stellingbouw – martin m aart de jong

Er is een tijd van komen en gaan
daartussen sta je op een scheermes
blaffende menigtes toe te hoesten
dat de poëzie geletterde zuurstof
is zonder welke we hersendood tussen
de stenen bewegen van geboorte en dood.
Als je nooit zegt dat iets mooi is omdat
je niet kunt zien wat van een ander eeuwig
deelbaar is ben je net als het heelal
alleen tril je negatief in een hoekje,
ook als er geen hoekje is omdat er zoveel
hoekjes zijn met trillende ego’s. Je trilt
altijd mee met de energie. Je weerkaatst
klanken van werelden die je niet kent omdat
leven een voortzetting is van alles wat koolstof
verbindt aan de hartstocht. Het staat steviger
als je geschiedenis de jouwe weet meedeelt in
de draaiing van de as.

rummikub – laura mijnders

Je dipte rummikub stenen in je koffie
alsof het iets zou oplossen
(op zijn minst net als suiker)
ik keek toe
hoe degene naast je
die je nou nog niet echt
bepaald ‘een vriendin’ wilde noemen
een steentje naar binnen werkte
en hoe ze kauwde,
maar niet slikte
ah, gelukkig dacht ik
geen heimlich greep vandaag
en ik ruilde het steentje tegen
het koekje waarmee ik
in een worstelhouding verzeild raakte
om het maar gauw uit zijn plastic verpakking te wippen
verderop
ging degene waarop
jij verliefd was
naar het damestoilet
en trok niet door
want mannen hoeven niet door te spoelen
zei je
ze wisten gewoon niet beter

arcanum – hanny van alphen

het is mooi geweest
de kinderblues
het weten

een stenen tafel
sluit de geheime nis

regenroosje – hanny van alphen

negen dwergen stapelen stenen
door de monen bezworen
bouwen zij in trance een toren
waarin Bert Visser kan wonen

nog niet bewust van de toverkol
die het meisje een peer zal geven
danst en zingt ons regenroosje
het zwanenmeer in een vissenkom

over de waakzaamheid van gras II – ruud poppelaars

Je houdt je vast aan vallende sterren, stenen zomers,
papieren lentes.
 
En de vleermuizen suisden nog wel zo mooi vroeg dit jaar.
 
Reeds bezongen in de groeven van je gezicht de honderd tongen
van de meikever. De dagen opgerold in gonzend licht; en
volgelopen
 
-van zilver- zei je -van titaan- dacht ik. Een novembermeisje
bombastisch wit. Het stond tussen gras te drinken; te verstenen
in kreten met kristal.
 
Een gedroomde roos of een verzwegen haven; kalklijnen verheffen
zich niet om in te verdwijnen.
 
Het is hier dat ik de wereld draag aan de poort van de zee die
opengaat als het hart van de bij. Jij het blad, waartoe alles
beweegt plooit op bed met de dag ertussen
 
en een oude horizon op m’n kussen legt.

knieval – b. vogels

onder de straat van gisteren
ademt een holle kreet
gekraakt tot op het been

de pijn is voos maar de
stenen zijn hardvochtig

god vindt het niet erg dat ik af en toe een blik linzen van mijn moeder steel – delphine lecompte

Mijn muze is verkouden
Hij werkt niet op mijn zenuwen vandaag
Gisteren mocht ik voordragen in de Wolstraat
Wanneer ik wol schrijf denk je aan een schaap
Sommigen denken na schaap aan slaap.

Maar de meeste mensen denken aan wolf
Een wolf in schapenvacht
Of een wolf met stenen in zijn maag
Vroeger was ik schaapachtig
Toen ik werkte in de zuivelafdeling
Van een supermarkt was ik mak.

’s Nachts dronk ik rum in mijn douchecel
Ik belde vaak een zwarte engel op
Wanneer hij opnam was hij streng
Genoeg om de stiefvader te zijn
Die ik gelukkig nooit gekregen heb.

De stiefvader die ik gekregen heb
Had een zwakke kin en een Proust-fixatie
Het was onschuldig maar terneerdrukkend
Nooit gingen we in het weekend naar een pretpark
Om onobscene kabouters te fotograferen.

Mijn muze is ziek
Morgen is het voorbij
Dan pluk ik bloemen voor hem
Ik ben geen kleuter en
Mijn vader heeft mij nooit geslaan.

herinnering aan een verloren bos – jos van daanen

Ik mis de lach van de katanflaat
het gepiep van de vlop en het
minutenlange kloppen van de
roodgestreepte vromerwiep

vroeger was het grandulomeer
nog zuiver en vrij van spet, of
molodontale algenmestborij
onder het marmeren oppervlak

hard zijn nu de stenen die ik uit
en de woorden die ik pleng bij
de blik op de afgegraven grond
die boven blauwe luchten hangt

wat is verloren, komt niet in tweevoud
weer, noch in vreugde of geluk over
wat verworven is in wanhoop, en
dromen van chaos in de ochtend.

doodlopende weg – hanny van alphen

wanneer ik weer eens over akkers stap
door brede voren ga, zo diep bevroren
de kraaien zie daar op de torenkap
hun jassen zwart, ze lijken hier te horen

en winter weer zijn glazen offers schenkt
aan sloot en vaart waar reigers onverdroten
ondanks het stille wit van dood die wenkt
nog zweven tussen hoop en niet geschoten

besef ik, deze streek verdraagt geen duiven
waar kind en vrind gelijk de tijd gevlogen
zijn, alsmaar verder weg van lege ruiven
de draad gebroken is, het pad verbogen

naar oude ogen die nimmer meer wenen
om namen neergelegd in sleetse stenen

te gek voor woorden – hanny van alphen

I
 
aan de stalen tafel
schrijft hij zijn annalen
zijn pen gevuld met vitriool
de data en de namen
de onbekwame, de gegeselde
en de gek

hij haat hen, ze kennen zijn gebrek
vanuit het raam ziet hij
de rozentuin, de rotsen en
het getraliede hek

zijn hoofd staat niet naar strepen
die schuinweg de tegels delen
licht en donker
hij tekent het op

schaduwen die verder schuiven
versnipperen het denken aan
vrije vlucht, zijn borst gaat op en neer
adem kent geen tucht

in zijn hoofd breekt een ijzer
de klamme muren
waar een woeste zee
krijsend op de rotsen slaat
schreeuwt hij zich een meeuw
de onbekwame, de gegeselde
en de gek schreeuwen mee
 
 
II
 
hij tekent vogels, knipt ze uit
ziet ze vliegen
over het hek van de dam
en laat ze landen aan het stalraam
waar alweer een zomer nadert

hij ziet zichzelf, een broekie nog
met bibberbenen, hij hoort
het vegen van de wilg, onophoudelijk
getik van regen op het golfplaten dak
klompen op de stenen komen dichterbij

hij was niet gek, het waren de ogen
van de opgezette fazant
ze keken hem priemend aan, hij heeft ze
uitgestoken met een aardappelmes
ja, dat heeft hij gedaan,

vloekend vliegt hij op
tegen de onbekwame, de gegeselde en de gek
een vogelteken
verwijderd van zijn laatste zomer
sluiten zij het stalen hek
 
 
III
 
hij pakt zijn jas
en naait een binnenzak, ja hij is handig
met naald en draad
de kleur is verkeerd, het had bruin moeten zijn
karmozijnrood is voor priesters
en hoerenhuizen

regen, alweer die regen
het getik maakt hem gek
hij denkt aan Romana
zij hield van hem, hij zoekt een foto
hoort weer haar stem
mañana mañana
waarom verdomme gingen morgen en de dood
aan de haal met haar

verbeten
naait hij steek voor steek
de foto in zijn binnenzak
de onbekwame, de gegeselde en de gek
maken ambras, goed zo
hij wil niet dat ze zien
wat hij heeft opgesloten in zijn jas

ijstijd – hanny van alphen

de stenen tafel is niet meer, erosie
heeft de tekens weggepoetst

een god is iemand die zichzelf doceert

de mens, hij weegt niet meer
of minder dan zijn uitgekauwde ik

dan strootjes met zijn nageslacht,
dat diepgevroren wacht
en wacht

ergens gooit – martin m aart de jong

een vrouw stenen door het raam. Scherven breken de liefde.
Geluk ligt voor het oprapen. Ik kende haar, wist hoe ze heette
hoe haar vingers mijn haar, hoe haar lippen mijn naam.

Nu schreeuwt ze dat ze hem nooit meer wil zien.
Ik kan haar geen ongelijk geven in dit geval.
Ik had het al voorspeld. Met alle geweld zou
hij haar weer terug. Nu dit. Het gaat zoals
het gaat. Er vallen gaten in het leven.
Het moet beschreven worden allemaal
de vraag alleen: wie gaat het doen?
Ik niet, heb ik besloten. Ik hou het
voor gezien, geef mij maar liefde.

heuvelrug: zoutheuvel – pietersz van calumburgh

Hardvochtige vrouw, spreek nog eens zacht
over de kinderen in je handen en de avonden
dat je stenen gooide in de zee. Hoe de hekken

om je pijnboomtuin open gingen en de gekken
stopten met spreken. Toen jouw binnensmonds
gefluister mompelde naar hun. Leeg

de houten huizen. Niemand heeft gewacht.
Het dak weggeslagen boven afgekloven stenen.
Opgesloten vrienden verhangen hun jassen
aan scheefgezakte deuren.

schaakbord – frido welker

torens staan op plekken waar ze niet verdedigen
ze vallen ook niet aan
de pionnen zijn al verloren
de koning staat alleen
tegen zijn koningin aangeschurkt
alsof er nog liefde is
maar deze levert niets op
net als cultuur
dus wordt er geschoven alsof er niets hoeft over te blijven
alsof de rekening alleen maar nul hoeft te zijn

cultuur het enige wat ons geen dier maakt
cultuur verkocht
want anders levert ze volgens de paarden niks op

de lopers gaan achter de paarden aan
de rekening hoeft alleen maar nul te zijn
alleen maar niks
helemaal niets om te zijn
meer dan instinct

verloren schaakbord
alleen nog maar hout en schimmels en gebroken stenen

absoluut en ik – peter van galen

Er zijn dagen dat alles zich overgeeft
dat de wandelaars trots de zee in gaan
de koeien stil naar de bliksem kijken

dagen die niets te raden laten
zeker weten de aarde draait
zonder twijfel de stenen rollen
absoluut en ik ben hier

driemaal om de dood te lopen
lachend bij een boom te staan
met gouden munten in je hand
ogen uitgestoken

ik hoor een lied dat gaat
dit is de allernieuwste dag
het eeuwige seizoen

en dan plotseling
een droom.

waar kind was – kate s. kuipers

hangen stoelen met poten omhoog
op het tafelblad. zeven om precies te zijn
voor de stoelendans is dat een te veel
of om zakdoekjes op te leggen

schudden eiken hun schaduwen af
schrijven wortels zinnigheden
in diepe gaten liggen brieven dichtgeplakt
met natte wangen

rusten letters op onbegonnen stenen
zitten weer de laatsten gebeiteld
vooraan of het steeds maar de vraag is
wie er deze keer is blijft hangen

verstomt de aarde

loopt nacht door zwarte dagen
wil rouw haar randen onder nagels laten
zo, zonder hebben en houwen
is er iets

leger dan de klonterende stilte na
het snateren van opvliegende eenden

of

het geruststellend spijkeren van houten wallen
om gaten in de wolken
waaruit het licht begint te regenen

onbewoonbaar – kate s. kuipers

buiten
is dit huis nu onbewoonbaar
verklaard, ik herken het niet

eens, de ramen die blauwe luchten
door buiken zuchtten, hun
luiken zijn gesloten

er doorheen kieren
gespleten haarpunten
krult de wingerd de stenen om
die muren splijt en pannen dunt

hoor de mossen woekeren
grijs en geel zijn ze
met veel en kanten vallen
scheuren rafelend langs

voegen buigen niet langer
naar muren die neigen
naar de grond

binnen is alleen de zolder nog
hetzelfde gebleven

bloed en stenen – hanny van alphen

ergens zal alsem zich een weg banen
in ondergrondse stromen, vertakte aders
van holle bomen onder de Linden
of misschien wel naar het Leidseplein

zal het vloeien langs muren van de metro
terloops ontspringen uit een rugtas,
voert het langs een draad onder rokken
van ingelijfde of onderdrukte vrouwen

ligt de oorsprong soms aan ieders voeten
ooit gezet tegen beter weten
op het pad van bloedende stenen
kruislings geslagen in pulver en as

lege kamer – wijnand raben

Vader achter de stenen
liggen daar de sigaretten
kloppen de nummers op het huis
dat door een dichter was beschreven

Aan de oever zat je vaak
de zomer uit het water te hengelen
verpakte haar in krantenpapier
om daarna bij je kinderen te leggen

Je kwam en ging
metselde het muurtje hoger
en las de woorden die in de lege kamer
werden achtergelaten

verbouwing (stenen maken de Man) – sunshine tenochtithlan

Wikkelwegen [III]

„Tegen het verbouwen aan bekruipt mij steevast de idee van
paleisrevolutie. Mijn oog scheert langs vlakken en steunberen,
over hout- en penverbindingen. Ik bedenk ter plekke een nieuwe
formulering voor de Platonische lichamen. Ik weet haast zeker
dat men daarbij iets over het hoofd gezien moet hebben. Omdat
ik het verbouwen eigenhandig doe heb ik alle elementen helemaal
zelf in de hand. Dat geldt ook voor de behulpzame hints die mij
mededeelzaam worden toegeworpen van over de heg. Burengerucht.
De herinnering aan mijn vader spoort mij aan tot nog groter
ijver. Het werken in breuken en stofnesten is vanzelfsprekend
aan de volgende generatie voorbehouden. Wat op papier staat,
met die wetten bouwen, laat zich evenwel schijnbaar nogal eens
in de luren leggen doordat bij de uitwerking blijkt dat, ondanks
het vérgaand voorbereidend schrijven, alsnog nieuw gevonden
onvolkomenheden reden zouden kunnen vormen tot wijziging van
het geplande. Toch blijf ik erin geloven, net zoals mijn vader deed
en al de vaders vóór hem dat ook deden. Vanavond stormt het, zegt
volkomen overbodig de weersverwachting. Ik leg mij op de stenen
tafelen toe; eet genadebrood.”

de huid vertelt genoeg – delphine lecompte

De schilders en de zieken zoeken
boodschappen van hoop in mij
een knaagdier verdwijnt in mijn linkerpijp en
bevrucht mij zonder schriftelijke toestemming.

Fragmenten van de persoon die
ik probeerde te zijn dragen nu
de mosgroene kleren van dode caissières
de stenen rond mijn nek wegen te licht
om de wolf te verdrinken is grover geschut nodig.

De stenen zijn zo zwaar
ik zijg neer en kom op adem
hij legt een verbrand boek op mijn schoot
het boek bevat hartritmestoornissen en
we lachen om hun futiele duidelijkheid.