,
boeken, films
& plannetjes
& voornemens
& alles wat ik allemaal
nog meer zou doen
& wat er niet van kwam.

herinneringen, namen, wegen, landkaarten
& het heimwee
naar de plaatsen
die ik nooit gekend heb.
& de twijfel ik of werkelijk geweest ben waar ik was.
mijn verhaal gezeefd door
een zelfreinigend geheugen,
vriend en vijand tegelijk.

al het onbeschrijflijks
in mijn machteloosheid.
elke prop en alle proppen.
mijn troost de drank
en het visioen van
een bodemloze prullenbak.

& verder
dat ik nu de tijd al mis
die nog moet komen.

anderstalig – jelou

Ik zie wel dat je mond
verbanden tracht in flarden
in losgeschoten woorden

je zoekt een beeld in stukken
van hem of haar, en telkens
weerklinkt een nieuwe vraag
die ik enkel gedacht

je handen vinden steun
in spelen met een touwtje
als draaien zinnen soepeler ineen
zonder te kijken
als maakt de kleur waar ik van hou
jouw plaatje plots compleet

en zomaar uit het niets
ontwapen ik je blikken

wie ben jij eigenlijk, roep jij
dat vraag ik mij al jaren
maar ik denk veel te moeilijk want
jij wilt gewoon mijn naam.

zeg niet telkens dat dit waanzin is – wim de roo

Ik neem me bij de hand, leid me naar een punt
en zet me daar dan neer

het lijkt telkens weer een ander punt
maar er zijn maar weinig punten
alles is bekend: neem me bij de hand

sta op en loop gewillig mee

terwijl ik me omring met al die fijne kanten –
ik daar ergens midden tussen,
doe ik zelfs het hok los, loop er zelf in

trek de deur achter me dicht
hoor: de grendel valt weer in het slot
ga zitten, of ga slapen

ja, werp maar dof een blik bij me naar binnen
door dat kleine open ruitje – ik weet
dat ik voorgoed zit opgesloten

dat ik hier nu nooit meer uitkom

maar zeg niet telkens dat dit waanzin is