blanco – bob elias

De morgenzon strooit
fonkelend stof in de baan
van mijn longen. Ik blader
door de waan van de dag.
Niets beklijft vandaag
blijft alles vloeibaar naakt.
Onbeschreven vouw je mij
in een envelop fluister je
een adres in mijn oor
dat niet bestaat.

kleine fuga – kees klok

Contrapunten verpakt in een spel
dat eerder licht en kleur

dan keurslijf doet vermoeden
net van onderhuidse zenuwdraden

leidend naar oor en oog van
dove en blinde gelovigen

in aanbidding voor wat verondersteld
maar nooit ervaren werd

ontstaan uit onverklaarde genialiteit
breekbare, onzegbare schoonheid

op het vel voelbare resonantie
van een wegstervend slotakkoord.

luisterend oor – bennie spekken

gezellig
met z’n tweetjes
bijkletsen

dat wil zeggen
zij praat
jij staart

het vuur knettert
in de open haard

de liefdesgeschiedenis
van een vrouw

en een man
op straat

die moord
en brand schreeuwt

miss montreal – maaike klaster

Ja, je kunt wel zingen schat, maar hebt voor jouw medezangers, -mensen
bijzonder weinig oog of oor, waardering of aandacht, zoals wij dat noemen.

In de krant stond een interview met jou waarin jij koelbloedig van jouw
hoge toren blies, als een ijskoningin op haar troon gezeten. Nou ja, een
klapstoel was het. Met welke bedoeling? Om ons te laten weten dat jij
zo’n zeldzame kunstenaar, een bijzonder bekwame artiest met een kut bent?
Wel ja! Misschien ben je op zoek naar een vader, een papa. Dat zijn er wel
meer. Zonder vader verder leven is geen verdienste, maar een gegeven.
Daar win je geen zieltjes mee. Jij wel? Prima. Bedenk dan in ieder geval
dat de mannen die jij uitkiest om jou Groot en Heel Belangrijk te maken,
je kent ze wel, eigenlijk op minderjarige meisjes geilen. Wie ben jij?

“Ik ken (bijna) geen vrouwen die iets kunnen.” was wat jij in dat interview
zei. Goh. Ik ben een vrouw en ik kan een pen vasthouden en deze alfabetische
taal op papier zetten; ik kan op mijn knieën een man zitten pijpen – of ik dat
goed kan, is niet aan mij; ik kan mijn eigen reet afvegen. Wat kun jij? O ja,
zingen, dat was het. Nee hoor, lieverd, ik vind jou niet zielig en je hebt niet
heel veel meegemaakt vergeleken bij andere mensen. Wij maken allemaal
vanaf het moment dat die ene eicel zich door de zaadcel van haar keuze met
liefde heeft laten penetreren heel veel mee. Of wij bereid zijn dat ten volste te
beleven, is in wezen het enige wat telt.

Ik weet het, schat, jij zat al heel vaak bij Matthijs van Nieuwkerk aan tafel en
hij kan het weten! Wat heb ik te vertellen? Niemand kent mij! Maar ik ken
Matthijs van vroeger, toen ik niet bij hem, maar hij bij ons thuis regelmatig
over tafel ging, als de protegé van mijn vader, die chef van de kunstredactie
was bij dezelfde krant waarin jij alle vrouwen uit jouw omgeving en ver
daarbuiten, behalve jouzelf en jouw moeder misschien, triomfantelijk onder
hebt zitten kakken. Die vader van mij had vaak het hoogste woord, net als jij,
maar hij kon schrijven, leerde Matthijs het journalistenvak, vertelde ons
‘s avonds verhalen over zichzelf en zijn collega’s, ook over Matthijs, die hoorde
erbij, daar aan die Amsterdamse tafel in het hart van de Bijlmer. Juist, daar
woonden wij en zo kwam Matthijs ‘s avonds voorbij. Volgens mij heeft de beste
man nog eens tijdens een huisfeest van mijn ouders met smaak staan smikkelen
van een lekker gevuld eitje dat ik als negenjarige klaar had staan maken.
Vroeger hoorde Matthijs bij mijn vader, in mijn beleving als kind. Nu niet meer.

Toen mijn vader stierf, deze maand achttien jaar geleden, sprak Matthijs op de
begrafenis. Hij vertelde over de vriendschap die zij hadden als collega’s, over
die lange vader van mij met dat belachelijk kleine, plastic koffertje dat hij
gekregen had van mijn Zeeuwse oom die veearts was, waar medicijnen in
bewaard werden voordat mijn vader het een nieuwe functie gaf. Mooi vak,
veearts. Mooi landschap ook, daar in Zeeland. Mijn vader dus, die zelf met een
ziekte leefde, maar daar nooit over schreef. Een ziekte die schijnbaar ook in mij
huisde en waar ik als negentienjarige in mijn eentje mee achterbleef nadat ik
samen met met mijn broer, zusje en wat ooms van mij de kist met het lichaam
van mijn vader, in gedachten op hem scheldend, over een natgeregend
begraafplaatspad, onder een blauwe lucht met felle zon en witte wolken naar
zijn winterse graf heb gedragen. Wat waren hij en die die klote kist zwaar! Hij
had zichzelf moeten dragen, daarom schold ik zo op hem; niet omdat ik hem
mijn liefde wilde onthouden. Hij was weg, maar die ziekte bleef en ik dacht nooit
meer verder te kunnen leven. Volgens mij heb ik hem een klootzak genoemd.
Schelden op iemand die je lief, maar die dood is, terwijl je diens loodzware lijk
voortsleept, ken je dat? Kun jij dat? Ik deed het. Zet er maar bij, op mijn lijstje.

Bij die tafel waar het allemaal om draait hoef ik dus niet aan te schuiven.
Uiteindelijk schuiven ze allemaal aan bij mij en kom ik zelf veel meer te weten.
Over welke artiest een kleine piemel heeft bijvoorbeeld. Iets wat je als achtjarige
niet al hoort te weten, maar ik wist het. Dat werd mij verteld tijdens het eten.

Hoe mijn vader dan wel niet heette? Ga dat maar aan Matthijs van Nieuwkerk
vragen. Er was een tijd dat ik hem papa noemde.

* – serpil karisli

Words, words, words
Een boel weze letters
Zinnen maken is betekenisloos
Iedere taal mij vreemd
Een schip dat strandt in de golven
Voordat hij de haven bereikt
Een verlaten stad
Een verbannen pen
Is taal

Had ik maar niet de beperking van vertellen
Dan zou ik je bereiken met kleuren
Ik zou licht zijn en jouw huid strelen
En verhalen verbeelden in de lucht
Rennend in een wind
Zou ik jou aanraken
Een nacht zou ik zijn
Soms een maan zo nu en dan een ster

Was er maar geen afstand
Dan zou ik smelten in je huid
En vrijen met je geur
Ik zou een stem zijn
Een fluistering in je oor

treinmeisje – dani nacca

Bramen,
eerste gedachte:
pijnboompit

beklim je draden,
vertel het door aan je kinderen
vraag het aan je ouders
het is allemaal niet zo groots
als je denkt, want wat verwachtten
mensen nou van iemand die niet
in een bed durft te slapen.

in je eigen ik is de wereld klein,
voorbij het huis op de rails.
Want voor iemand die niet in
een bed slaapt kleurt je stroming
toch beter dan ik ooit heb gezien
groen, paars, geel, zwart, wit,
waar haal je het vandaan?
misschien omdat de zon schijnt,
misschien omdat je niet kunt lachen.

Oor tot oor, een schok van je hersenen
naar je tenen, niemand verwacht je ooit
in het winterkoor zonder stem.

druk de lucht zachtjes weg,
voordat ik in slaap val, en
je bent weg.

vertaald – b. vogels

jouw ogen zijn mijn handvatten
vul ze met betekenis
in het ijle wit lijkt alles kil

jouw handen trillen in mijn oor
ledig ze tot diepe stilte
teken zinnig in het licht
met vingers uit een ver verleden

ik hoef niets meer te benoemen
woorden zijn nog enkel spatten
geboren uit een levensbel

soulsista – maaike klaster

Voor Anouk

Anouk, hoe doe je het toch, door een voltallig dameshockeyteam
in elkaar geslagen worden en dan tevreden lachend weer opstaan?
Niemand kan zeggen dat jij niet lief bent, niet zolang ook ik dit
kleine kut-kut-kikkerland bewoon en ik vrijwel dagelijks in de
haatvragende ogen moet kijken van al die loederpoesjes die thuis
blijkbaar niet aan hun trekken komen. Wij weten allemaal wie hier de
Bitch is – niet ik en ook jij niet. Mensen die beweren dat jij na zoveel
verneukerijen misschien toch niet zo slecht bent als wij allemaal
dachten, hebben zelf te vaak in de spiegel van de duivel lopen loeren.

Als ik jou in die ene video met jouw kinderen cakejes eten zie, kan ik
enkel denken: ik hoop dat ik straks ook zo’n goede moeder ben, want
jij bent een zoeterd, een lieverd, een Swiet Moffo voor jouw kinderen.
Een schoonheid ben je ook, maar veel mooier naturel, zonder de
fratsen van een man met losse handjes en een donzen poederkwast.

Op de radio hoor ik jou zeggen dat die vakantie naar Frankrijk vorig
jaar voor de kinderen en niet voor jou was bedoeld, maar daar geloof
ik niets van. Jij mist een man, en terecht! Tot nu toe waren het
schooljongens in veel te grote maatpakken met, helaas voor hen, een
vrouw aan hun zijde die hen in alles overtrof. De volgende keer gun ik
jou een man met een flinke pik, een hart dat klopt en jullie kinderen er
omheen, niet tussen jullie in. De volgende keer gun ik jou een gezin.

Tot die tijd mag jij wat mij betreft zo vaak je kunt met de billen bloot al
het rode kant van de wereld aan die moederhoeren laten zien, zodat zij
voor eens en voor altijd zullen weten wie met liefde schijt heeft aan wie;
wie met recht een gouden keel en al die shitnoteringen verdiende.
Dat ben jij, tot het eind der tijden, en wij zijn er allemaal bij.

Laat bijna blote, lieflijk fluitende tienermeisjes zich nu maar over die
giebelende, met iedereen bevriende dj’s ontfermen. Die diskjockeys die
niets liever willen dan zich, liggend op hun rug, met hun handen in de
nek en een aangenaam kriebelende geitenwollensok over hun ietsie pietsie
kleine piemel geschoven, door zeventienjarige, in krappe, katoenen slipjes
gehulde internetfans met een verwarmende, gouden regen onder te laten
sproeien, om zich vervolgens druppeltje voor druppeltje in hun giecheltje
te laten piesen. Daar hoeven wij niets voor te doen, zij graven publiekelijk
hun eigen graf. Er zijn prostituees die er meer van weten. Net als zovelen,
want die dj’s vertellen het zelf op tv.

De rest van de wereld heeft jouw stem allang gehoord. Het enige wat jij hoeft
te doen, is de deur van die loden kooi open te gooien en al zingend weg te
vliegen. Jouw New York is klaar voor. Sterker nog, daar was jij al! Laat het
ons nou ook maar horen en rauwer dan ooit tevoren. Wij zijn één en al oor.

verhalen van derde etage – maaike klaster

1.

De geur van pizza in de vooravond,
God die naar me lacht.
Hoe kan ik al die mensen bedanken
die mijn hart in dat van hen bewaarden
toen het de stank van Satan was
die door de deur van mijn oven kroop?
Ik houd ze in mijn eigen hart en
wieg ze als een pasgeboren baby,
denk aan borsten vol met goede moedermelk
als ik de gesmolten mozzarella eet,
leef nog steeds.
 
 
2.

Ook al is dit een leren bank
in een kamer van een woning
op de derde etage, en heb ik
aarde onder mijn nagels,
ik zou zweren dat hier een zee
zat, dat al het zoute water dat
ik ooit zag, de Middellandse zee
vanaf de achterbank, in golven
over mijn lippen zou stromen
als ik mijn mond nu open deed.
Daarom schrijf ik het.
 
 

3.

CONCHITA

Misschien ben ik een schelp
en zing ik zachte liedjes voor jou
die alleen jij kunt horen
wanneer jij mij tegen jouw oor aanhoudt.
Luister maar. Daar ga ik al.

muziek taal – elize augustinus

het oor
draait
naar ‘t hart
fladdert
in muziek
vanwaar
de uitleg
in liefde
taal
geschreven
staat

er zij vrouw – bob elias

Op een dag besluit God
Adam een botje te ontfutselen.

Hij lanceert een vrouwenlijn.
-

In een droom ga ik vreemd met je zus.
Venijnig vreet je de rozen. Ogen

als boze bijen honingloos.
Aan de lijn zweep je vileine

woorden in een bloedend oor.
Te leven leek simpel

toen mijn moeder onvruchtbaar was.

een sjekkie achter z’n oor – hanny van alphen

gisteren zag ik de groene ogen
van mijn moeder weer, nog altijd
onbewogen achter glas
dat elk moment kon barsten

ze rook naar gekookte was
het moet maandag zijn geweest
vader keek naar haar gezicht, strak
als de lijnen op het bleekveld

moeder zei dat hij op moest schieten
werk gaat voor, kom, was uitwringen
haar wijzende vinger blind gezien
greep hij de tang en draaide door

onkenbaar – mark opfer

Dingen moet je vaker ondergaan.
Men noemt dat ouder worden.
Ik zeg rioolpijp
want dingen zie je nooit een tweede keer.
Dit is een leugen.

Geen enkel oor zit zonder antwoord.
Zandwoord.
Bij de haven staan meccano paarden
te wachten op het voer van legoblokken.
Dat is minder kinderachtig dan het lijkt.
Krachtig.
Brugwachters steken hun lans omhoog.
Hier hoeft geen tol betaald.
Althans, niet fysiek.

* – maaike klaster

Hij zegt dat hij weet wat echte liefde
is: nooit kwaad zijn op elkaar, maar
altijd bij jezelf te raden gaan
waarom. Waarom, waarom, waarom?
Hij wil dat ik mijn oor aan zijn
borst te luister leg. Hij legt zijn hoofd
in handen van een man die altijd
lacht. Het regent donderstenen.
Het regent donderstenen in mijn hart.

geheugen – menno wieringa

Via zijn rechter oor stapte hij
zijn hoofd binnen
schemering
een lange gang met deuren
limbische gebieden stond er op één daarvan

het stormt als de stoet aankomt bij Moskowa
de auto’s rijden achterom waar we
uit moeten stappen
ineens besef ik dat ik nu
de oudste ben van de familie

dovemansoren – elize augustinus

Ik zal niet
meer speken
beschrijf mijn
schaduwen al tesaam

ik ben oor
ik was ongerust
vol mededogen
over jou, en wie
allemaal nog meer
rode steden

zilt van me tranen
ik verdrink mogen
woorden in de
krop van me keel
blijven hangen

niet te vangen
aan te raken noch
vlam kan ‘t vatten
gescheurde vodden

wie de wereldmantel
om me heengeslagen
heb ik afgeworpen

buiten mezelf niet te zingen.

nachtblind – hans mellendijk

‘Het is hier zoo gansch en al dat ik mooi
vind dat wil zeggen ’t is hier vrede!’
                                                                                                      
                                              [Vincent van Gogh]

Vincent liet er zijn oren naar hangen
schilderde er de armoe die in het vuur
verdween voor hen die warmte verlangen.
De olieverfschittering voor langere duur.

Drenthe zelf is nu heel groot liggend oor
een luisterende schelp, op sterrenkuur
die pikdonkere nacht boven heide verloor
en ook ik die daar in de verte tuur.

analyseren – elize augustinus

Naast mij staan
twee stoelen
met mooie namen

filosoof en
psycholoog, ik
zit er tussen in ,om
te schrijven,

niet te
verzwijgen wat
er om ons
heen gebeurt

Die met de hoge
leuning is van
Zwarte Leer, en

kan draaien, En
draaien, stof
doen opwaaien,

parasieten
in
je oor

huismijt
in
je keel

Het rode
pluche,
wortelnotenhout
gaat de stofzuigen,

En afstoffen; is
ook een kunst
denk ik nog, of

IK dat denk.

je kunt maar beter te voorzichtig zijn – martin m aart de jong

De regels volgen met je vingers, een grap afstoffen en die op het plein voor ieder oor te luisteren leggen. Je kunt maar beter niet te moeilijk doen of het zo doen dat het acrobatiek is voor gevorderden en de mensen klappen
hun handen stuk, want knap zijn is niet voor iedereen. De mooiste meisjes
schrijven weliswaar bij voorbaat al poëzie maar niet met hun vingers
het zijn lippen die lispelen,
het zijn heupen die dansen
op de maat van strakke verzen
met volle borsten ze geven je
romige liefde en sappig fruit
vol vitamines en mineralen
versterkende eiwitten ze geven
het goede van moeder natuur.

stilte – inge boulonois

Vooraf gaat tegenspraak: gekraak
van het plafond, geblaf, volhardend
getik van een vlieg tegen het raam,
pc-blieps. Dan de klank van niets.

Een witte vaas, geopende handen,
krant gevouwen op tafel, stoelen
in een waaier. Geen speld valt.

Alsof je oor, je oog de ruimte zelf
betrapt. Gedachten leggen zich
als zachte kussens neer. Het licht

trilt als een leesteken in een verhaal
dat alleen uit tegendelen bestaat:
het blijvende en weer voorbije van hier
en nu. En hoor: de koelkast slaat aan -

ééngesprek – gerda blees

Hallo daar, schrijf ik
op de lege koffiebeker.
Ik zet hem aan mijn oor
en de zee ruist terug.

Maar of je dat een antwoord mag noemen?

nacht – raf geusens

ik heb je woorden uitgeblazen
en zacht je ogen dichtgeplooid
nu kleed ik uit jouw tere huid
terwijl mijn blik er licht op gooit

mijn oor heeft zoet geruis gevoeld
de vleugels van mijn neus zijn stil
ik zie jouw handen geurig woelen
en wat jij denkt is wat ik wil

de mooie dochter van de apotheker wil met mij spelen – delphine lecompte

En ik met haar
Al jaren droom ik van haar vader
Ik kwam hem tegen in haar tekeningen
Ze nodigde mij nooit uit
Maar gisteren won ik een verhalenwedstrijd en
Vandaag heeft ze mij op het matje geroepen.

Ze heeft een schema opgesteld
Om 14u moet ik op de drempel staan
Verkleed als de domste van de drie biggen
Om 15u zal ik opgepeuzeld zijn
Daarna is er frambozentaart en stiekeme trappist
Ruiken aan haar vlechten en het rukken aan de wimpers van
Het nieuwe nest, misschien een puppymoord
Om 18u moet ik naar huis met een ballon en een foto van haar nieuwe fiets.

Dan is het zover
Ik verwacht een gesloten deur en
Misprijzen achter kogelvrij glas
Maar haar vader opent de deur
Hij is kleiner dan zijn personage in haar tekeningen
In haar tekeningen is hij even groot als de Eiffeltoren
Hij zegt dat ze in haar slaapkamer op mij wacht
Zijn linkervoet schrijft een postcode in het dikke tapijt.

We doen alles omgekeerd
Eerst worden we dronken
Daarna proppen we een lolsmurf in een oude teckel
We kijken naar het weerbericht en wachten op zijn ontlasting
Ze praat over een kerstfeest in Canada
Ik ruik niet aan haar vlechten
Ze draagt een paardenstaart die neutraal is en
Witte jeans met plekken op de knieën van het bidden
Voor een god die de mijne niet is om de dood van een dicht familielid
Op geen enkel moment zijn we biggen
Wanneer ik het huis verlaat geeft ze mij een kus op mijn oor.

sprookje – eelke van es

In een groezelig groen bos
liep ik eens rond te dwalen.
Op het gifgroene mos
lag een prinses te smalen.
 
Ik gromde in haar oor
dat ze een meisje was.
Ze ging mij daarop voor
naar een paleis van glas.
 
Daar sloeg ik alle muren in,
ik sprak haar stralend aan,
Hiernamaals ben je mijn vriendin,
kom dichter bij me staan.
 
Het bloed stond in de ramen,
we waren eindelijk samen.