ikker – joost de jonge

I

zo zonder gedachten
ruisend in een open lucht
al te lang heb ik moeten wachten
in het duister, druipen grote druppels ik
rollend in een blozende leegte
van jouw zwijgende ontkenning
 
 
II

ondergronds werken zij met plezier
aan een gangenstelsel
een minuscuul dier dat jouw bloed drinkt
vele poorten en tunnels, een stelsel van verbindingen
hier een begin daar een einde
poppen, ‘t minnespel bedrijven
buiten in het bos
ooievaar staat stilzwijgend
met z’n bek tussen ‘t verendek
een hinde ijlt
‘t verwaaiende bos in
je weet heel goed,
dat niets zal beklijven.
 
 
III

ondanks dit al
verlucht jij het leven
door een kostuum in ruiten gedreven
poekelen wij met z’n allen
een verloren gezelschap
aan de vooravond
van het poezelig echec
ikker, is dat meer ik?
je hoopt ‘t wel, natuurlijk,
‘t is beter van niet
kon ik maar voorkomen
dat jij niet jij ook sterft van verdriet

roodborstje – joost de jonge

Vleugelslag flikkert tussen de takken
Licht aangeraakt door onzichtb’re handen
In een boom zitten er wel een stuk of vier
Verspreid vormen zij mooie verbanden

apocrief eutecticum – joost de jonge

boei mij boeheer, boei

Ik zie de dingen niet
Die de tijd achter zich liet
Noch de dingen die komen gaan.

Verpletter mijn verstand O oude wijze
Verbijster mijn geweten allerliefste
Muze van vertwijfeling, ‘s werelds enige

Paarden dragen mensen die als paarden zijn
Vrouwen nemen mannen die vrouwen mennen
En als dan het paard onrustig draaft door de nacht
Ment de oude wijze de zegen van verstandsverbijstering

Die verwijlt in het Oerlicht onaangetast
Die verruilt gedachten voor zegeningen
Die verruilt uitwaseming voor uitkristallisering

Ook al heeft oude wijze manieren, ‘t is geen vorm
Vermaak je gerust wildebras, maar
Je moet mij niet verloenen
Wijl hij verpoosde in de voorhof van wildvang

Wij wijzen naar godsvrucht
Hoe ook zullen zij uitvloeien
Die vreesden en dwaalden
Hovaardig, verbijsterd, dat ik niet besta
Verbeus zonder houvast
Het zoetgevooisde failliet van verbositeit

boei mij boeheer, boei

Jij ziet de dingen wel
Ook onder de sluier van een vaarwel
Evenknie van Euterpe

met kromme handen – joost de jonge

jij met dagloners in mijn tuin
droom over ik
hoezeer waardeert de tuinman
‘t groen van de boomstammen
je beweegt in een stroom
een stroom beweegt in je
één ogenblik steekt mijn rug
volvoert
de bewegende dood is
opgestaan uit een verlammende angst
mijn tafelgenoot

tussenruimte – joost de jonge

daar dans ik dan, in deze geweldige grootheid
groot als oneindig geweld
mijzelf als dans voorgesteld

die zijn leven bestaat uit pijn
is gewend pijnlijk levend te zijn
al dreef jij verzwolgen door misverstand
was jouw verzwolgen drijven niet mis te verstaan

bloeddruppels vallen hier zwart op wit
bloedend bloeien is de keerzijde van groei

Is een boom niet meer dan een mens
Wat geeft een mens nu eigenlijk
Een boom ademt, lucht en schaduw
Zijn takken deinen zachtjes op de wind
In hoeverre is de mens werkelijk
Behalve dan in de liefde van een kind

daar dans ik dan, in deze geweldige grootheid
groot als oneindig geweld
mijzelf als dans voorgesteld

nachtscène – joost de jonge

het ijzig koude licht; naar ‘t schijnt
hoe een steelse lach ragfijn verdwijnt
wiegelende ijskristallen trekken een spoor
morfologisch op bijna niets geënt
rondom mij is het klapwiekende mangaan blauw
ik adem, een beetje van mijzelf er voor
ik stijg en zweef door vormen van gevoel
                                                            ‘t wendt
alsof ik je nooit meer vinden zou

stuur je de verlangens naar ’n voor
van de werkelijkheid, reusachtig
een gapend bruin slot

narrenslede – joost de jonge

De bodem van het zijn
Een klankbord van hemelse sferen
Wordt de hemel bewust zichzelf
Ben ik slechts de helft
Van dit transformerende rijm
Dat besloot bij jou aan te meren

Onder een deken in ‘n narreslee
Zwabberend in lichte lucht, zilvergrijs
Genoten wij koude met z’n twee
De nacht van boomstammen zwart
Om onze hoofden verwijlend
Doorzichtig, zwaar en tastbaar
Het bestaan vernietigt
Lieflijke bossen lieflijke lotusvijvers
Onderaan De Toverberg
Meren van gevoel
Hiaten waarin bulderend wordt gelachen
Vormen in soevereine enkelvoudigheid
Een liefdevolle thuiskomst

De bodem van het zijn
Een klankbord van hemelse sferen
Wordt de hemel bewust zichzelf
Ben ik slechts de helft
Van dit transformerende rijm
Dat besloot bij jou aan te meren

leef zorgeloos – joost de jonge

Ach, ik denk, het is
Toch slechts een woord
Niet mijn verrijzenis
Ook als het bekoort

Hoog in de lucht klinkt
Het kloppen van een specht
Hoe hier het blad in mij verzinkt
Tussen bomen hoog en recht

Meisjes van vroeger nemen plaats in
Hoewel, steeds minder
Het leven wist mijn herinnering
Ik fantaseer nu zonder hinder

Het woord is een wonder
De motoriek van mijn weken
Omar, Zie je de koe
Jij die in de diepte dook
Hol en met frisse tegenzin

Kan een steen die daar
Zo zwijgend ligt
Dromen over zichzelf
Door duisternis gebonden

Een deksteen wordt geplaatst
Waar een nieuw leven begint
Is het hogere soms een muzikale allegorie
Waar meisjes van vroeger dansen

Het woord is een wonder
Ze laten je vallen als een baksteen
Die wondere woorden
Blijken dragers van licht

Ik fantaseerde mijzelf
Lief en zacht als elf
Een bloeden dat nooit stopt
Een niet bestaan tot gewelf

Ach, ik denk wat het is
Toch slechts een woord
Tot mijn ontsteltenis
Blijft de ware zin ongehoord

maxime van de consistentie – joost de jonge

Geen idee wat er gebeurt
Waar er iets begint
Het is als het krijgen van een kind
Van binnen losgetrokken, opengescheurd
Mijn hoofd is ademende ruimte
Die geel ontbloeit
Een kortstondige verschijning

* – joost de jonge

Een mens kan zich vergissen
Een mens mag zich vergissen
Een mens moet wel een mens zijn
Een mens wordt pas een mens
Voorbij de ijle lijn van een Wortsatz
Kleine zielen & infantielen
Megalomane onderwijzertjes
Passen en meten
Tellen en bezig zijn met cijfertjes
Het kleine leven met grote sier…
Aanschouw lieve vrienden
De nacht zwart als hij is
Een mier blijft een mier
En ieder is die hij is

* – joost de jonge

Een dichter dicht licht
Allicht soms wat te licht
Hier een woord erbij
Daar een woord eraf
Schreef ik het voor jou
Of voor mij
Hoe moet het nou
Het lichte woord
Wordt wat waard
Misschien verleent het mij waarde
Misschien verkrijg ik klaarte
Pijnlijk gespleten is de mens
Zijn zoektocht naar erkenning zonder grens

tweestrijd – joost de jonge

Ik verlang door te dringen
In het sappige zwart
Van jouw verleiding
Nu even niets bezingen
Geen bovennatuurlijke tijdingen
Slechts het kneedbare ik
Van een zwart verlangen

De grens liep op
In de richting van de bergrug (met een huivering)
Zoals een arend aanzweeft
Leeft hij in het huis van de ontschoeide
Een weerbarstige zoon
Onder uw voetzool

Er worden prijzen uitgereikt
Bloedend wil ik winnen
Stinkend en rottend
Zal ik het vieren die dag
De dag dat ik in je verdrinken mag
Je kunt natuurlijk
Beter jezelf worden
Maar mijn onkunde belette mij
Ik plonsde er zo in
En zwom (schoolslag)
Vol vreugde de verdrinkingsdood tegemoet
Verder weggezonken
Dan je kunt voorstellen
Door het koud woelende duister
Aangeraakt door een vloeibare hand
Gutsend in mijn lijf
Een hart dat
Altijd kloppen wil
Zal immer vluchten

Hier op de bodem van mijn verlies
Peinsde ik over het al
Het wel en wee
Van jouw hartgrondige nee
Een ontkenning van wie we zijn
Wat we hadden
Je bent niet dood genoeg
Jij symbiotisch gedrocht
Het dierlijke denken
Splijt mij mijn verwarrende ik
Ik ben verwond
Ik blijf hier gewond
Ik zoek je nooit meer op
Ook nu jij jouw dagen voor allen alleen slijt
Hier en nu vond ik mijn eeuwigheid
Eenzaam in genoeglijke gemeenschap
Echte liefde dooft al het licht
Om zelf sterker te branden

de heer g.k. – joost de jonge

Waarde heer, het spijt mij zeer
U nooit te hebben gekend
En u nooit meer te kunnen kennen
U raadt het, ik weet wie u bent

De helft van uw gezicht
Verschuile u, gespeend van licht
Ik droom van stille lieflijkheid
Die wij in het oogcontact delen

Nee, dit is niet mogelijk
Het geheel is abject en onooglijk
Het zou zo moeten zijn
Dat ik weet wie u was, afijn

Spaar mij niet onzichtbare
U en ik zijn één en niet te verklaren
Mijn ziel huilt en lacht
Ik heb u vroeger veracht

Stem van het establishment
Stem van artistieke tirannie
Stem van weergaloos engagement
Stem van tijdloze poëzie

ik droom – joost de jonge

Ode aan Jean Cocteau

I

Het enig werkelijke
Ben ik, zelf in de crypte
Van mijn eigenheid

De driehoek slaakt een zucht
Een zucht in glas tussen lood
Goud, geel, groen en blauw licht

Hier nemen wij afscheid
Van hem die nu de doden nader aan het hart ligt
Voorheen was hij een en al levenslust
Jong en vol dromen sterk en
Bezwangerd door al wat moest komen

Het groene licht vluchtte zojuist
In een verbogen voluut

Ik herinner mij de kracht
Van jouw zinderend vergeten
Van jouw ziedend stoomwit
Gestaalde gedachten

De vrouw die jouw schede was
Hoefde niets te verwachten
Zij behelst de drang van jouw groei

Tot in de kleinheid van herkenning
Tot in het kleine voelen
Tot in het stille bloeien
Van planten in de tuin
Tot in het oneindig doorgroeien
Van het aantal sterren
Aan het begin van de avond
Je omhelst hun schittering
Je stort je blind
In het verlangen
Naar hun glans
Gedwongen en onteerd
Alsof niets van al wat ik zei
Je kan veranderen

Zonder woorden ben ik niet vrij
Dacht je bij jezelf
Nee, je schreeuwde het in je hoofd
Ik hoorde je

Gekweld door kleinigheden
Gekweld door lasterlijke taal
Een mens is in zijn streven
Altijd ondergewaardeerd

Mijn ziel, de kinderen
Zij plooien hem in de
Duistere krochten van hun
Onberispelijke lofzang
Jij bestaat net als ik
Net even iets anders
Ik droom

II

Het goud van glas
Dat nu over je ligt
Streelt de plooien
Die giechelend schroeien
In de dans van jouw liefdesspel

Zoals zij glooien
Gladgestreken, dat wel
Als een antwoord
Je verslinden van top tot teen
Ik droom

Ik droom zonder schroom
Van een warm bad
Van klotsend vloeibaar goud
Dat mijn geest likt
En mij vult
Al mijn openingen
Zachtjes kussend binnensluipt
Hoorde jij mij
Of ben jij mij geworden

Ik droom


III

Dwang drukt op liefde
Van een onderdaan
Dwang drukt op de levenslust
Van een onderdaan

Een hersengolf die je
Bijna om doet slaan
Rijs nu, ga staan
En eer dit dode lichaam
Was het bijzaak
Dat je hier nu ligt
In een beschilderde kist
Gesloten, jij bent al naar huis
Wij eren hier de
Voetafdruk van jouw ziel
En zijn verwonderd
Dat je bent vertrokken
Wij zijn bang om te erkennen
Dat jij niet jouw lichaam was

Ik droom

mijmering – joost de jonge

Wat mij raakt is jouw lach
die als een afgevallen blad op het water
rust op jouw tragiek

Als een kathedraal
majestueus geheven
grijpen takken in elkaar
een Gotische boog beschrijvend
die zich tot in de verte uitstrekt

Ik ben een dolende
terwijl God slaapt
zijn wij wakker in de droom van God
wanneer hij wakker wordt
zal hij zich niets herinneren
en ons onze dromen teruggeven

Donker en stil
gefilterd licht valt
op het voetpad
boven mij is het bladerdek
nagenoeg dicht

tapijtvreter & de vliedende zwanen – joost de jonge

Een sensibel Pasja
had zich verscholen
na vruchtbare godsspraak
zeide zijn beschermgeest
hem zijn belofte gestand te doen

Het zou een pact betreffen
van vogels die van links naar rechts vlogen
een aantal van zeven witte zwanen

Het zuigend zwart zwicht
onder druk
van het klappende wit
dat echoot in ‘t zwerk

Een vermogend heerser
ging door ondiep water
een wade van nevelsluiers
lag over de ogen
van zijn verleden
in wapenuitrusting dwaalde hij
op het jachtterrein van zijn toekomst

De vleugels wit
vliedende zwanen
met een klapwiekend verstand
verlaat hij voor het moment het strijdtoneel
om de tijd af te stropen
waar zat hij verscholen
nu Pierlala zijn ootmoed toonde

naissance – joost de jonge

Edelmoedig gesternte in een duister bekken
Ik zag ’t vanaf de grond als één van jullie valt
Zal er al fonkelend het zieleheil vertrekken
Aarde beroert door Phoebus’ kinderen groot in getal
Wie verlangt zijn schijnsel het zal hem zacht bedekken
Door Inca’s getreden gouden regen zijn vazal
Wasdom van oerlicht het is één en al spetter’nd vuur
Regenboogkleuren in mij gewekt door de natuur

De vogel zag de aarde golven van bloeiend groen

Ik zie hem altijd als hij met de zon vrijt
Hij draagt wolken als gewaad
Door de wind uiteengedreven alsof hij ogen openslaat

Een gedachte ontsnapte mij voor ik hem kon snappen
Gelijk wind en bomen niet weten
Wie tot wie is gekomen
Zichzelf vergeten

Druppels lenteregen parelen
Op roze bloemblaadjes
Die afsteken tegen een grijze lucht
Door trillende bladeren omgeven

De vogel zag de aarde golven van bloeiend groen

Mist hing boven land te wachten op het ochtendlicht
Het lijkt mij mooi met de mist te drijven als microscopische bootjes
Stijgen hoog in de lucht
Hier zijn duizenden gezichten omgeven door stralend licht
Ik zweef zie mijzelf staan
Hoog boven de eindeloze oceaan

Edelmoedig gesternte in een duister bekken
Ik zag ’t vanaf de grond als één van jullie valt
Zal er al fonkelend het zieleheil vertrekken
Aarde beroert door Phoebus’ kinderen groot in getal
Wie verlangt zijn schijnsel het zal hem zacht bedekken
Door Inca’s getreden gouden regen zijn vazal
Wasdom van oerlicht het is één en al spetter’nd vuur
Regenboogkleuren in mij gewekt door de natuur

candela – joost de jonge

Het Licht stapte over de drempel van de nacht
Vliet door duistere krochten van ‘t verleden
Het verleden had deze voortzetting niet verwacht
Zichtbare speling van een dobberend heden
Een schicht vermeit zich waar hij zijn komst zag voorbereid
Mijn gezicht ‘n afstroomsel van spiritualiteit
De geschiedenis in ringen als gestold licht om de aarde
Aardstof een vuurbekken waar jij uitstraalde

meester zonder gezicht – joost de jonge

Ik hou vast aan de meester zonder gezicht
Een beeld van stralend helder licht
Ik zie alles in dit licht zonder lichaam
Zwevend over de aarde zijn overal regenbogen
Dit licht doorstraalt mij
Rijen huizen rijzen aan de oever van een brede rivier
Achter de huizen liggen bergen van stralend groen
Trillend in deze regenboog zag ik mijn gezicht
Een beeld van stralend helder licht

Steentjes in allerlei zachte schakeringen bruingrijs liggen in een bed van zand
Ik loop hier lachend door groen golvend land
Boomblaadjes dansen in licht dat al twinkelend de kloof van mijn verlangen dicht
Ik loop hier lachend door groen golvend land

Een geluid dat mij lijkt te doen draaien, grind knarst onder mijn voeten
Gelijk de bal van mijn voet bij iedere stap die ik zet in het uur van mijn stilte
Een streling van koude lucht kleeft als een zuigzoen onder mijn jas
Zand stuift op boven het smalle door braam en brandnetel overwoekerde pad
Enkele wandelaars lopen achter mij
De afstand tussen ons is groot genoeg om in mijn wolk van stilte te blijven

Glinsterende groene klank van duister blad
Blad dat in de verte met een zeker geweld deint op de aangezwollen wind
Ik lach om het onbekende in de wind die mij vijandig lijkt te zijn
Lachen als een dwaas om een grap die ik niet begreep
Een poets die mij gebakken is, niet door een bekende maar door een onbekende
Een meester die zijn gezicht niet laat zien

Ik ben een verdwaalde dolende ziel in het aardse
Bijna niemand zoekt of vindt echt, het ondenkbaar spirituele blijft onontgonnen
Ons lonkt slechts de consolidering van dagelijkse geneugten
Wij willen niet verlost worden en zouden zeker de verlosser weren

Lag in mijn luide lachen dat helder klonk niet het onbekende besloten
Was het misschien juist dit niet weten dat mij even verhief
Alles is relatief en hoe graag ik het ook wil ontkennen ik heb het leven lief
Dit lijf dat ik ben is niet alleen leeg maar zit vol met bloed en meters gevulde darm
Ik heb geen eigen wil, maar verwerkelijk de wil van de natuur
Ik heb geen eigen geest, maar leef de universele geest van de mensheid

Ik hou vast aan de meester zonder gezicht
Een beeld van stralend helder licht
Ik zie alles in dit licht zonder lichaam
Zwevend over de aarde zijn overal regenbogen
Dit licht doorstraalt mij en huizen rijzen aan de oever van een brede rivier
Trillend in deze regenboog zag ik mijn gezicht
Een beeld van stralend helder licht

de oneindigheid van het oneindig kleine is niet alles – joost de jonge

Ik zuig het licht op
Van gestorven tragiek
Leef in de blinkende ogen
Van wie mij ziet
Omvat de ruimte
Zoals het onkenbaar immateriële
Ruimte geeft
Aan het universum om uit te dijen

Is het kleinste zo oneindig
Groot en onzichtbaar
Het draagt nog vele
Andere materiële universa

Op een andere onmogelijk te doorgronden manier
Doordringt dit oneindig kleine alle materie
Het nulpunt is de kern van alles dat vorm heeft
Zowel van binnenuit als van buitenaf ontsluit het
De mogelijkheid tot bestaan.

Let wel, lieve lezer
Dit is niet alles

De oneindigheid van het oneindig kleine is niet alles
En is in die zin niet zonder grens

Het absolute weten, kennen en begrijpen
Verschuift altijd in de tijd
Indien wij de massa van de zon exact konden bepalen
Dit is dan nog steeds niet alles en ook niet constant

Weet dit lieve lezer,
Ik verstoot alle massa ik
Leeg en zwaar als ik ben
De twijfel van het moment
Is wat je voelt dat aan je aandacht ontsnapt
Jijzelf bent het gewicht van het verlangen te zijn

Wat is de oneindigheid van het oneindig kleine toch gering
Achter de horizon vallen regendruppels
Daar is er ook een horizon die niet samenvalt met die van mij

Kon ik maar doorstoten in het rood van de ondergaande zon
Leven in de laaiende kleuren die mij doorstromen
De duisternis graait, een stille kracht slokt mij op
Zwart is de werkelijkheid die de onstuimigheid van mijn verlangen stilt
Ik ben verdwaald in de wereld terwijl zij in mij naar zichzelf zoekt

Alsof zij stil valt in de schitterende kalmte van een oranje ster
Straalt het Andere zo in mij van ver
Vergaan is ook dit licht
Wat is nu het verloop van tijd in dit gedicht
Slaag ik in mijn medemenselijkheid
Ik ben verdronken en de golven die mij opslokken
Zijn van een tastbaar goud
De golven die mij verdronken hebben
Spetteren vanuit de andere wereld
Ik heb gedronken, misschien was het teveel
Ik ben verdronken in de wereld die ik nooit zal zien als geheel

De oneindigheid van het oneindig kleine is niet alles

Een weldaad is het licht van de zon
Benedictie, deze zalving die in het oneindige begon
Implosie van de zichtbare wereld
Alles kantelt in het toekomstige zijn
En helt over in een oceaan van het allerkleinste
Het allerkleinste onveranderlijke deeltje zal zich dan ook openen
Om nu dan werkelijk het oneindige prijs te geven
Uiteindelijk staan wij dan met lege handen in de tijd
Bloeien de appelbomen op het topje van mijn vinger
En dansen de ooievaars tussen mijn wimpers
Stijgen zij op de natte thermiek van mijn lach en mijden de daalstromen

De oneindigheid van het oneindig kleine is niet alles

lucide – joost de jonge

Er ligt een zwarte gloed over de hoeve van Speksnijder
Die gloed ademt en zuigt alles op
Toch blijft alles onaangeraakt
Die gloed, die slokt mij op
Ik slok die gloed op
Mijn verlangen te verdwijnen in een diep duister
Doet mij opgaan in die gloed
De zwarte gloed die over de hoeve van boer Speksnijder lag
Deze gloed lag te trillen en te rillen als een onweerswolk dijde hij uit
Ik begreep dat ik hem niet pakken kon
Ik verstond het raadsel dat hier tussen de spanten klom
Een raadsel dat zich kromde en krulde om het schuine dak
Een dak dat beschermde zoals de tijd mij beschermd had
Zonder je aan te raken

Rode koperen draden kronkelen door de lucht
Het is vooral de kleur die mij verheft
In helderheidsdromen aan jezelf ontkomen
Door buiten je voorstellingsvermogen te zweven

Moede maar op mijn hoede verdween ik in ene
Verloren in een onbekende tijd
Tussen mij onbekende mensen
Dwalend over het motief van een uitvergroot tapijt

Ik ben hier aanwezig
Ik heb geen beeld van mijzelf
Alles wat ik zie ervaar ik zuiver
Maar wie verschuilt zich in dit zuivere ervaren

De kinderen spelen met bouwblokken
Voor mij staat hete Ginseng thee
Laat het nu maar los
Jij die niets vast kan pakken

Ik bereik een keerpunt in mijn denken
Dwalend op het kerkhof
Waar wij zoeken naar voorouders en anderen
Vleselijke huizen van onze gedachten
Verteerde huizen die nu zijn verstrooid

Er ligt een zwarte gloed over de hoeve van Speksnijder
Die gloed ademt en zuigt alles op
Toch blijft alles onaangeraakt
Die gloed, die slokt mij op
Ik slok die gloed op
Mijn verlangen te verdwijnen in een diep duister
Doet mij opgaan in die gloed
De zwarte gloed die over de hoeve van boer Speksnijder lag
Deze gloed lag te trillen en te rillen als een onweerswolk dijde hij uit
Ik begreep dat ik hem niet pakken kon
Ik verstond het raadsel dat hier tussen de spanten klom
Een raadsel dat zich kromde en krulde om het schuine dak
Een dak dat beschermde zoals de tijd mij beschermd had
Zonder je aan te raken

het verscholen dorp – joost de jonge

voor Henk van Loenen

We keken naar links en naar rechts
midden op de weg stonden we even stil,
alles is kleiner geworden.
Kleiner zijn mijn gedachten
alsook het denken dat ik wil.

Wij kennen elkaar
er bestaat een zekere band,
gedragen door verstand en gevoel.
Wij zijn zwervers in hart en hoofd.

Stenen liggen op hun kant,
onregelmatig gewelfd
kromt de Kerkweg zich hier en daar,
kraakhelder drijft een schaduw op het water onder de brug.

Als wij maar niet te veel vragen
en als de haagbeuk lijdzaam verdragen
tot een genoegzaam schikken
boven de rug van een meikever
de hele ruimte zien.

esse – joost de jonge

Hoe is het toch begonnen?
De bomen die vielen, de bloemen die …
Hoe heeft men de velden ontgonnen?
Hoe kwam dat licht van binnen?
Hoe is het toch begonnen?

Ik noem het maar Gods wil
bij gebrek aan beter.
Ik noem het maar…
wat ik maar wil.

Vlieg dan toch!
Hou niets meer vast.
Ik bedoel maar…
laat het toch gaan,
die wil.

In jouw ogen is alles mooi.
In jouw oogopslag ligt de kracht
van de natuur.
De prachtwolfsmelk bloeit wit en rood.

In esse blijven,
niet vergaan niet vergroeien
niet ontstaan niet verloren
niet verwekt wel bloeien,
niet vergaan.

Wenk mij en ik zal komen
lust, drijfveer van de liefde.
Wenk mij en ik zal komen.
Goud-geel-groen hart
slaapbol in rode vingers gevat.

Neem mij nog een keer mee,
op reis in het water van jouw voelen.
Neem mij nog één keer mee
naar de diepste grond van mijn jeugd.
Neem mij nog een keer mee,
daar waar ik ongespleten bestond.
Neem mij nog één keer mee,
God, heel deze wond.
Nog één keer wil ik bij je zijn,
mijzelf, alsof ik je niet verstond.

Van binnen leeft nog steeds deze aarde,
sta ik nog op deze grond.

Wat ik daar zaai zal groeien,
wat ik daar aantref blijft bloeien.
Niets valt er hier naast,
niets rust hierbuiten.
Niets, niets, dan een woning van gevoel.
Hoe kan ik je buitensluiten
terwijl jij alles bent wat ik,
wil zijn…

Begrijp je wat ik bedoel?

Dan zijn wij dicht bij elkaar,
dan zijn wij van elkaar,
dan, … zijn wij elkaars niets,
dan zijn wij…

Hoe is het toch begonnen?
De bomen die vielen, de bloemen die …
Hoe heeft men de velden ontgonnen?
Hoe kwam dat licht van binnen?
Hoe is het toch begonnen?

hoofsheid – joost de jonge

De maan glinstert
in de lucht
de maan danst
als was het een vlucht
stralen versplinterd
de hemel heeft geglansd.

Het hart bonsde
in mijn borst
liefde bloeit
teer waar ik naar dorst
in de lucht gonsde
gelijk sferisch vergroeid.

Ik bemin u nu
ik ben totaal verdronken en verloren
zoals ik hier in de ruimte tussen de bomen hang

ik bemin u, ik bemin u nu
zoals ik hier sta en denk
zoals ik verlang en mijn liefde schenk

ik bemin totaal verloren
in het oneindige herboren
het licht witter dan wit
is het werkelijk dit?

Diotima
uit u ben ik geboren
in u slechts besta ik
ben ik witter dan wit?

het thuisland – joost de jonge

Latifundiaat van de dromer

 
I

 
Hoe bepaal je je richting
wanneer je beseft
dat het opmeten van de oneindigheid
tot een onbeperkte indeling leidt…

Aan de aarde gebonden
door het tijdelijke verslonden
deed een profeet konde
van het thuisland
dat hij had gevonden.

De aantrekkingskracht hiervan
was veel groter dan
de zwaartekracht van de aarde,
zijn gerichtheid bleef daardoor graviteren
rond het centrum van zijn verlangen.

Ik houd van de fantasie van mijn dromen
waarin beide extremen bij elkaar komen
fantomen verwaaiende boven uitgestrekte velden
stollende lava in mijn hand.

Een zoon van vader zijn vader zijn zoon is ’t gewoon
alhier komen wij het oneindige toch nader
en is het thuisland niet, gewoon zichtbaar
toch blijkt het ongeschrevene zomaar het meest waar.

 

 

 
II

 
Laat mij verankerd blijven
in de paarlemoerglans
van mijn innig geluk
stoppen met het strijden
tegen die dwingende
onophoudelijke
angst voor het niet-zijn
die al te zeurende angst
buiten jezelf te vallen.

Het ijkpunt van de geest
bestaat vaak uit gedachten
van hoe het is geweest
zo bestaat ons huidig geluk
uit vele herinneringen
niet uit verwachtingen
van een zo goed als stuk
ideaal, pogen en trachten.

Toch blijft mijn verlangen
naar heelheid ongebroken
en is mijn innerlijk behangen
met blikken van mijn voorouders
wier liefdevolle licht
mij streelt, gezicht tot gezicht
hierbinnen worden zij niet ouder
hier verblijven zij als zojuist ontloken.

 

 

 
III

 
Het is als een bergtop
door een wolk gestolen
bewaard voor de fantasie
die onverholen illusie
die spreekt door het zwijgen
in mij te beroeren.

Erosie van de droom
suikerkristal berg…
bevroren stroom
tinkel goudgeel
chocolade gesmolten, kolkend naast de weg,
heet dampend
is de bron van mijn opgewekt wachten
op de weg, tegen de berg
in de sneeuw onder een deken

geluiden van een naderend onheil
uit een hoger gelegen bos
waar tussen de bomen
het licht bleker
en de lucht ijler is
de slede wil voort
omhoog vanuit de duisternis.

Door uitwasemingen,
ragfijne etherische wolkjes
lucht-paard-lucht
werd ons vertrek aangekondigd
en het geluid
van het traag tikken
der hoeven
door sneeuw geabsorbeerd.

…nu loopt de slee
met de paarden van de bladzij
en het ik van de dichter
er achteraan…

 

 

 
IV

 
Geborgen in de schoot
van de liefde, die hem omsloot
danste hij, zong hij blij
van zijn aanstaande dood
een vlinder gevangen
in een net
met een speld op zijde
gezet.

Vanitas vanitatum
de blinkende toekomst
en brullende volzinnen
van Freudiaanse versprekingen
bonkten op zijn schaal
een klank die van binnen niet dooft
door zijn spreken in metataal
een koninkrijk terug geroofd.

Land dat was vergeven
niet steeds een droom gebleven
door een eenling slechts gehoord
was er wel sprake van zulks een gesproken woord
velen deden in de ban
wat werd geboren uit nood
was als een nomade
die een weide ontsloot
en boven het heet zand
al trillende in de lucht
verscheen daar het thuisland.

Daar achter de bergen
voorbij de baai van Eden
woestenij van verlatenheid
hoe zonderling dat hier
een houten stok rotsen splijt.

Vochtstippen verschijnen als voetstappen in het zand
paarden met witte benen passeren zonder tol
daar zij aan het spirituele zijn verwant
het geestrijk functioneert niet zonder toverknol.

 

 

 
V

 
Ik dacht mij een zee van kleur
een land waar ik gedragen werd
door de liefde van zijn eigenlijke eigenaar,
latifundiaat van de dromer,
die onzichtbaar
toch overal voelbaar
de gouden stenen van de straat
hun glans gaf.

In de morgen was voor een moment
ontloken de wederom gesloten bloemknop.
Estivatie hield verborgen, hetgeen
ontluikt in het helder licht van de morgen.

Zinnebeeld van de blauw-bloedende stad
lusthof vervult van een meerstemmig gezang
hier groeit hoe-langer-hoe-liever niet van zoet naar wrang
in zijn ontkenning doet hij zijn belofte gestand.

 

 

 
VI

 
Aan de aarde gebonden
door het tijdelijke verslonden
deed een profeet konde
van het thuisland
dat hij had gevonden.

Uitgestrekt in de ruimte
een rivier ter rechterzijde
grienden ter linkerzijde
de lucht, zacht blauwzilver
ligt onaangeraakt wit
een ondergesneeuwde weg
dit ongetreden pad
zou het best onbegaan blijven
rustende in het land
waar de aanwezigen verborgen zijn.

de gevleugelde boodschapper – joost de jonge

De kraag om zijn nek, is als het leidsel van een vleugel
De tak in zijn bek, is als een overwinning zonder teugel
De rust die hij brengt, wordt als een dadenpad, verengd
De kleur van zijn veer is als het zilvren licht van weleer.

In nevelen gehuld, kwam uit het pulserende verzwijgen
van wat niet gezegd kan en ook nooit gezegd zal worden
een gevleugelde boodschapper te voorschijn.

Hij sprak niet van wat ik kon krijgen
Ook gaf hij mij niet de sleutel tot aanbidding van horden
Maar hij sprak in de kleuren van zijn weerschijn.

Ik werd doorstraald
Op een onbekende betekenis onthaald
Mijn wezen was in lichtstralen vertaald

Werd hier voor mij uitgelegd
In de taal van een ander zijn
als een uiterst kleurrijk klankfestijn.

Hoe klonken de klinkers die klonken in het neerdwarrelen van betekenis
Hoe zij in mij verzonken en spraken over de waarde van mijn gemis
Hoe was mijn verlies beklonken tussen haat en droefenis
Een vastklinken van de grievende pijn der nimmer aflatende treurnis.

Ik was aan het drozen, in de nis van mijn innerlijk weten
Waar zonder overleg ik voelde wat van werkelijke waarde is
Waar veel papier met droedelen werd versleten
En ik door een droede op mijn borst gezeten, verdronk in sidderend dromen
En zag voor mij een heel nieuw drogbeeld van betekenen opkomen
De vragen werden versluierd door de uitleg van het teken voor vis.

Toch werd zijn wezen vervuld
In een nieuw lichtend Zijn gehuld
Kon hij ontplooien in geduld

Met aan zijn voeten gebonden
De wiekelende woorden
Die waren als zuiver klankakkoorden
Van het liefdevolle stralen
Dat de gevleugelde boodschapper
Deed nederdalen.

contemplatie – joost de jonge

Ik was ondergedompeld
in beschutting mijner oog
en liet hier zonder vertoog
een standpunt achterwege.

Ik daag hen uit
die in hun bastion van kennis
en habitueel gedrag leven,
binnen een palissade van gedachten
een inperking
van het oneindige niet-weten,
hetwelk de ingeperkte ruimte
vrijelijk doorstroomt,
deze is niet een antipode als zodanig,
veeleer is het als de buitenruimte
inwendig gedacht,
ruimte…
als de lucht in de mens-wolk
(een open stelsel van verbindingen)
omnivalent en omnipresent.

De aarde draait
weg van de zon
langs de zon
om de zon
het centrum blijft op dezelfde plaats
onbewogen.

Kijk naar de zon
vanaf de aarde,
consumeer hem
in gedachten, woord en lichaam;
zie de zon
door hem niet te bekijken.

Bevindt de as van de aarde zich waar wij hem denken?

Zijn namen in overeenstemming
met de kwaliteit van hetgeen ze benoemen?

Is alles in het zonlicht ook zonneklaar?
Is door het benoemen van de werkelijkheid niet
het werkelijke betekenen meer versluierd
en verder van ons af komen staan!
Terwijl hier geen sprake is van concrete afstand,
laat staan van een werkelijk staan.
Stap voor stap
op deze steile trap
zonder treden,
terrassen gelijk
ga ik omhoog
naar een ommuurde tuin
daarvoor, een arcatuur
met een binnenplaats na ieder boogje
ik sta even stil
om het niveauverschil te overbruggen.

Gezeten in de koele schaduw van het binnen van het kasteel
keek ik uit over rotsachtige heuvels
die het begin vormden van een stijl gebergte
waarvan de besneeuwde toppen
in de verte zichtbaar waren
en wier koude voelbaar
afdaalde naar zee
om de koppen van golven
te bekleden.

Ik was ondergedompeld
in beschutting mijner oog
en liet hier zonder vertoog
een standpunt achterwege.

een buiten dat ongekend is – joost de jonge

Vruchten rood
karmozijn, rood
liggen op een kleed
grijs, zwart, zachtgeel, lichtbruin,

schaduwen vlekken
brullende leeuwen
met wijd open bekken
liggen hier verborgen, eeuwen

achter tralies van goud
een kooi als zwerk
ik heb mij verstout
onder te duiken in werk.

…werkende geest, Atlas liet de bol rollen
werk Atlas, de geest liet de bol rollen
werkende rollen, liet de bol Atlas de geest…

Ik tors de wereld in mij
verborgen betekenissen
zwarte gaten, zwart van tijd
platgewalste ruimte
die je kunt overbruggen
door te doen alsof

door je een voorstelling
te maken van wat er buiten
de overgeleverde traditie ligt

door je voor te stellen
dat je aan de grens
van jouw voorstellingsvermogen staat
en de grens niet vermag te passeren

hier zul je dan
terug moeten keren
met je rug naar het gekende

bekende onverklaarbare bekentenissen
in het zwarte buiten
van wat je niet is verteld
dat je uitnodigend verplichtte
te blijven.

De grenswachter negeerde
jouw wachten aan de grens
tot je besluit te aanvaarden
dat je zelfs de grens
van jouw vaderland niet kunt overzien.

De grenswachter negeerde jouw blik
naar binnen
in een buiten dat ongekend is
terrein veroveren dat niet van jou is
is als wandelen
op blote voeten
in een koel stromende beek,
waarin duizend steentjes liggen
en geen dezelfde leek,

kronkelend en golvend
door land dat er welfde
waar boomwortels delfden
onder grond bedolven
kwamen de wolven
uit de donk’re bosrand
schemerige schimmen,

wier klauwen de grond verscheurden
kluiten vlogen in het rond
brokstukken onbekende grond

ze openden de ongebroken duisternis
trokken er spleten in
scheuren van wit
net zo ondoordringbaar.

Vruchten rood
karmozijn, rood
liggen op een kleed
grijs, zwart, zachtgeel, lichtbruin

schaduwen vlekken
brullende leeuwen
met wijd open bekken
liggen hier verborgen, eeuwen

achter tralies van goud
een kooi als zwerk
ik heb mij verstout
onder te duiken in werk.

de paradijstuinen – joost de jonge

hier fluisteren wij… hier fluisteren wij…

In de stille nacht
lag voor mij uit
tot ver in het onbekende
een nauwelijks zichtbaar conglomeraat
van paadjes, beken, stroompjes
en vijvers met fonteinen

in het stalen lichtblauw
van de nacht
lag alles verstild te dromen
en sprak onbewust
tot de maan

de kleuren van het groen
en de bloembedden
zwegen

hier fluisteren wij… wij fluisteren hier…

al was er een enkele bloem
die wat murmelde
een symfonie van
twinkeling in het duister
een zorgvuldig
in het onzichtbare
georkestreerde harmonie
van Gods bedekkende luister

in deze nacht
naarmate het duister ijler werd
klonk er een staccato
van gekwetter en gefluit
de vogels in de tuin ontwaakten
en wekten in mijn geest
helder het licht
voor de dag aanbrak

voor mij was het
alsof zij al zingend vlogen
door dat onbreekbare wit
van besneeuwde bergtoppen

waar hun zang
samen met het licht
op ieder facet van een sneeuwkristal weerkaatste

wij fluisteren hier… hier fluisteren wij…

de knoppen in de bloembedden
ritselden
de bloemblaadjes
knisperden
goudgeel in hun binnenste
als weerklank
van de zon.

wij fluisterden hier… wij fluisterden hier…

icarus – joost de jonge

Invitation au voyage

als was hij van goud… als was hij van goud…

Hij is een statisch geworden beeld
al wapperend met zijn vleugels
die ook nu nog in het water
van Breughel drijven
waar hij spartelt met zijn benen
en een diepe voor trok in het bewustzijn
van irredentistische zonaanbidders.

niet alles is goud… het is niet alles goud…

Koning Minos droomde
van Midas’ gave
de hybris ten top
vanzelfsprekend kon hij deze droom niet begraven

gelijk Icarus
die steeg op
uit het labyrint van zijn herinnering.

het gelukte… het gelukte hem wonderwel…

Terwijl hij opstijgt
en de hitte hem drukt
is het stil
achter zijn oren
dicht tegen zijn hoofd
ligt een stukje huid
vrij van de wind.

Vrij van de werveling
onder zijn armen
vrij van de striemende banden
die de vleugels aan hem bonden
zo hoog in de lucht
lag zijn hoofd
als gewichtloos op zijn schouders
zijn emoties waren gerust
met de golven onder hem
nauwelijks zichtbaar
noch hoorbaar
de roep van zijn vader.

de zee! … de zee ademde…

Hij leek gehypnotiseerd
verloren in het gebogen blauw
van waaruit de zon hem aanstaarde
terwijl de was in dikke druppels
van zijn handen droop.

Allengs was hij vergeten
alle raadgevingen
tot het behoud
van zijn vleesgeworden ik
hierboven, zoemde de tijd
en lag het verloop verborgen
in vergetelheid.

hierboven zoemt de tijd… zoemt de tijd…

Gedachten ontstonden wel

maar bleven zonder vorm
zo tilde zijn gevoel hem op
ontstegen aan conventie en norm
waande hij zich een vogel… zo vrij.

De veren rond zijn gezicht
dwarrelden naar beneden
fonkelend in diep geel,
brandend oranje licht.

witte veren dwarrelden naar beneden… witte veren, die oranje schenen, dwarrelden… dwarrelen, dwarrelen, dwarrelende veren… witte veren die oranje schenen, dwarrelden, dwarrelden naar beneden…