waar was je – janus duprie
door het park loop ik
richting huis
net voor de maastunnel
belt mijn moeder
of ik het al gehoord heb
pim fotuyn
door het park loop ik
richting huis
net voor de maastunnel
belt mijn moeder
of ik het al gehoord heb
pim fotuyn
De tunnel door de slaapzak, de zijkasten en lakens
naar het bureau was een avontuur,
een avontuur dat meerdere keren herhaald moest worden,
in zijn fantasie was hij een jedi, en zij zijn jedia,
van moeder mochten we de hele nacht spelen,
maar ‘s morgens bij het ontbijt
was de onrust toch voelbaar,
we aten snel cornflakes met yoghurt
en suiker en om 10 voor half negen
stonden we al op het schoolplein,
de moeder van Michel was de enige die er was,
zij en wij hebben alles gezien.
Papa was toch boos geworden.
Jezus de loodgieterzoon eet bijna elke nacht
Een blok paté met een theelepeltje in bed
De brute haan moet nog kraaien
Moeder roept in haar slaap: ‘Laat me los, schurk!
Ik wil niet verkracht worden door een ezeldrijver!!’
Maar de verkrachter verandert iedere nacht van beroep
Moeder roept net voor de paté volledig verzwolgen is
Jezus noteert: imker, touwslager, kaarsenmaker, orgeldraaier,
Kaasboer, stierenvechter, ritsenhersteller, goochelaar,
Gynaecoloog, olifantenverzorger, kinesist, beul, matroos.
Om 5u staat Jezus als eerste op
Eerst schrijft hij een vriendelijk sonnet over zijn vader
En daarna een helende haiku voor zijn moeder
Ook al weet hij dat ze niet wil genezen
Hij weet niet dat ze niet kan lezen.
Jezus heeft niet de juiste naam gekregen
Zijn moeder zei na de vlekkeloze bevalling tegen haar man:
‘Noem het kind Simon naar wijlen mijn astronomische stiefvader alsjeblieft.’
Maar het bliefde de loodgieter niet
Want hij had een aversie voor alle ontnuchteraars van de Melkweg.
Dus ging de loodgieter naar zijn stamcafé
Na zes glazen rode wijn van Kaapstad
En 37 teugjes calvados van zijn heupfles
Was Jezus de enige aanvaardbare,
De enige uitspreekbare jongensnaam.
Vandaag rende de jongen weer
door mijn ijle gedachtegang.
De jongen met de blauwwitte vlieger
op een kapotgeschoten dakterras.
“Als je touw maar lang genoeg is”, roept hij
“dan kom je over de grens”.
Ik loop door het dal en
vervloek de bergketen,
waarachter een moeder tegen de wind
de naam spelt van een zoon
aan een blauwwitte vlieger.
ik hou van hem zoals ik ook van mijn rechterarm hou
een half hart waar sneeuw in zit
de hardcore poging tot vermomming van de homo
we schreven het op de muur
‘drank is een moeder’
Waar het altijd heel goed toeven is (Dat was een grap, voor wie het niet
begrepen had, en voor alle duidelijkheid: ik heb het hier tegen de duivel,
dames en heren critici. Of u moet zelfs die tegen mij in bescherming
willen nemen, natuurlijk.)
1.
Hahahahaha, ik moest oprecht even heel hard lachen,
ook al was het helemaal niet grappig. Dacht je dat ik
bang was? Ik vreet die duivel op met huid en haar en
schijt hem recht in zijn eigen gezicht weer uit. Die
broekpoeper is bang voor zijn eigen drollen. Doe die
bek open, lieve schat, dan poep ik je helemaal onder.
Roep haar maar, roep je moeder. Nu word je bang, hè?
Omdat je nooit geboren bent, kun je ook niet sterven.
Geen enkele angst is angst voor de dood, maar altijd
weer dezelfde duivel die zo ontzettend graag mee wil
spelen en dan heel hard roept: Slot op de pot!!!
2.
Sorry, ik dacht dat jij een man was. Jij liet je snor toch altijd staan?
Ik weet zeker dat jij van mij jouw Little Bitch wilde maken. Goh,
ja, ik kan, kon, twee woorden Engels spreken, kon het altijd al,
meer dan twee. Was jij in L.A.? Jij wel! Nee, Daddy’s Dearest, jij
zat in Het Land Der Goedkope Hoeren een vrouw als ik op afstand
in haar gladde gezicht te schijten. Voortaan beter mikken, lieverd.
Veeg nou die snor maar af.
3.
SEE YA
Hoe groter de haat, hoe groffer ik lijk te worden.
Hoewel ik zelf eerlijk gezegd niets grofs tussen
mijn woorden terug kan vinden. Die pen is een
zuiver zwaard en het enige wat ik naast schrijven
doe, is een schild ophouden zodat de lelijkheid
die op mij werd afgevuurd netjes afketst en tot de
rechtmatige eigenaar wederkeert. Noem mij de
vrouw die van het kwaad een boomerang maakt.
Oh well, hello Australia!
4.
Steek dat enkeltje naar de hel maar in je zak of in de fik.
Dacht je te zullen branden? Vuur is lief.
Waar jij heen ging, bestaat geen warmte, bestaat geen licht.
5.
Als je mij aanraakt, verander ik in mineraal gesteente, een zoutpilaar.
Niets van goud, geen hout, alleen ik en niemand’s adem om mij leven
in te blazen. Vandaag mag van mijn part zelfs God wegrotten in de hel.
Dat zei God zelf: Schrijf maar op. Niet dat het iets verandert, want
waar Hij/Zij/Het tevoorschijn komt, verdwijnt het niets en God naar
de hel brengen is wat ik steeds heb gedaan: met datzelfde zwaard het
kwaad uitbannen. Misschien was het altijd al de bedoeling dat ik tot het
eind der tijden oneindig alleen bleef.
6.
Goed, een laatste woord: dat jij graag in jouw eigen maaltijd schijt,
betekent niet dat ik jouw stront wil eten. Geef me een boterham met
pindakaas, zodat mensen kunnen denken: Hé, een broodje poep! -
of iets wat er op lijkt, en laat me dan alsjeblieft, alsjeblieft
de bloemetjes buiten gaan zetten. Omdat ik trek in jus d’orange heb,
drink ik sinaasappelsap. Variatie op een thema.
Gegroet, pinda’s en andere aardnoten, hier spreekt uw Kapitein:
Moet dat nou echt, mij op straat van mijn sokken rijden, mij
van de sokkel stoten waar je mij zelf op heb gezet, terwijl ik
nog zo had gezegd dat ik dat niet wilde? Ik loop hier alleen
maar, met een koker van mijn favoriete aardappelchips en
een fles 7 UP in een tas die over 500 jaar waarschijnlijk nog
op deze aarde rondzwerft. Jullie gedragen je als een stelletje
hongerige huurlingen die mij koste wat het kost voor etenstijd
om moeten leggen, dus ik zeg: Gegroet, Tabee een Tot Nooit
Weer Ziens, ik ben er klaar mee. Zie je dat raam? Daar spring
ik in en ik kom er nooit meer vandaan. Morgen ben ik een
ander mens. Ga dan je moeder maar voor d’r bek slaan, want
dat is precies hetzelfde als wat je steeds met mij hebt gedaan.
Controversieel ben ik niet, of juist wel?
Ik weet inmiddels niet meer wat dat woord betekent.
Mijn broeders in de strijd leerden mij de lessen die ik nodig had:
dat zwart en wit hetzelfde zijn, dat zij tezamen regenbogen maken,
dat wij overal thuis zijn, dat leven luisteren en dan in vertrouwen
handelen is, dat ik altijd al deed wat ik nu doe: dit bolletje dat wij Aarde
noemen in mijn armen nemen en ons allemaal in slaap wiegen, liedjes zingen
die mijn kleine broertje voor mij schreef, die hij zelf nog steeds melodisch
schreeuwt. On Stage. Want daar gebeurt het, daar spelen wij met God, Allah,
de Vader, Moeder, of hoe je Het ook wilt noemen, en dat mag je iedere dag
doen. Om die liefdevolle leider nog eens aan te halen: “Life’s work, lady!” -
en dit is wat ik zeker weet: ik werk hard, ik speel harder.
Ja, je kunt wel zingen schat, maar hebt voor jouw medezangers, -mensen
bijzonder weinig oog of oor, waardering of aandacht, zoals wij dat noemen.
In de krant stond een interview met jou waarin jij koelbloedig van jouw
hoge toren blies, als een ijskoningin op haar troon gezeten. Nou ja, een
klapstoel was het. Met welke bedoeling? Om ons te laten weten dat jij
zo’n zeldzame kunstenaar, een bijzonder bekwame artiest met een kut bent?
Wel ja! Misschien ben je op zoek naar een vader, een papa. Dat zijn er wel
meer. Zonder vader verder leven is geen verdienste, maar een gegeven.
Daar win je geen zieltjes mee. Jij wel? Prima. Bedenk dan in ieder geval
dat de mannen die jij uitkiest om jou Groot en Heel Belangrijk te maken,
je kent ze wel, eigenlijk op minderjarige meisjes geilen. Wie ben jij?
“Ik ken (bijna) geen vrouwen die iets kunnen.” was wat jij in dat interview
zei. Goh. Ik ben een vrouw en ik kan een pen vasthouden en deze alfabetische
taal op papier zetten; ik kan op mijn knieën een man zitten pijpen – of ik dat
goed kan, is niet aan mij; ik kan mijn eigen reet afvegen. Wat kun jij? O ja,
zingen, dat was het. Nee hoor, lieverd, ik vind jou niet zielig en je hebt niet
heel veel meegemaakt vergeleken bij andere mensen. Wij maken allemaal
vanaf het moment dat die ene eicel zich door de zaadcel van haar keuze met
liefde heeft laten penetreren heel veel mee. Of wij bereid zijn dat ten volste te
beleven, is in wezen het enige wat telt.
Ik weet het, schat, jij zat al heel vaak bij Matthijs van Nieuwkerk aan tafel en
hij kan het weten! Wat heb ik te vertellen? Niemand kent mij! Maar ik ken
Matthijs van vroeger, toen ik niet bij hem, maar hij bij ons thuis regelmatig
over tafel ging, als de protegé van mijn vader, die chef van de kunstredactie
was bij dezelfde krant waarin jij alle vrouwen uit jouw omgeving en ver
daarbuiten, behalve jouzelf en jouw moeder misschien, triomfantelijk onder
hebt zitten kakken. Die vader van mij had vaak het hoogste woord, net als jij,
maar hij kon schrijven, leerde Matthijs het journalistenvak, vertelde ons
‘s avonds verhalen over zichzelf en zijn collega’s, ook over Matthijs, die hoorde
erbij, daar aan die Amsterdamse tafel in het hart van de Bijlmer. Juist, daar
woonden wij en zo kwam Matthijs ‘s avonds voorbij. Volgens mij heeft de beste
man nog eens tijdens een huisfeest van mijn ouders met smaak staan smikkelen
van een lekker gevuld eitje dat ik als negenjarige klaar had staan maken.
Vroeger hoorde Matthijs bij mijn vader, in mijn beleving als kind. Nu niet meer.
Toen mijn vader stierf, deze maand achttien jaar geleden, sprak Matthijs op de
begrafenis. Hij vertelde over de vriendschap die zij hadden als collega’s, over
die lange vader van mij met dat belachelijk kleine, plastic koffertje dat hij
gekregen had van mijn Zeeuwse oom die veearts was, waar medicijnen in
bewaard werden voordat mijn vader het een nieuwe functie gaf. Mooi vak,
veearts. Mooi landschap ook, daar in Zeeland. Mijn vader dus, die zelf met een
ziekte leefde, maar daar nooit over schreef. Een ziekte die schijnbaar ook in mij
huisde en waar ik als negentienjarige in mijn eentje mee achterbleef nadat ik
samen met met mijn broer, zusje en wat ooms van mij de kist met het lichaam
van mijn vader, in gedachten op hem scheldend, over een natgeregend
begraafplaatspad, onder een blauwe lucht met felle zon en witte wolken naar
zijn winterse graf heb gedragen. Wat waren hij en die die klote kist zwaar! Hij
had zichzelf moeten dragen, daarom schold ik zo op hem; niet omdat ik hem
mijn liefde wilde onthouden. Hij was weg, maar die ziekte bleef en ik dacht nooit
meer verder te kunnen leven. Volgens mij heb ik hem een klootzak genoemd.
Schelden op iemand die je lief, maar die dood is, terwijl je diens loodzware lijk
voortsleept, ken je dat? Kun jij dat? Ik deed het. Zet er maar bij, op mijn lijstje.
Bij die tafel waar het allemaal om draait hoef ik dus niet aan te schuiven.
Uiteindelijk schuiven ze allemaal aan bij mij en kom ik zelf veel meer te weten.
Over welke artiest een kleine piemel heeft bijvoorbeeld. Iets wat je als achtjarige
niet al hoort te weten, maar ik wist het. Dat werd mij verteld tijdens het eten.
Hoe mijn vader dan wel niet heette? Ga dat maar aan Matthijs van Nieuwkerk
vragen. Er was een tijd dat ik hem papa noemde.
Haar handen gebaren druk
in de gebakken lucht
die om haar heen hangt
als een mythe
over een auto en veel sneeuw
met precisie
probeert ze
weer te geven
waar de buurman
op haar parkeerplek
heeft gepist
als een hyena misschien
en hoe zij,
stemverheffing
en whiskey
besloten
haar auto
zijwaarts
in die van hem
te parkeren
ergens
ligt
wellicht
op de rug
een dode vrouw
misschien
wordt ze
nog 1 keer
gebruikt
als tafelkleed
of als een ander
decorstuk
…
ach
ik weet niet
hoe
het voelt
met of zonder
rubber
maar als ik het hoor
hoer!!!
denk ik vaak
aan me moeder
geboren te Oujda, Marokkko
woonachtig te Amsterdam, Nederland
Lieve Hafid, dronken lor.
Waarom mag ik dat niet zeggen?! Het is toch zo?
Aan iedereen die nu thuis hardop zit te denken: Wat een bitch! -
dat klopt, ik ben het grootste kutwijf dat je op deze aardbol ooit
tegen het lijf zult lopen. Daar krijg je bibberknieën van, hè?
Mooi zo.
Terug naar jou Hafid, lieverd, waarom drink je zo?
Geslagen door het leven, m’n reet. Je werd geslagen door je vader
en dat is al erg genoeg, maar dat is geen excuus om, nu je zelf
volwassen bent, met dezelfde haat om je heen te slaan. Je bent geen
klein kind meer; je bent een N.S.M.A.N.N. (zoek maar op, mensen)
en er zijn zoons die naar je vragen. Kom dus maar op met die flacon
absint. Ik weet dat je die daar bij je draagt. Echt.
Herinner je je ‘t Schuim nog?
Jij zat pilsjes aan elkaar te rijgen alsof het een kralenketting betrof
terwijl ik naast je op een barkruk aan de thee zat en naar je luisterde.
Wij deelden een jointje, waarna jij je terugtrok op het toilet, met een
geheimzinnige fles, om daar te doen waar het werkelijk om ging,
want absint, dat is een hallucinogeen van andere kwaliteit. Maak dat
de kat wijs, lieve schat!
Nu zie ik dat je stukjes schrijft op de weblog van een ander. Pardon?!
Waar is Shakespeare’s ganzenveer gebleven, die vergulde pen?
Je schreef zo mooi en nooit zonder te dromen, groef naar je eigen stem.
Ik was al fan van jouw werk nog voor wij elkaar voor het eerst de hand
schudden en ik – omdat ik jouw gezicht ergens van kende – dacht dat
jij misschien een vaste klant was uit het restaurant waar ik werkte,
wat dus niet zo was, en jij aan mij vroeg of ik dan toevallig Mohammed
die salades maakte, Mohammed met de aambeien kende en ik zei:
“O, díe Mohammed! Ja, die Mohammed ken ik wel.”
Toen kon ik nog met je lachen en dat zegt wat. Nu zit je jezelf en
iedereen die iets met jouw afkomst te maken heeft spreekwoordelijk
onder te schijten en dat doet me pijn, want zo blijft er uiteindelijk
ook niets van jou over, Nederlandse Schrijver Van Mijn Hart.
Ik wil Abdullah terug en niet alleen zijn voeten. Wil jij hem voor
mij zoeken? Je had gelijk hoor, jij was nooit mijn hoeder en ik ben
niet jouw moeder. Je bent mijn bloedeigen, Marokkaanse broeder.
Veel liefs,
Maaike
(Nu niet weer mijn naam vergeten. Ik heb de jouwe ook altijd geweten)
Een zandkorrel wordt stof, groeit uit
tot een sneeuwvlok, de sneeuwvlok wordt pop
- aan de rand van een bos
De korrel, een zwerfkei
geweest, sleet met de jaren,
in een reis door de tijd
- mineralen hebben op aarde
het eeuwige leven
De zwerfkei, dissident van zijn vader,
de koning der bergen, ontsprong zijn lot, zei:
“Misschien los ik op”, liet ketens achter,
maar de rots uit zijn jeugd bestaat nog. Zijn heilige moeder
kust er de lucht. Op een dag keert hij terug
als regendruppel. Nu draagt hij een muts
kijk me staan hier op die foto
heb ik nog mijn zondags jurkje aan
ik lach wat tandloos sleep een pop
mijn haar in pippi-langkousvlechtjes
die ik later niet meer wilde
pippi is voor kleine meisjes
ik werd groter ging naar school
leerde schrijven rekenen is nooit
mijn sterkste kant geweest ik droomde
van de batavieren die bij lobith
binnendreven en bij leiden mondden
in een noordzee zonder overkant
alle batavieren hebben vlechtjes
zei mijn moeder maar die wilde
doodgewoon geen klitten kammen
de huishoudschool de derde klas
de tweede keer de laatste want
de hema lonkte eigen geld een
toekomst tussen rookworst ondergoed
cosmetica mijn roodsatijnen broek
glanst in de zon en let eens op
die poedelkop was het anna
of agnetha die me inspireerde
ik weet niet meer ik leerde koken
kreeg een twee in aardrijkskunde
snapte niks van algebra maar mama
zei dat is niet nodig kassa’s
tellen zelf een knappe meid als jij
heeft zo een vent die voor je werkt
en vergeet de rest maar lekker kind
daar staat hij in zijn bakkersbroek
tegen zijn kreidler op te glimmen
hij liep wel tachtig zei hij trots
probeer dat op zo’n puchie en je
ballen trillen vierkant door je strot
om van yamaha helemaal te zwijgen
piloot wilde hij worden ook als
dat moeilijk was met lts maar in
het leger kon je alles worden wat
je wilde als je dat maar wilde
stond de hele wereld voor je open
we zouden op mallorca wonen en
de hele dag niets doen later met
het geld van vliegen en van mijn baan
als mannequin voor marie claire
hij droeg zwart en ik was in het wit
in juli onder een hemel zo blauw
als de familie van het paar dat
waren wij het stralend centrum
van een wereld die bestond uit ons
en later ook de voetbalclub alwaar
hij sluitpost steun en toeverlaat
bij lage ballen ietsje minder stond
er steeds liet nooit een zondag schieten
verder zat hij thuis als hij niet werkte
en las wat over vliegen tot eeuwig
passagier verdoemd want dioptrieën
worden nooit piloot we gingen vrijdag
wel eens bowlen drie vier keer per jaar
wat drinken zonder werk of club
deze is van vorig jaar wat zijn we dik
we trouwden niet om af te vallen en je
wordt geen doelman om te veel te lopen
we lachten wisten niets twee weken later
werd hij aangereden ‘s avonds toen hij
terugkwam van zijn werk een lekke band
en regen werd de wao het geld
werd krap wel had hij nu veel tijd
las alles over lindbergh de gebroeders
wright de uiver boeing al wat vloog
legde zijn boek dan peinzend weg en keek
naar buiten naar de eindeloze lucht
op gister na toen stond hij op en ging
naar buiten naar de brug spreidde zijn armen
ogen wijd open voor zijn eerste vlucht
Hier begint het dan. Mijn dagen.
Het rommelt bovengronds. Mijn
moeder kan mij nauwelijks dragen
mijn vader vraagt waarom. Aan Allah
maar die wil dat wij het leven dragen
met alles en daarom. Ik trappel om die
wereld in te raken. Te vragen of ik blij
moet zijn. Met alles wat terecht komt
op de daken van onze stad. In onze straat.
Of ik dan – een eeuw later – mag sterven
in Jeruzalem.
Ze hield van bier en bluesmuziek
gezicht op polderdijk en molens
het oeuvre van de dichter Nolens
en werkte in een koekfabriek.
Ze diende niemand van repliek
al dreven ze de spot met haar
dan nog, geen woord in ‘t openbaar
bevreesd voor dat vilein publiek
zocht zij beschutting in de kerk
want daar, bij haar geliefd triptiek
van moeder, kind – het scheppingswerk –
was zij gelijk ’t perfecte naakt
en pas misvormd in haar kroniek
normaal geboren, gek gemaakt.
Met geknapte veters adopteer ik een bezwaarde kat
Ik noem haar Gerda en ze haat mij
Twee dagen na de adoptie sterft mijn grootvader
Ik krijg de kaas die nog onder zijn stolp lag
En een gotische kandelaar zonder kaarsen.
De kaas deel ik met mijn jongste zus
Die onze grootvader nauwelijks heeft gekend
Ze heeft zijn gouden dasspelden geërfd
Na de kaasmaaltijd verlaten we voorgoed zijn hol
Zijn holle huis echoot mijn verwachtingen uit.
Terug in mijn eigen woonst toon ik
Mijn zus de kat, de kat aan mijn zuster
Gerda spint en mijn zus snijdt
Zichzelf aan mijn briefopener
De brief is aan ons beiden gericht.
Onze moeder wil dat we op het zelfde moment lezen
Dat haar vader een winderige, lijmverslaafde tiran was
En erger!!
Mijn zus leest trager
Wanneer ze lijmverslaving bereikt
Heb ik al erger ontdekt.
Erger is slechts een kortstondige flirt met de blinde vrouw
Van een Kaapse glazenwasser en een langdurige affaire
Met de schelle dochter van een bipolaire garnalenpeller
Na de brieflezing houden we ongewijzigd van onze grootvader
Onze moeder kan letterlijk naar de maan lopen
En daar nadenken over haar navel en over haar kleingeestigheid.
De zon gaat onder en we proberen de ondergang te chronometreren
Maar we raken het niet eens over de kleuren
Volgens mij hoort het rood nog overduidelijk bij de dag
Volgens mijn zus was het oranje reeds het begin van de nacht
Een uur geleden is de kat grijnzend door haar luik verdwenen
Met een kaaskorst en twee veters om aan een garnalenpeller te geven.
Je ben een lied in de storm
Een verlaten verhaal op mijn lippen
Jij ben een echo in de bergen,
klanken van vrijheid
Jij bent zo ver,
Ik kan niet stoppen
jou te vertellen
Je bent mijn taal zonder moeder,
Een wees met vijf namen
Van waar kom je? Waar ga jij heen?
Terwijl iedere lente de bloesem
De kluiten ontspruit
Ben jij mijn heimwee, mijn dwaling
En de aarde draait rond
Als Marvin Gaye het zingt, mag het wel,
maar als ik het doe, word ik vies aangekeken.
Wat is het verschil? De werkelijkheid waarschijnlijk.
Een greep uit die gezellige grabbelton:
slappe hap geneuk; vreemdgaan; naar getrouwde mannen
lonken terwijl jij jouw echtgenoot links laat liggen; tegen
jouw echtgenoot zeggen dat hij maar even gezellig met die
alleenstaande dame moet gaan praten; jouw echtgenoot die
naar de hoeren gaat; jij die denkt dat alle alleenstaande
vrouwen prostituees zijn, terwijl die zelden seks hebben,
laat staan dat ze ervoor betaald worden, in tegenstelling tot
jij overigens; een moeder die zegt dat haar zoontje van 14
maanden met alle vrouwen flirt (gatver!). Laten we die
laatste eens omdraaien: een vader die zegt dat zijn dochtertje
van 14 maanden met alle mannen flirt. Ziet u wat ik bedoel?
Ik zou bijna gaan denken dat er heel veel mensen op aarde
zijn die niet mij, maar zichzelf vies vinden als ze seks
hebben. Pech hebben jongens, zo ben ik niet, en zo ben ik
nooit geweest. Verkracht worden, daar heb ik wel moeite
mee. Met vies aangekeken worden ook.
Ga toch verdomme zelf eens behoorlijk liggen neuken, dat
doe je door eerst behoorlijk lief te hebben, en laat mij met
rust, doen wat ik doe; dan hoef ik niet steeds dit soort
gedrochten te schrijven. Ik heb uiteindelijk wel iets beters
te doen. Neuk lekker, zou ik zo zeggen.
..vandaag werd ik wakker naast een Vlaamse dichteres
ze was gehuld in een goudgeel gordijn met daaronder
niets dan de toekomst en zei dat ze mijn moeder was
geweest in een vorig leven waarin ik één van de vele
sprinkhanen was die door Afrika waarden. We vraten
de aarde kaal we leegden onze zinnen in woestijnen
we waren talrijk als de korrels zand en we verspreidden
een geloof in een toekomst van kale gedichten we hielden
onze woorden losjes bij elkaar en strooiden er zuinig mee
met de wind die warm blies naar het Noorden.
Bijna iedereen vindt schelp
Een mooi woord
Zelfs de bonte vrouw
Die verkracht werd in een kuststad
Toen ze dertien was
En dacht dat vulva huig betekende.
Vooral de jongen
Wiens vader stroper was
Wiens moeder hem een wafel beloofde
Jarenlang dezelfde Luikse wafel
Met uitzicht op de zee
Maar zijn moeder bezweek aan een herseninfarct
Vóór De Panne werd bereikt.
Ik zit op het dak van een strandcabine
Vrediger dan mijn vader, ben ik niet
Schoner dan mijn moeder, wil ik niet
De ezeldrijver is verweerd
En sentimenteel geworden
Het mag.
Ik vind strand een mooi woord
Groter dan god, is het niet
Schoner dan schelp, wil het niet
De zon schijnt sentimenteel
En genadig onder te gaan
Dat kan niet.
Jawel hoor, lieverds, ik ben de Moeder Aller Hoeren.
Die van jullie dus.
Mijn moeder zal mij nooit vergeten. Ze spelt
mijn naam, vijf lettergrepen die haar liever
zijn dan wat dan ook. Ze gaf mij het leven gaf
mij een naam. Hoe kan ik mij ooit onbegrepen
weten, nu ik zo dicht bij haar sta? Laat
onze band zijn als een keten afgesloten met
mijn naam. Als zij me roept zal ik steeds
weten hoe je blinde liefde levend baart.
wafwaf kraait paard in de vensterbank
bevel voor moeder en konijn om
aan het werk te gaan en gehoorzaam
pakt konijn de stofzuiger, moeder
neemt de cirkelzaag
daarmee kort ze keurigjes de beentjes
van Stientje twee centimeter af , dan op
een drafje naar de tuin om haar keuteldoos
te legen; zo, nu een lekker boertje en
de dag is goed begonnen
maar vader in de schuur sombert:
het wordt weer een dag als alle andere
en zet met de linker mondhoek
zijn geurspoor op een houten balk
Natuurlijk weet ik het nog,
hoe wij vlak voor de finale van het EK van ‘88
op een vrijwel uitgestorven straat met onze luchtmicrofoon
in de aanslag die enkele, nietsvermoedende fietser de halt toeriepen
om hem eens heel serieus – alsof we lange, grijze jassen droegen -
aan de tand te voelen: Wie zou er gaan winnen? De Russen? Of wij?
Dat ik sindsdien weet hoe het eruit ziet als iemand buitenspel staat.
Of hoe ik na drie weken Italië bruin en blond als nooit tevoren
bij jullie thuiskwam, waar jouw moeder mij verwelkomde,
ons allebei van top tot teen bewonderde en misschien wel voor het
eerst van haar leven tevreden keek, met gepaste trots zei dat wij allebei
van die mooie meiden geworden waren, en hoe blij mij dat maakte,
hoeveel dat goedmaakte.
Daarom begrijp ik nog steeds niet waarom één zo’n mooie meid niet meer
dan genoeg is geweest voor haar om tot het eind van haar leven in leven te
blijven, en ik wil dat je weet hoezeer het me spijt, in de eerste plaats voor
jou, maar ook voor mij, want ook ik ben nu jouw moeder kwijt.
De basslijn van Come As You Are stroomt mijn slaapkamer binnen
zoals de zon door de half geopende luxaflex, waardoor mijn muur in
licht en schaduwstrepen is gehuld, een muziekbalk in de middag toont.
Buiten hangt mijn moeder de schone was op aan de waslijn in de tuin,
spelen kinderen zoals ik zelf een paar jaar eerder deed.
Kurt Cobain vertelt zijn melodie vanuit Seattle, maar klinkt voor mij
meer als LA, als zee, want dit is een lied dat is als water waar ik in
kan zwemmen, van het ene schooljaar naar het volgende, dwars door een
hete zomervakantie heen. Hij neemt ons mee, een complete generatie aan cassettebandjesluisteraars die zo hun c.d.’s met elkaar delen. Het mijne
nam ik over van een klasgenoot die mij ook Guns N’ Roses leende.
Ik ben binnen en midden in de wereld, zing neuriënd of luidkeels mee
- wie weet het? – terwijl buiten vogels fluiten, rozenstruiken bloeien,
de zomer ons alles geeft. Ik ben zestien en nooit alleen.
Nu ik het hem vergeven heb, de klootzak,
kan ik hem rustig in zijn eigen Sop gaar laten koken,
waar hij op zoek mag naar zijn eigen Goddelijke Gratie,
kan ik voor het eerst zien wat een onvrijwillige ontmoeting
van misschien tien minuten met de rest van mijn leven heeft gedaan,
hoe ik van een nog enigzins blije kleuter – anderen waren hem voorgegaan -
in een zwart blad veranderde dat hij aan stukken had gescheurd,
hoe ik mijzelf nu nergens terugvond, met monotone stem
tegen mijn moeder zei dat ik het niet leuk vond om dood de gaan,
maar het ook niet leuk vond om te leven, wat niets anders was dan
zeggen dat ik vier jaar oud was en zojuist de hel op aarde had gezien.
Nu ik de afstand van volwassenheid heb verworven, kan ik van buitenaf
naar binnen kijken en zien dat ik mijn hele leven vanaf dat moment
steeds dezelfde twee vragen heb gesteld:
Waarom hebben mensen dit met mij gedaan?
Waarom hebben mensen dit met mij gedaan?
Ik blijf maar vallen in armen die er niet zijn.
Wanneer houdt het op op, komt er een einde al al dat schrijven over lelijkheid –
ik heb er zeeën voor in tweeën moeten splijten – staat er iemand anders op
die zegt: Misschien is het nu dan wel genoeg geweest met al dat luie haten,
wegdoen van mijn Vader, Moeder, God, de Hemel, het Leven. Laat ik nou eens
doen wat mij bij mijn geboorte werd gevraagd, of ik onvoorwaardelijk lief wilde
hebben, wat ik inderdaad heel even heb gedaan, maar toen ook dat voor het
gemak heb weggegooid, want hoe lang zijn we hier nou eigenlijk op Aarde?
Dan kan ik eindelijk weer boontjes doppen, eten koken, een man liefhebben,
baby’s verschonen, mezelf lachend langs een raam zien lopen.
Want denk niet dat ik wat ik tegen jullie zeg niet ook tegen mijzelf heb gezegd.
Weet dat ik mijn verkrachters, en mijzelf om die verkrachters, voor alles heb
vergeven, zodat ik verder kon en wilde leven, deze pen heb opgepakt en
alles heb geschreven.
De Bijlmermeer in zwart-wit.
Het startsein van een man met idealen.
Mijn vader met lang haar en onze eerste zwarte hond
aan het voetballen met mannen die ik later mijn ooms zou noemen.
Mijn moeder met een zakdoek om haar hoofd.
Met z’n allen in beweging op een 8mm film.
Wie wilde hen niet zijn?
De soundtrack van voor mijn tijd illustreert de torenflats:
All along the watchtower. Voorgeboortelijk paradijs.
Gezondheid heeft mijn naam gekregen,
maar ik weet niet wie ik zonder die ziekte ben.
Dit kunnen ze niet menen,
iedereen wil mij af zien takelen.
Mijn arts zodat ze gelijk heeft gekregen.
Mijn moeder en ik omdat we bijna niet meer anders weten.
Alleen mijn vader en de zijne draaien zich om in hun graf,
geven mij terecht op mijn falie,
hebben het lichaam overleefd, nemen mij naar oudere tijden mee,
laten zien hoe het altijd al beter was geweest,
schenken mij hun verloren levens, vragen er niets voor terug,
blijven alleen nog even staan kijken
hoe ik lach als ik de deur uit stap.