omgekeerd t-shirt – pallas van huizen

Ze trok de gordijnen recht.­

De snijdende communicatie, een radio door de dag.­
Misschien zijn tomaten toch geen groente.
Uit medelijden verpulvert hij uienschillen vol onbegrip.

Als pratende katten tegen bolle zeilen.­
Er is niets dat hij niet zou willen doen.

Fluistert zij voorzichtig tegen de wasmand.­

Waarom de groentesoep koud stond te worden,
de kaarsjes al een half uur gedoofd waren,
het geluid van de tv uit stond.­

Alleen in stilte hoor je pas hoe leeg het is.

 


YouTube: omgekeerd t-shirt – pallas van huizen

* – erik-jan hummel

alleen je binnen te laten is
een dag werk, want ik denk
de hele avond de hele dag

telkens komt het op mij aan
alsof jij niet bent, en dat
ben je ook nog niet, en toch

dat je helemaal niets doet
als ik je beroof, dat niemand
me tegenhoudt als ik links

loop of schreeuw op straat
het is teveel, ik mag teveel
en niemand zegt waarom

of waar of hoe of waardoor of

uitgedacht, afgemat, nog voor
het fornuis me roept en het
gehakt het koud heeft en het

bed mijn opgevouwen vormen
mist, de klok die me dwingt
althans iets te kiezen

alsof het hele huis me klaar
wil stomen je binnen te laten
om me zo te lozen, en me zo

te dwingen mens te zijn, en
alleen je binnen te laten is
al een verzoek of ik binnen

mag treden en dat we als je
blieft even samen mens zijn
want alleen is het me te veel

gedicht dat ik schreef op vrijdag 01/12/95 – maaike klaster

Toen ik 19 was en nog in mijn ouderlijk huis in de Bijlmer woonde
 
 

‘s Avonds
is het
koud

In een
bushokje
is het
herfst

als ik
zit te wachten
in dit leven

of een ander

alleen mijn huid – janine jongsma

alleen mijn huid verzet jouw zinnen
maar de woorden glijden van mij af
ik word niet warm of koud van je
je zet me in de stoel neer voor de spiegel

haalt snel een washand over mijn gezicht
en zet mijn arm zorgvuldig terug in de kom
in de badkamer huil je de vlekken uit mijn lingerie
je borstelt mijn haren en telt hardop honderd slagen

vraagt of ik mijn lievelingshaarband in wil
maar besluit uiteindelijk tot een paardenstaart
beneden kus je mij teder gedag, ik staar naar de tv
mijn borsten kijken jou onbewogen na

de kat telt de uren af, gebruikt mijn been als krabpaal
jij belt vanaf je werk hoe het gaat, dat je laat bent
en of het goed is dat we Chinees eten
ik neem niet op, dat doe ik nooit

36 – maaike klaster

en niet van gisteren

Mijn Winter Clouwn heeft wanten aan,
ook als het niet koud is, de lieve schattebout.

Vandaag zou vandaag niet zijn geweest
als ik mijn oksels niet had geschoren.
Dat was eergisteren, maar dat maakt niet uit.
Soms beweeg ik achteruit.
Zo weet ik nu al wat er gaat komen,
de volgende groef in de plaat.
Hoe het komt dat ik tegelijkertijd
geen benul heb van wat er komen gaat,
blijft mij tot het eind der tijden een raadsel.
Gelukkig houd ik daar wel van, een raadsel
dat ik nooit kan ontrafelen, anders zou ik
er helemaal niets meer aan vinden,
want ik zit al 300 jaar alleen op een bank
en dat was precies de tijd die ik nodig had
om bij te slapen van alle haat en nijd.
Ken je die twee niet? In dat geval is het wellicht
raadzaam om beter in de spiegel te kijken.
De spiegel liegt altijd.

* – maaike klaster

Ik lag in bad
Het was te klein
het water koud
Ik wilde eruit
en toch bleef ik liggen

droom – berrie vugts

Er liggen rozen op een altaar
Vijf of zes rozen evenwijdig

Het is niet warm of koud
Het is windstil

Er liggen rozen op een altaar
Vijf of zes rozen evenwijdig

Ik kijk toe hoe je een voor een
van het altaar rolt.

de binnenstad – yvette rombouts

De binnenstad leeft altijd, slaapt nooit.
Daar roken jonge jongens in hun witte hemden, bovenop hun dak.
En er is altijd geld.

Daar wordt alleen gewerkt als het leuk is.
Daar is het non-stop mooi zonnig weer en anders sneeuwt het.

Sexy vrouwen met tassen vol mooie jurken.
Jonge ouders zijn gelukkig, drinken ijsthee op terrassen met hun toevallig tegengekomen vrienden.
Decadente mannen lachen en ze lunchen geitenkaas met pijnboompitten.

Hippe studenten, lijken er altijd te zijn.
Daar waar het leven is, het goede leven dat blijft doorgaan.
Tijdloos en geldloos, regenloos en vol leven.
Ook nu het koud, donker en guur is bij ons, in de buitenwijk.

kleine bang – dio the cilany

waar is ruimte
kan een vlinder zich daarin verplaatsen
of alleen in de tijd

is daar misschien enkel afstand
maar wat als het een slecht lichtjaar is geweest
verblijven we dan in krimp

expansie maakt donker en koud
en er is sprake van een goed jaar

hemellichamen gaan niet meer samen

voordat het te laat is
doe ik even een plas tegen de maan

fantoom – hanny van alphen

de laan wordt allengs smaller
bomen stappen kleiner langszij
wanneer het oog blijft puilen
is het waas der waan nabij

geen vogelkreet bekrast de lucht
er zijn slechts wolven, zij hongeren
vlucht, vlucht, ijlt de noorderzucht
verdwijn uit dit verdichte woud

in de ruimte huivert het kind
zijn bed voelde nooit zo koud

van crematiecake en grafgebak – stijntje van der wal

het was overgebleven van een begrafenis
zo zei ze, onbevangen en oprecht
“zonde om weg te gooien, toch?”
‘s ochtends naast de kist
‘s middags naast de thee.
wie was die dode, vraag je je af
wiens cake eet je,
in wiens medeleven bijt je?
gele gulheid op wit met grijs
restant teraardebestelling
van besnotterde vingers, en
geur van gedachtenis.
tja, hoe smaakt een uitvaart
van net geleden en berouwd?
ik zag haar kijken
mijn thee werd koud
onmogelijk te slikken
proefde grafgebak
doodsbenauwd.

amsterdam in december – harry m.p. van de vijfeijke

Hoe kaler en ontkleder de grachten,
hoe zwarter de takkenvitrages, des te voller
ik denk aan je melkwitte kont.

Gasgeel is het licht achter het glas in de gevels.
Alsof Breitner hier gisteren nog was.

Koud is het vuur van de jaren, de altijd flanerende tenen,
stram van het eeuwige striemen de winterse benen.

Maar het bloed is in de lichtschijn al warm aan het lopen.
Er wacht mij een bed, klaar ligt mijn lief om de hoek.

De daad voegt zich vandaag bij het innige woord,
ik loop het met Breitner te hopen.

loze zinnen – stijntje van der wal

nergens zag de leegte
zo zonder moed
een koud kind
kom toch hier
verschijn uit dit papier
om met jouw oog en
met jouw kleine mond
te proeven hetgeen hier
toch ooit werkelijk bestond
herrijs uit inktenblauw
arm, zalig kindergezichtje van jou
nergens zag ik leger dan leeg
en nog meer leger
‘k zag geen mens.

verjaardag II ‘de dag’ – jan holtman

Een zaterdagmiddag, 13 januari. Het regent en het is koud.
Op de radio een weerbericht: plaatselijk kans op ijzel.

Hoor je dat?
Ze strooien heus wel.
Hoe laat moeten we er zijn, uur of negen?
Nee, eerst koffie, acht uur!

Haar parfum overtreft het muffe interieur van de oude Golf.
De ruitenwissers piepen natte sneeuw van het voorruit .
Voor ons doemt een strooiauto op, ik minder gas. We zijn
er bijna, maar het cadeau, de vaas, vergeten.

Het geeft allemaal niets, onze jassen mogen gewoon
aan de kapstok. Na de koffie en het gebak is het zover.
De schaal met hapjes, de toast op de jarige, het glas,
de oude verhalen, de wanprestaties van het elftal…

Ik leeg mijn blaas met huppelwater op het toilet van
haar zus, alwaar ook mijn naam prijkt. Sierlijk met
een vulpen geschreven.

holte – stijntje van der wal

ik zocht je gisteren toch echt op
hoorde je kraken waar
verroeren een bewegingsloze
holte voorspelt en waar
na verloop van tijd
huid en laken veinzen
samen te zijn, waar
het hoofd op het kussen
onafwendbaar
al doe je nog zo stil
kraakhelder en kreukloos
gaan ten onder aan
droom en werkelijkheid.
waarom zag ik dan niet
een omgewoeld ledikant maar
een onbeslapen plaats waar
keurig recht, koud en glad
ik naast stond en
slechts een holte waarnam.

vergeet de distichons – jan holtman

wat is het koud en wat mis ik Alice
ik denk dat ik goed schrijf

vroeger wilde ik geen dichter worden
maar gelukkig

impromptu nr. 4 – onbezield

Allegro 130

“Am Krummbach”

je water stroomt voor eeuwig
over rotsen
nu ijzig koud
deels bevroren
toch nog lieflijk
sneeuwtoefjes garneren
je voorde en oevers
elke bocht volg ik
zoals immer
nieuwe zichten en geuren
boven je ijsdampige water
zweeft de vrieslucht
tastbaar levend
nog steeds betover je
in de komende zomer
drink ik je water van gisteren

drie distichons – jan holtman

poëzie

wat is het koud en wat mis ik Alice
ik denk dat ik goed schrijf

vriend

ze heeft een nieuwe vriend, een nieuwe vriend
geen nieuwe auto dus, maar een nieuwe vriend

vorst

hoeveel nachten nog vader?
nou jongen…

kerst – jan holtman

ik eet gevogelte al zijn het maar
kippenvleugeltjes koud maar gegrild
ik draai de oude platen onder een
versleten naald vol stof en stamp
op de vloer om niet bij het kampvuur
van het vinyl te blijven luisteren,
naar die ene zin: there has to be a reason

somma totale – ellen vedder

somma totale - ellen vedder

dit jaar – a; diepman

In de inleiding van dit verhaal is al verteld
dat we ons dit jaar niet al te veel van het weer
moeten voorstellen.

Na de kletsnatte zondag,
die op meerdere plaatsen
tussen 20 en 30 mm
neerslag heeft opgeleverd,
zitten we de komende dagen
opgescheept met een stevige
noordwestelijke stroming,
die koele lucht aanvoert.

Er is ruimte voor opklaringen,
maar er trekken ook buien het land binnen
en soms ontstaan ze zelfs boven land.

- De bovenlucht is koud genoeg om de buien een maarts karakter te geven, waarbij dan vooral aan hagel gedacht moet worden. Diep landinwaarts kan in de nacht en vroege ochtend misschien een vlokje natte sneeuw vallen. -

open vraag – joke schrijvers

Vakantie, kan je er in wonen
vraag ik me af, kan je er in blijven
wonen naderhand
elk apart

wanneer alle dagelijksheid
dat zomeronderdak
heeft overgenomen

E-mail of telefoon, we kunnen
kiezen welk van de twee het meest
niet voelt

Hoe doe je dat, in je huis
de ramen openhouden alsof
je nog kampeert, je bent warm
of koud of kriegel en je probeert

hoe het buiten voelt, je huid
onder je kleren, hoe je dat
in de afgelopen jaren deed

wijd het gebeente, wit de vlier – harry m.p. van de vijfeijke

Ik ken de iconen van mijn kant en klaar geluk,
berijd de regelmaat. Wekker van slag, vers brood,
start van een ongedachte dag.
Kleine beloften van koud bier, een kind, een warme vrouw,
de roep naar hier, ja hier.
Wijd het gebeente, wit de vlier.

Ik pluk de dag, de dag, de dag, en bijt mijn tanden stuk.
De nacht is veelal een hengstendal, de droom gedroomd,
de zucht geslaakt, de merrie hinnikt, het bit ontbloot, doet dit onzacht.

Of ik blijven zal?
In de roes, de regelmaat, de klim omhoog, de val.
In het comfortabel zadel van de dag,
de wijsbegeerte van de nacht.

Ik bereis mijn breingalop, vrij grazen.
Intussen wapperen de manen dat het brein reizen mag.

geruisloos – yvonne van der haven

de ankerwacht keert zich om
het schip draait stuurloos mee
onmerkbaar

de wind is koud, snijdt
hem de pas af, binnen wachten
klamme lakens

op dit geruisloos ogenblik
de aflossing nabij
nog afwezig

wikt het anker, wrikt
zich langzaam los

vesuvius – menno wieringa

de gids gaat ons
al prevelend voor
de kale berg op
gids van vader op zoon

je ziet hoe de berg zich verheft
de baai de stad
verder weg eilanden

grommend en reutelend
dan weer donderend
pyroclastische stromen uitbrakend
oh vuurtoren

zo moet Emma Hamilton hem gezien hebben
eeuwige schoonheid
gekoppeld aan haar gezant en vulcanoloog
met haar geliefde Horatio Nelson
hij op zoek naar de Franse vloot
Napels aandoend

ooit de mooiste stad van het heelal
paradijs en vagevuur
het Koninkrijk der Beide Siciliën

de hooggehakte vrouwen
nu in gehuurde gympen
plasticzakken als sokken
aan de staart van de groep

het vuur van de revolutie
heeft de stad niet echt bereikt
de republiek bestond vijf maanden
Maria Carolina was geen
Marie Antoinette

boven is het koud
een gammel café met terras
een molen met ansichtkaarten

al snel verdwijnt de top in de wolken

koufront – efce

In de stad is het òf koud, òf warm, maar nooit zie je het aankomen – hoe zou je ook, als je altijd noten eten kunt of spinazie of spitskool of groene sla met eitjes – waardoor je altijd te laat bent voor een nieuwe winterjas en daardoor juist ook weer altijd te vroeg – want voor je het weet is het uitverkoop en dan heb jij de volle mep betaald. Wat rest is kippenvel en een zwembroek in originele verpakking.

bange dagen – eelke van es

Herfstig koud regenweer
Hard valt de Hemel neer
Zacht snijdt het mes
Door ’t publieke bestel

Prikkelbaar roert zich de
Mediaziekenboeg
Sloom en onklaar
In ’t etherisch gezwel

brief aan mijn zuster – eelke van es

Zus,
 
 
Pareltje, pareltje (biggetjes vangen, boomt de Neanderthaler).

Brombeer doet zijn ronde. Een klankkast van een vent. Beertje

                                                                          Cacao

Dageraad, dag dageraad, dag dag.                    heeft het koud.

Tot ziens dageraad, daag dageraad. Voert voert.

Klinkt dan de dag als zo? Zaterdag is van oudsher de Dag des Heren,

wij verorberen liters tomatensoep.

            Dit doet geen recht aan notentaart, appelbrei, u weet toch wel wat ik bedoel? Grondig vergeten mestvaalt = mijn geweten.
 
 
 
Donker spint de dag, spant de dageraad, dag pareltje om mijn hals.

Ik maak jou warm, ik maak jouw arm, ik maak jou arm.

Dag dag, prinsheerlijk mannetje van goud. Drommels zeg;

wat kun jij toch drammen, welhaast ongelooflijk, of op het ongelooflijke af.
 
 
 
U=verliefd? Ik kan het mij levendig voorstellen J.

Mijn pen is van goud maar mijn hand is oud, ik maak jou arm.

Het was donker; nu straalt de dageraad.
 
 
 
In de kist ligt een hond,

zwart gezond.

Hij hat mij zo lief, hij vrad en joeg op de kad, op patrijzen.
 
 
 
Ach jongen, word de mijne, wij dansen samen tot de dood erop volgt hoor, wat ik je boom. Neusharen trillen, misdienaars willen naar de Hemel.

Het is klokke 12 uur, wij gaan sluiten (van achteren eerst).

        Dat kan wel wezen, doch heb ik mijn gebeden nog niet pardoes in gereedheid gebracht.
 
 
 
Eenzaamheid = verbloemen van het verleden. Schud af en vrij, verblijd de medemens met schallend non-geluid, communicatie.
 
 
 
Ik was het die snuisterijen kocht,

geef haar toch niet de schuld.
 
 
 
Dit alles in haast lieve zuster want ik moet naar een bed onopgemaakt,

hier niet ver vandaan.
 
 
 
In groenten verblijf ik zo, etc.
 
 
 
E

eindhalte gdomsk – hanny van alphen

ijskoude wind roffelt op de luiken
van de laatste winkel, gesloten
voor alweer zeven dagen
een oude vrouw lijkt met het desolate
landschap te vervagen

sneeuw stuift in haar marmer gelaat
geen spoor van leven in de ogen
het harde geknars van de trein
die het einde van de wereld verlaat
laat haar koud, zij weet van sterven

Gdomsk verdwijnt langzaam van de kaart
wat moet dat moet, zeggen de grijzen
uit dit kind- en godverlaten oord

wanneer ze na een witte week
nog steeds geen trein hebben gehoord
bungelt aan de deur van de winkel
een wolvenklauw aan sisalkoord

een bed van bladeren – viviane rose, de winterdichter

De bladeren waaien in kraaiende geluiden van vogels
De hofjes staan er stil bij
Tussenin de stiltes gillen opgeschoten jongeren
Wie haalt hun hun verveling weg?
Weer huilt er een pasgeborene
Pogingen van aandacht gaan verloren
In wetgevingen en inburgeringscursussen
De basis van het moreel in regels
Husselt de bedoelingen door elkaar
Als bladeren die cirkelen over de grond
En zich geen weg weten

De menswaarde wordt overschat
Terwijl de bladeren zich rood kleuren
En de gaskachels ons opwarmen
Sluiten we de deuren voor het donker
En wachten de nacht af

Er is een leven buiten
Verstild tussen geweld zitten we dan
Zijn wij dan werkelijk van andere waarde
Of is alles geluk hebben en toeval?

Nog even en het laatste blaadje dwarrelt
Van de tak af
Beschermend de bodem tegen de kou
Vegen we alles weg
Kaal en koud
Laten we plantjes al sterven voor ze geboren zijn

Leg de aarde onder een bed van bladeren