voor wie het is geschreven – maaike klaster

Er is een tweede maan bijgekomen.
Nu huil ik tranen met tuiten.

Dat doet de maan soms,
water laten stromen.

Als ik jou nu in mijn armen had,
dan zou ik je laten weten hoeveel ik
van je houd. Kom gauw langs,

ik mis je zo.
Volgens mij kunnen wij veel mooier
en veel completer, speelsers onszelf
aan elkaar laten zien als wij eindelijk
ophielden met net te doen alsof
wij voor de ander niet bestaan.

Heb jij mij verstaan? Ik vraag het maar.

Ook dit heb ik in alle haast geschreven,
want ik word er moe van iedere dag
in mijn eentje op te staan. Nu jij nog,
lieveling, word je wakker uit onze
gezamenlijke dromen of blijf je
voor altijd in de mijne slapen?

Haast je. Ik vraag het je.

perceptie – dani nacca

Ik ben mijn tong verloren,
na hem te hebben besproeit
met hemelsstoffen

vage herinneringen aan
een wereld zonder hen,
zonder aarde

Het bos klampt zich aan mij vast
Geuren lokken kleuren, houden.
Reigers loeien stoutmoedig in
de hoop door te dringen,
mijn hersenpan, ze wikken hem
open met grote snavels, maar
de pot is leeg.

Later was niet langer van toepassing,
wanneer we onszelf terugvonden
in het dakloze huis aan de waterkant.

verhalen van de aarde – maaike klaster

1.

Ze gooien vliegtuigen op ons neer
om ons te beroven van een jeugd die we toch al niet meer hadden,
noemen het een Bijlmerramp, maar wij weten wel beter.
Moeder Aarde staat om de hoek te lachen
als wij bloemen aan de voet van onze dode voorvaderen leggen,
huilen om de kinderen die we nooit hebben leren kennen.

De kransen zijn zwart, maar als het tranen regent, kleuren wij
hun wereld net zo paars als wij zelf altijd de wereld
met bloemen bezaaid hadden willen zien,

en wij laten onze moeders achter
vinden ergens op aarde ons eigen graf,

leggen ons neer, tillen vliegtuigonderdelen terug in de lucht,
zwaaien onszelf, elkaar, de wereld uit,
brengen de black box naar huis.
 
 
2.

Moeder Aarde fluit ons terug naar huis,
bewaart vogeleieren in haar buik,
maakt een sprongetje dat je met het blote oog
net wel, net niet kunt zien.
De metro brengt ons thuis,

verandert niets aan ons perspectief.
Bomen leren ons één ding, dat bewegen leven is,
staan voor altijd stil,

om ons met zacht geritsel aan een eindeloze, lome zomer
en nog hoorbare kinderstemmen te herinneren.

We vinden ons terug in het blad en de stam,
staan levenloos te bloeden, roteren om onze eigen as,
zoeken naar die laatste pijl van dat eerste spelletje
spoorzoeken.

* – benne

Je plakt tegen mijn verhemelte,
hoger laat je je niet prijzen

mijn gevallen engel met bengels
die me wijzen op je hoogtevrees.

Piemels houden mij eronder,
zonder pik voor mij geen porn;

zulk een vormvaste hoornprik
maakt van mij voor jou geen vrijer

of mans genoeg om het zonder s
en gespleten tong te stellen.

Ik tel af van één tot tien
waarna wij van elkaar niet weten

voor wij onszelf leren kennen
van afgehakte staart tot kop

en al heersen wij al eeuwen,
jij bent mij een hemel waard.