groepsfoto – c.p. vincentius

We zopen vooraf de enige kroeg leeg
en liepen in bedauwde uren
onze allereigenste marathon in allengs
soepeler schrede en steeds
toenemende regen, hagel en tegenwind.

Na drie uur draf en vlak voor het hoera
en de hoempa van de finishlijn
waren de schedels vol van helder besef;
het nu kreeg waarde en telde,
zo bleek de volgende morgen ons eerst.

Vervolgens wisten de koppen op de foto
elke twijfel en elke angst weg,
al kwam eenzaamheid amper ten tafel.

Het bestaan bleef immers voortbestaan,
zolang anderen het kiekje zagen
en koppen vol zweet wilden herkennen.

reservetijd – janine jongsma

en als je mij hebt doorgrond,
weet dat er daarna niets meer komt
wat jou nog verbazen zal in mij

jij mijn restwaarde afschrijft
waar ik liefheb in ons trouwboekje
geen beroering meer voelt

aan de andere kant van ons bed
waar ik al jaren niet meer kom
je mij plichtmatig welterusten wenst

verval ik in het stilzwijgen van ons huwelijk
onder de noemer “houden van”
tot een obligate kus bij gelegenheden

was ik de vlekken uit je onderbroeken
stel ik louter retorische vragen
en serveer onopvallend je lievelingskost

om de aandacht voor die halfdode vrouw
in dit krankzinnige instituut
maar niet op mij te vestigen

clementine oranje – tibbes punt

Sinds de laatste schepen zijn vertrokken
is er geen houden meer aan.
Boeren hooien lieve lust
vrouwen spugen pap tot tafel.

Zag jij ze?
De kraaien pikken ogen
onder valse bodem stroomt het
langzaam starend met gewoon.

Te intens geboren
bloeden naar hartelust
wilde dansen met mijn draak.

Bij ons laatste avondmaal
niet anders
wijn zuipen we niet
plakkende hostie
gehemelte aan elkaar.

Hoe ik leefde voor de gladiolen ?
Scrotum van de buurt
stijft zich op
aan nog een psalm
tepels kost voor kosters ogen
blauwdruk jouw zak.
Orgel pruttelt beloftes
rollen peper tussen
munt in zak om preekgal
door te slikken.

Zwarte roos
van krans gehaald
niet alles is per slot van rekening
lelijk aan jou
en het moet toch ergens begonnen zijn?

We hebben
starende bergen gesplitst
veensap gedronken
fatalistisch imago geswunged.

Ik dronk jou ’s nachts
en jij teveel.

Je humeur
clementine
oranje.

Vaak likte je wonden
in mijn vuur.

Waaien is het beste
maar het verder
staart mij aan.

herfstdoorsnede – janine jongsma

Ik lig verstild in het grijze ochtendlicht
ons mooie overtrek toont slijtage
zojuist zag ik het najaar er voorgoed in vallen

Wij, enkel nog een doorsnede van de herfst
de zomers in ons zullen verjaren
steeds verder bladerend achteruit

Jij, die nog slaapt
in de zachte trekken van jouw gezicht
waarin de seizoenen sneller gaan dan ooit verwacht

Hoe kan ik onze zomers bewaren?
anders dan in mijn ontbladerde vel
aan jouw handen vragen mij nooit te laten gaan

Door je ogen dicht
de jaren terug te strelen
in de nerven van mijn huid

als was het op papier – erik-jan hummel

De laatste keer moet de eerste keer zijn
dat ik je voor ben, want al weet ik
dat je bestaat, je bent als was
je van papier en verlaten te worden
door papier

Voor sommige boeken voel ik veel en als ik aan ze denk
wil ik ze nooit kwijt, en het ene boek
dat verdween en ik laat
op een middag terugvond op het dak
zo doordrongen van vogelpoep en regenzand
dat ik het ondanks mezelf
niet verdragen kon en verbrandde

Dat ik stok, steeds voor het einde, omdat
ik het einde vrees dat ons
finaal zal beëindigen, en ik zie je,
ik ben haast te laat
met zeggen dat ik ga,
als was het papier
op.

het gedicht van o – maaike klaster

Voor Colin
 
 
Mijn zachtrode O
    zingt rondswingende roversliedjes.
Mijn O
    klinkt als scharlakenrood

en zeg je Sesam Opium,
    dan klapt ze langzaam open,
blozend.

Zo paait ze je met een keel van zijde,
    ademt ze falie uit.
Zo, Baba, zo mooi.

Als een dadel in je palm
    zacht tot de pit. Waar wacht je op?

Roffel als de kleine trom.
    Rimbom, Baba, rimbom bom bom.
Kom maar op met die trombone,

speel de toon van pimpernoot
    en doe het zonder handen. Ja,

raamkozijn omvat het oosten,
    toont ons purpergloren. Hoor.

Bolero dondert honingbliksem.
    Prismaspectrum!
En overal ozon. Ozon.

kostersvoordeel – marjon zomer

tijdens het avondmaal
was het de enige keer
dat we witbrood aten
de bakker leverde het brood
in hapklare blokjes aan

op glimmende schalen
stond het voorin de kerk
tot de dienst begon
onder witte doeken
zonder oud te worden

na de dienst stonden de schalen
bij ons boven op tafel
het overgebleven brood
propten we met handenvol
naar binnen

het lijden van jezus
en buikpijn op maandagmorgen
op die dagen werd
er bij ons thuis
niet veel gepoept

ik zal voor je dichten – lesley adriaansz

Voor M.

Ik zal voor je dichten,
omdat de wereld nieuw voor je is
en jij er nieuw in bent
en je ogen rond zijn van verwondering.
Mondjesmaat zuigen zich woorden tot zinnen,
zoals een baard in etappes een grimas raspt.
Ik zou opnieuw willen beginnen,
geloven in de tienduizend dingen.
Wat is er van die trotse gang
tussen hemel en aarde gebleven?
Ik moet gaan liggen om mijn fantasie te leven
in schuilplaats annex spookhuis.

Ik zal voor je dichten,
omdat ik de wereld niet verbeterd heb.
Hoewel wij toen bij uitstek
dat als geboorterecht
ons aanmaten, maar
wij overaten aan idealen,
nestelden in protesten
en vervolgden op oude voet.

Ik zal voor je dichten,
omdat het moment bedriegt;
ik je voortaan tevens zoals nu zie,
terwijl een spiegel links en rechts
maar niet de tijd omkeert.

contro-vers – maaike klaster

Controversieel ben ik niet, of juist wel?
Ik weet inmiddels niet meer wat dat woord betekent.
Mijn broeders in de strijd leerden mij de lessen die ik nodig had:
dat zwart en wit hetzelfde zijn, dat zij tezamen regenbogen maken,
dat wij overal thuis zijn, dat leven luisteren en dan in vertrouwen
handelen is, dat ik altijd al deed wat ik nu doe: dit bolletje dat wij Aarde
noemen in mijn armen nemen en ons allemaal in slaap wiegen, liedjes zingen
die mijn kleine broertje voor mij schreef, die hij zelf nog steeds melodisch
schreeuwt. On Stage. Want daar gebeurt het, daar spelen wij met God, Allah,
de Vader, Moeder, of hoe je Het ook wilt noemen, en dat mag je iedere dag
doen. Om die liefdevolle leider nog eens aan te halen: “Life’s work, lady!” -
en dit is wat ik zeker weet: ik werk hard, ik speel harder.

maalstroom – bert de kerpel

Als Pythagoras de aarde niet
bol had verklaard
kon ik nu misschien
lachend en bedaard
eraf stappen

bakken vol zorgen muilkorven
achterlaten voor nazaten
die mij met een ons geluk
niet achterna zouden zitten

ik zou m’n anker en m’n ego slaan
in Canada een beer verslaan
ter hoogte van Papoea Nieuw
Guidinges dan te water gaan

nu rest me slechts te rimpelen
in tijd onder te gaan.

nox voluptatis – bert de kerpel

Toen ik sliep had ik een boek vast,
zij mijn handen en ze vroeg of ik
met haar in de bladspiegel wou duiken
en het donders brakke water brak.

Trots in de verte torende de oever
maar twee goed gekozen woorden en
tussen haar dijen lokte ze een karper.
Zijn vinnen sneed ze tot vleugels.

We zijn aan wal van bil gegaan.
Onze tenen woelden het zand
tot hoopjes, onze tongen trilden
maar alle letters losten op.

Van zodra de wind de klinkers
verzameld had en wij, charmante
ketters, weer te water gingen,
begonnen planten te dansen,

twijgen te zingen en later,
toen de spiegel ons losliet
en de letters, ontvlamden we,
bronstig als belezen spetters.

precies – andré van der spek

volgens mij is er
weer ergens op ons halfrond
een groot stuwmeer bij

de tijd voelt
in ieder geval
anders dan gisteren

verdwijnpunt liefde – jos van daanen

Soms klink je als een losse deurkruk
en als dan pis ik op je woorden

of je ziet eruit als een afgesleten vloerdeel
dat zijn splinters in mijn voetzolen jaagt
tot ik je niet meer negeren kan en
je langs de ramen op de eerste wil verlaten.

Je dak lekt en de douche mengt zich aan
een stuk in ons gesprek, je sijpelt weg
in je eigen afvoer.

zon/maan – maaike klaster

Radioruis houdt me wakker en alert. Alarm in de vroege ochtend,
die ook een middag of zelfs een nacht had kunnen zijn. Maar wat is
het verschil? De zon schijnt altijd ergens. Recht in mijn gezicht, in
dit gedicht. Het vel papier weerkaatst zijn stralen zodat hij als onze
astronomische hemelvader aan mij laat weten dat hij niet is vergeten
hoe wij heten; de maan in zijn kielzog meeneemt. Hij schenkt haar
ons leven en zij lacht veel vaker dan jij dacht, want zonder die
weerkaatsing in de nacht zouden wij altijd zijn blijven slapen, nooit
in een mensenhuid zijn opgestaan. Vraag maar aan het water.

yperiet – jan theuninck

yperiet - jan theuninck

‘s avonds laat
vult een mist
de vallei
zonder te beseffen
verstikt hij ons
als een duistere macht
op de velden
liggen onze lijken
en onder het gras
een bruine aarde.

vang ons – kate schlingemann

Kom, trek jonge ogen aan
maak laarzen van je voeten
woel tenen door het natte zand

Licht zoeken we,
op het water
tussen vingers
uit het schuim
en bladeren

van ongeduld huilende wolven
we ruiken de maan zoals ze valt,
trappelen haar in glinsteringen

overdraagbaar – bob elias

dozen ontvouwen
de ruimte
forse handen sjouwen
ons leven
de deur uit
het huis keert binnenste
buiten

liefde in de dierentuin – michiel jongsma

We stonden in de dierentuin
‘We passen bij elkaar,’ zei ik verlegen
De zebra’s gaapten ons wat aan
Maar spraken mij niet tegen

fantast – barbara trienen

verwacht
je te verwachten
dat ik jouw verwacht
je in mijn bed bedacht
over denk en over schenk
proost ik op ons verlangen
woorden die mijn geweten niet ontvangen
in de stilte zeg ik jou
driemaal raden,

ik slaap vannacht naast jou

anemogaam – maaike klaster

Wanneer het middagvuur speels de slaap
uit verwaaide kamers wist, slist
daarginds ons steels gerucht.

Buren wieden, zien het niet, maar
lispels druipen naar hun grasveld af.
Glijden zoals slakken slijmen.

Hun spinsels kruipen naar mijn huid omhoog,
bewegen mee en blijven bij me.

De dag gaapt sleets.
Grond staat droog.
Er is geen wolkje aan de lucht.

De buren met hun hark en spade
spitten in de rulle aarde,
kijken op, verwachten water.

De wind neemt loof mee in zijn vlucht.

kentering – joost de jonge

Aan de woerd
Binnen een stelsel van versterkte wallen
Ligt een stuk hout aangemeerd
In de grond verzonken
Tot de natuur nimmer weergekeerd
Boven een droge slotgracht
Waarin het onkruid groen golvend omhoog grijpt

Twee oudgedienden stappen van plank tot plank
Zij lopen door de verbrokkelde muur
Toegang tot een oude veste
Vestibule waar, in stille beslotenheid
Onder de bladeren van een oude eik
De notabele slachtoffers van weleer
Dwalen in het oneindige van het menselijk geheugen

Na het voorgeborchte is er een open ruimte
Kanonskogels liggen hier grijs tussen groen
Het lijkt wel of ze daar zojuist zijn neergekomen
Zij verrinneweren nu geen muren meer
Het oude bolwerk ligt om ons heen
Paadjes tussen distels, brandnetels en kleurige veldbloemen
Lijden ons naar kerkers van die men ooit verdoemde

Wij dalen af met de burchttoren links van ons
Deze staat als een dolk in de grond
Een wond, waar struiken als bloed uitvloeien
Wij gaan door de boogstelling en lopen in
Een doortocht van smalle strepen muur tussen een blauwe lucht
De bannelingen die hier achter tralies zaten
Zijn vergeten kreten van menselijk leed

Nu beschermt hen slechts de wildgroei
De ban en zijn landzaten
Sidderen in broeierige aardkluiten
Waar het water en de wind een woestenij creëren
Is het dat zij nat van regen lamenteren
De gesloten tralies van weleer weigeren weerbarstig
Toegang tot een open domein
Samen blikken wij de ruimte in

daar is de schoorsteenveger – kate schlingemann

boven moet hij een pruik
van staal en wilde haren
naar onder laten vallen

om zwarte wolken in en
zonlicht uit ons huis te jagen
wat blijft

zijn zwarte kringen
rond ogen vuile vingers
onder roet

Het hele huis moet leeg
zo snel als het vergrijst. De eerst
nog witte muur
verwijst

naar ons
wij willen alles uitgeveegd

schemer – danique corman

opgetogen gebaar bezorgt plaats om geluk te beproeven
Het geweten gedeisd houden door verbeelding
tastbare activiteiten verzonden door het leven
wordt ons ontnomen door de zondes van ons zijn
Ervaringen gewogen, openstaande keuzes
hoge ogen gooien

wie – bob elias

altijd wacht de vraag
wie draagt ons aan de oever
van ons verdwijnen

laatbloei – jos van daanen

Ze werpen te snel hun muren op,
de voeders, de slaanders, meesters
in het bedwingen van de vrijheid
om niet bang te zijn, niet klein,

noch burgerlijk netjes, ontalig,
door god verlaten, te zijn, te stil
te leven, geen leven in coulissen
of silhouetten van schaduwen
van ons.

Laat komt zo de bloei, te klein
en naakt, te voorzien van dons
zoals het jonge blaadjes betaamt,
maar gebleekt uit het donker
van een herfstdecor.

de binnenstad – yvette rombouts

De binnenstad leeft altijd, slaapt nooit.
Daar roken jonge jongens in hun witte hemden, bovenop hun dak.
En er is altijd geld.

Daar wordt alleen gewerkt als het leuk is.
Daar is het non-stop mooi zonnig weer en anders sneeuwt het.

Sexy vrouwen met tassen vol mooie jurken.
Jonge ouders zijn gelukkig, drinken ijsthee op terrassen met hun toevallig tegengekomen vrienden.
Decadente mannen lachen en ze lunchen geitenkaas met pijnboompitten.

Hippe studenten, lijken er altijd te zijn.
Daar waar het leven is, het goede leven dat blijft doorgaan.
Tijdloos en geldloos, regenloos en vol leven.
Ook nu het koud, donker en guur is bij ons, in de buitenwijk.

meester zonder gezicht – joost de jonge

Ik hou vast aan de meester zonder gezicht
Een beeld van stralend helder licht
Ik zie alles in dit licht zonder lichaam
Zwevend over de aarde zijn overal regenbogen
Dit licht doorstraalt mij
Rijen huizen rijzen aan de oever van een brede rivier
Achter de huizen liggen bergen van stralend groen
Trillend in deze regenboog zag ik mijn gezicht
Een beeld van stralend helder licht

Steentjes in allerlei zachte schakeringen bruingrijs liggen in een bed van zand
Ik loop hier lachend door groen golvend land
Boomblaadjes dansen in licht dat al twinkelend de kloof van mijn verlangen dicht
Ik loop hier lachend door groen golvend land

Een geluid dat mij lijkt te doen draaien, grind knarst onder mijn voeten
Gelijk de bal van mijn voet bij iedere stap die ik zet in het uur van mijn stilte
Een streling van koude lucht kleeft als een zuigzoen onder mijn jas
Zand stuift op boven het smalle door braam en brandnetel overwoekerde pad
Enkele wandelaars lopen achter mij
De afstand tussen ons is groot genoeg om in mijn wolk van stilte te blijven

Glinsterende groene klank van duister blad
Blad dat in de verte met een zeker geweld deint op de aangezwollen wind
Ik lach om het onbekende in de wind die mij vijandig lijkt te zijn
Lachen als een dwaas om een grap die ik niet begreep
Een poets die mij gebakken is, niet door een bekende maar door een onbekende
Een meester die zijn gezicht niet laat zien

Ik ben een verdwaalde dolende ziel in het aardse
Bijna niemand zoekt of vindt echt, het ondenkbaar spirituele blijft onontgonnen
Ons lonkt slechts de consolidering van dagelijkse geneugten
Wij willen niet verlost worden en zouden zeker de verlosser weren

Lag in mijn luide lachen dat helder klonk niet het onbekende besloten
Was het misschien juist dit niet weten dat mij even verhief
Alles is relatief en hoe graag ik het ook wil ontkennen ik heb het leven lief
Dit lijf dat ik ben is niet alleen leeg maar zit vol met bloed en meters gevulde darm
Ik heb geen eigen wil, maar verwerkelijk de wil van de natuur
Ik heb geen eigen geest, maar leef de universele geest van de mensheid

Ik hou vast aan de meester zonder gezicht
Een beeld van stralend helder licht
Ik zie alles in dit licht zonder lichaam
Zwevend over de aarde zijn overal regenbogen
Dit licht doorstraalt mij en huizen rijzen aan de oever van een brede rivier
Trillend in deze regenboog zag ik mijn gezicht
Een beeld van stralend helder licht

mei ‘68 – pj sas

we zochten tijd om stuk te slaan
we waren niets en wilden alles
we vielen aan met glazen bier
en maakten muren van de glazen

en daarachter viel tandengeknars en
gekras op de glazuren wanden van een uurglas
kras kras
kras kras

en we dronken tot we niets meer zagen
onze kameraden moesten ons naar huis dragen
lallend en schreeuwend
togen ze door de straten
tot de mensen zeiden: zijn jullie gek?
weet je niet hoe laat het is?

morgenland – dani nacca

We trokken ons terug om de
onbeschreven dagen van
Morgenland te bewandelen,
te beschrijven.

Geblinddoekt zwevend
door het luchtledige
onwetend van de walging
die ons beviel.

Realiteit de zon van Icarus
De vergetelheid het water.

hoe alles schuift – sabine kars

ik voel de jaren die niet passen en het slippen van
de grond en de meeuwen – die niet langer
voor me spreken – werden uit de lucht gegrepen
kunnen amper hun regen nog bedwingen

de rode kunststof sterren kauwen op mijn vragen
niet wetend waarheen laat staan waarom ze zijn
te luid voor het horen tikken van de stilte
zo is het altijd geweest

dit donker moet verzonnen zijn

het is niet zo lang geleden dat ik een storm opstak
nu lig ik voor het rapen weet dat mensen werkelijk
kunnen breken de waanzin is in iedereen en tegen
de binnenkant van een oorlog is niets bestand

nog even en ik hervat mijn vallen en de
onnoemelijke behoefte aan het bijeenroepen
van een winter het stillen van een landschap
en het afscheid van ons gelijk

hier leg ik mijn wijzers af en vlecht me in op de
hartslag van grijsgeworden bomen luid geluidloos
luister – want als er niet meer wordt gesproken
dan zeg ik je het meest