het ei in de nacht – b. vogels
ik bezwijk onder de stad
waar ik dacht dat liefde eenvoudig is
als gescharrel op een dansvloer
kippen gaan op stok
en tegen het gloren
kraait er geen haan
ik bezwijk onder de stad
waar ik dacht dat liefde eenvoudig is
als gescharrel op een dansvloer
kippen gaan op stok
en tegen het gloren
kraait er geen haan
Ik peins me rijk van onwaarheden.
Verban ze naar de maan.
Ik weef een raket van minimaal gedachtegoed
broed op een uitvlucht
in mijn hersenlymfaal
Neem gebraden kippen mee. Honing.
Vette melk. Jouw platen en een foto
van wat al lang is geweest. Hondenharen
en met een fles terpentine
brand ik een melkweg leeg. Baan me een weg, zoals
in het instructieboek, de elleboog
als kruisboog geheven
en schiet een oudere aan
Aan de kant, meen ik. Het klinkt wat schraal
Het moet gesmeerd lopen
in dit vleesgeworden gedachtenkanaal
Wat me herinnert aan de bodylotion
Men boekt slechts enkele reis
in hoop op vacancy
Creeert de zon
van de tong tonen
vooruit, daar sta je
je innigste zelf te zijn
woorden rekken in plaats van inslikken
beetje bij beetje, beetje bij beetje
beetje bij beetje
klanken door de mond laten rollen
lo lo looo la la laaa
lu lu luuu
even briesen als een paard
prrft, prrft, prrft
vergeet de boter niet
boter bij de vis doen
de boooter bij de vis
heeeeel veel
pannenkoeken bakken
pannenkoeken bakken
pannenkoeken bakken
en houd het geluid scherp vóór je uit
pikkende kippen, pikkende kippen
pikkende kippen, pikkende kippen,
pikkende kippen, pas op voor de haan
ja, daar komt ie, krijsende haan
schreeuwende haan, schreeuwende haan
triomfantelijke haan, krijsende haan
trotse haan
trotse haan
denk aan je houding!
In hotels worden we weer mens
we vrijen al bij binnenkomst
zo gretig als de inspectie daarna
van de minibar die we rijkelijk
vullen met meegenomen dranken
en handdoeken verdwijnen in
koffers ongebruikt toch te veel
en ook de zeepjes gaan mee
want thuis gebrek aan alles en
als we dan eindelijk op de dag van
vertrek op tijd voor het ontbijt zijn
eten we voor de hele dag en geven
we een fooi aan de kamermeisjes
uit Tunis die als geen ander weten
dat wij ook kippen hebben geslacht.
De 1-dollar-fiets tuukt mij
langs kampongs, stuurt mij de
dessa’s in. Ik betrap mij al gauw
op zwaaigebaren.
Ik zie alom het scharrelen en
zie dat de kippen het nog
altijd anders doen dan
de kleine boeren, handelaren.
De kinderen zijn groot in aantal en
zijn overal, hun haren blauw,
hun tanden wit, waarachter zij
hun arme zalige blij-
moedigheid bewaren.
Daar staat waarachtig dan
mijn vader wijdbeens
in ’t natte akkerland, hij plant
zijn rijst in rijstverband.
De karbouw zoekt trouw
zijn voergerief in het
eeuwige karbouwbesef
dat de planter vroeg of laat
haar weer voorspant in de dag.
Een moeder, ach zij telt
per dag de rijst en per jaar
haar kindertal.
Ook als de postbode voorbij fietst
loopt hij naar z’n brievenbus waar
door de sticker geen reclamedrukwerk
op een woensdagmiddagkrantje na
zelden iets te halen valt en dan zet hij
thee en vouwt de ochtendkrant zoals
die bezorgd werd en voert de kippen
met het restant van zijn ontbijt.