ikker – joost de jonge

I

zo zonder gedachten
ruisend in een open lucht
al te lang heb ik moeten wachten
in het duister, druipen grote druppels ik
rollend in een blozende leegte
van jouw zwijgende ontkenning
 
 
II

ondergronds werken zij met plezier
aan een gangenstelsel
een minuscuul dier dat jouw bloed drinkt
vele poorten en tunnels, een stelsel van verbindingen
hier een begin daar een einde
poppen, ‘t minnespel bedrijven
buiten in het bos
ooievaar staat stilzwijgend
met z’n bek tussen ‘t verendek
een hinde ijlt
‘t verwaaiende bos in
je weet heel goed,
dat niets zal beklijven.
 
 
III

ondanks dit al
verlucht jij het leven
door een kostuum in ruiten gedreven
poekelen wij met z’n allen
een verloren gezelschap
aan de vooravond
van het poezelig echec
ikker, is dat meer ik?
je hoopt ‘t wel, natuurlijk,
‘t is beter van niet
kon ik maar voorkomen
dat jij niet jij ook sterft van verdriet

gericht II – bassie van der laan

nou het was dus nooit

het was nooit niet de bedoeling

dacht schiet herses uit kop

as sie nieuwe krijg

wordt tie vast beter

knapt tie van op

ik ben boek – hanny van alphen

mag ik even het woord
ik ben boek
niet zomaar een boek
een gebonden boek
deel I en deel II
ik heb een harde kaft
en knisperend blad
geregelde letters
klein en groot

een paar ezelsoortjes
en vaalblauwe afdruk
op m’n eerste blad, en oh ja
ik ben genummerd
heb een streepjescode
en sta met mijn rug
tegen de muur
van de bieb

afgeboekt ben ik
nu te koop
voor de helft van de helft
van de boekwaarde

domweg II – hanny van alphen

op een muisdag
de kater verjagen

luilekker op de bank
luisteren naar een mengelmoes
van kinderstemmen
en Jimmy’s blues

lucy II – marco martens

Ooit vlochten onze vingers als vanzelf in elkaar
maar na verloop van tijd zijn ze gaan wijzen.

Meestal als er sores is dan heb ík het gedaan
want ze begrijpt niet dat ik probeer haar te begrijpen.

We moeten lijmen, kopen bloemen, hebben spijt en praten uit
om te vermijden, te verbloemen, kennen pijn en slapen thuis.

We delen uit en incasseren, draaien kundig om de kern
tot de nacht wordt ingezet en onze echo langzaam sterft.

het doorzichtige gelaat van de avond – maaike klaster

I.

Wil je weten hoe het voelt, de pijn
die jouw haat dagelijks veroorzaakt?

Daar kom je nog wel achter
en dan zit ik allang bovenop een heuveltop,
onder een dadel-, vijgen-, appelboom,
uit te kijken over het paradijs, de tuin van God,
van Jahweh, Vishnoe, Allah. Alles.
 
 
II.

Wil je niet weten hoe het voelt om tegelijk vlees en liefde te zijn?
Ik ben beide.
 
 
III.

Nu je over de dag uitkijkt, toont de straat het doorzichtige
gelaat van de avond, de laatste zonnestralen.

Alsof er een fles met ranja lekt en alle limonade
over onze daken stroomt. Alsof ergens een heel groot feest is
en degene die altijd aan ons denkt met uitgestrekte hand van ver
ons allemaal een glas inschenkt.

Met gulle stralen dooft het licht, sijpelt de avond ons leven binnen.
Alsof je het ontwaken ‘s ochtends hebt gedroomd,
want je zwemt zo door het raam naar buiten, dompelt je in
oranje onder, trekt baantjes, maakt rondjes, houdt je adem in
en duikt zo naar de dood omhoog.
 
 
IV.

Hoe ze mijn ziel, mij geest, mijn lichaam vermorzelden.
Hoe mijn hart hen nog steeds in gedachten had.

Hoe ik mijzelf uit die doodskist bevrijd heb
en nooit meer terugkeer
naar de haat waarmee ze mij wilden begraven.

Ik heb lief, dus ik besta.
Vraag maar na.
 
 
V.

Deze planeet zal ik verlaten
zonder schuldgevoel, spijt of schaamte.

Mijn huid, vlees en geraamte
laat ik achter voor de moeder die het maakte
en elk deel terugneemt in haar schoot,
tot iedere dochtercel is opgenomen in de grond
en koolstof uit aarde opnieuw tot leven komt.
Hoe vruchtbaar is een graf.

Er zullen appelbomen groeien waar ik lag.

als je alleen maar nette woorden gebruikt, ben je een goed mens – maaike klaster

I.

Je vrijwillig tot bloedens toe in je reet laten neuken
en dan roepen dat je – boeh boeh – pijntjes hebt.
Smerig wijf.
Niet de seks is vies, maar jij.
 
 
II.

Je zit recht voor m’n neus in je broek te schijten,
terwijl de w.c. hier op de gang is, en zegt dan ook nog
achteraf dat ik degene ben die jou moet helpen je reet af te vegen,

weigert te luisteren naar mijn verhalen terwijl je opzichtig ongemakkelijk, expres zit te persen, laat weten niet te willen weten wie mij zojuist de tanden uit m’n bek heeft geslagen. Juist, dat was jij.

krakatau II – jan holtman

Ze proestte het uit, maar sloeg ook een gilletje, want er zijn mensen
die je dood willen!

Ik ondertussen zette koffie en lette niet op haar, na twee minuten
stilte deze dag,

en toen droeg zij voor en citeerde er vrolijk op los: weet jij wat een
dreigement is? Dat ik je adres heb.

de avonden II (tweede versie) – debby visser-neale

Hij neemt haar mee naar
zijn hotel, daar ligt ze
op het laken
voorlopig aan
het kruis genageld tot
zijn tijd is gekomen

ze streelt zijn intieme delen
en maakt hem vleugel lam
hij heeft haar met zijn hand bewogen
is daarna naar zijn vrouw gegaan

over de waakzaamheid van gras II – ruud poppelaars

Je houdt je vast aan vallende sterren, stenen zomers,
papieren lentes.
 
En de vleermuizen suisden nog wel zo mooi vroeg dit jaar.
 
Reeds bezongen in de groeven van je gezicht de honderd tongen
van de meikever. De dagen opgerold in gonzend licht; en
volgelopen
 
-van zilver- zei je -van titaan- dacht ik. Een novembermeisje
bombastisch wit. Het stond tussen gras te drinken; te verstenen
in kreten met kristal.
 
Een gedroomde roos of een verzwegen haven; kalklijnen verheffen
zich niet om in te verdwijnen.
 
Het is hier dat ik de wereld draag aan de poort van de zee die
opengaat als het hart van de bij. Jij het blad, waartoe alles
beweegt plooit op bed met de dag ertussen
 
en een oude horizon op m’n kussen legt.

de avonden II – debby visser-neale

een bed
en daar lag ze dan
voorlopig aan
de lakens genageld
ze streelde zijn intieme delen
en maakte hem vleugellam
hij heeft haar met zijn hand bewogen
is daarna naar zijn vrouw gegaan

verjaardag II ‘de dag’ – jan holtman

Een zaterdagmiddag, 13 januari. Het regent en het is koud.
Op de radio een weerbericht: plaatselijk kans op ijzel.

Hoor je dat?
Ze strooien heus wel.
Hoe laat moeten we er zijn, uur of negen?
Nee, eerst koffie, acht uur!

Haar parfum overtreft het muffe interieur van de oude Golf.
De ruitenwissers piepen natte sneeuw van het voorruit .
Voor ons doemt een strooiauto op, ik minder gas. We zijn
er bijna, maar het cadeau, de vaas, vergeten.

Het geeft allemaal niets, onze jassen mogen gewoon
aan de kapstok. Na de koffie en het gebak is het zover.
De schaal met hapjes, de toast op de jarige, het glas,
de oude verhalen, de wanprestaties van het elftal…

Ik leeg mijn blaas met huppelwater op het toilet van
haar zus, alwaar ook mijn naam prijkt. Sierlijk met
een vulpen geschreven.

vaders woorden II – jan holtman

niet ik, maar zij is een hond
vals als de nacht in een stad
die tandenbloot als een
blinkend mes naar je lacht

drie distichons II – jan holtman

C1000

Morgen weet ik het, zegt ze
Alice, baliemedewerkster

Keukentafel

te koop aangeboden
zeer doorleefde keukentafel

Gehoor

bij geen gehoor gelieve
niet nogmaals te bellen

coda voor een eeuwwende II – peter wullen

decennium
 
het geheugen
pleegt roofbouw
 
je woeste
zelf opgelegde
selffulling prophecy
breekt tijdelijk
 
haar censored

impressie van een rijke jeugd II – jan holtman

de zwemwedstrijden op zondagmiddag
en de bus naar Veendam, het gezang
op de achterbank zaten de beste

zwemmers, met sporttassen groot
als gingen we een week op vakantie

herfstgeuren – jan holtman

I

het gras doet geen moeite meer
voor de mooiste vrouw
het laat zich haar
gaan liggen en vangt
een zonnebril op die
achteloos van haar hoofd glijdt

en wat blad van de bomen
Het Hof in geuren, herfst
op een blanke huid
 
 
II

de herfst aanroepen en denken
dat het dan wel goed komt
met wat beelden de goden
op goed geluk verzoeken
aan de vooravond
van haar komst

dat het weer om zal slaan
met trek in de schoorsteen
en sissend eikenhout
 
 
III

nat nog van de gekapte boom
die herfst was in blad en bast
de jaarringen nooit geteld
niet het water, noch de wind
aan de vooravond
van het vuur

dat aan mij voorbij zal gaan
omdat morgen zij, omdat
morgen zij een ander zal zijn
 
 
IV

dan klatert water
in het watercloset, geen rivier
met smeltwater en stenen
die onze dranken koelen
naast de tent die de elementen
door haringen gebonden doorstaat

dan klatert water
en sluiten we de ogen met
hoor je de wind, de regen?

te gek voor woorden – hanny van alphen

I
 
aan de stalen tafel
schrijft hij zijn annalen
zijn pen gevuld met vitriool
de data en de namen
de onbekwame, de gegeselde
en de gek

hij haat hen, ze kennen zijn gebrek
vanuit het raam ziet hij
de rozentuin, de rotsen en
het getraliede hek

zijn hoofd staat niet naar strepen
die schuinweg de tegels delen
licht en donker
hij tekent het op

schaduwen die verder schuiven
versnipperen het denken aan
vrije vlucht, zijn borst gaat op en neer
adem kent geen tucht

in zijn hoofd breekt een ijzer
de klamme muren
waar een woeste zee
krijsend op de rotsen slaat
schreeuwt hij zich een meeuw
de onbekwame, de gegeselde
en de gek schreeuwen mee
 
 
II
 
hij tekent vogels, knipt ze uit
ziet ze vliegen
over het hek van de dam
en laat ze landen aan het stalraam
waar alweer een zomer nadert

hij ziet zichzelf, een broekie nog
met bibberbenen, hij hoort
het vegen van de wilg, onophoudelijk
getik van regen op het golfplaten dak
klompen op de stenen komen dichterbij

hij was niet gek, het waren de ogen
van de opgezette fazant
ze keken hem priemend aan, hij heeft ze
uitgestoken met een aardappelmes
ja, dat heeft hij gedaan,

vloekend vliegt hij op
tegen de onbekwame, de gegeselde en de gek
een vogelteken
verwijderd van zijn laatste zomer
sluiten zij het stalen hek
 
 
III
 
hij pakt zijn jas
en naait een binnenzak, ja hij is handig
met naald en draad
de kleur is verkeerd, het had bruin moeten zijn
karmozijnrood is voor priesters
en hoerenhuizen

regen, alweer die regen
het getik maakt hem gek
hij denkt aan Romana
zij hield van hem, hij zoekt een foto
hoort weer haar stem
mañana mañana
waarom verdomme gingen morgen en de dood
aan de haal met haar

verbeten
naait hij steek voor steek
de foto in zijn binnenzak
de onbekwame, de gegeselde en de gek
maken ambras, goed zo
hij wil niet dat ze zien
wat hij heeft opgesloten in zijn jas

de berg II – walmzand

lagen schuiven
aarde stroopt
ik, boven op een schots
opgezweept tot grote hoogte
zie de afgrond
er drijven wolken in
adelaar valt omlaag
de prooi is daar, diep
te ver voor mij
brodeloos, daar hoog
als een heilige op een pilaar
ascetisch
een vlinder fladdert om mijn hoofd…

duizelig II – gerardus

Hier bestaat in de balletwereld
echter een trucje voor dat “spotten”
noemt. Men kiest een vast punt
in de zaal en terwijl men draait
blijft men daar zo lang mogelijk
naar kijken, wanneer je je hoofd
niet meer verder kunt draaien,
draai je je snel om en zoek je zo
snel mogelijk je punt weer op.

Dit vereist een beetje oefening,
maar je zal zien dat het helpt.

azze I t/m VII – {{{ïe-e-ïet-e-iët-e-ïet-e-iets}}}

azze I t/m VII - {{{ïe-e-ïet-e-iët-e-ïet-e-iets}}}

azze I t/m VII - {{{ïe-e-ïet-e-iët-e-ïet-e-iets}}}

veiligsprookje I – {{{ïe-e-ïet-e-iët-e-ïet-e-iets}}}

veiligsprookje I - {{{ïe-e-ïet-e-iët-e-ïet-e-iets}}}

veiligsprookje I - {{{ïe-e-ïet-e-iët-e-ïet-e-iets}}}

veiligsprookje II – {{{ïe-e-ïet-e-iët-e-ïet-e-iets}}}

veiligsprookje II - {{{ïe-e-ïet-e-iët-e-ïet-e-iets}}}

veiligsprookje II - {{{ïe-e-ïet-e-iët-e-ïet-e-iets}}}

veiligsprookje III – {{{ïe-e-ïet-e-iët-e-ïet-e-iets}}}

veiligsprookje III - {{{ïe-e-ïet-e-iët-e-ïet-e-iets}}}

veiligsprookje III - {{{ïe-e-ïet-e-iët-e-ïet-e-iets}}}

flux – jacques santegu

I

hoofd tegen rotswand
wordt cocktail
schedel krakend ijs
een radijzenparadijs
ontsproten aan
belladonna pupillen

en zij drinkt, mijnheer
o zo gaarne
knaldronken dame
van de shake ziele-
wiegend
‘t vergiftigd lijf

van nectar puls-
erend
nacht en nevel

II

ze begeeft zich, mevrouw
o zo gaarne
schaars geklede dame
boven afgrond iel

ogen bol
ontrolt ze er ‘r
kameleons tong
klautert
uit haar open mond

naar de bodem van
het vat
en schept haar bekers
als een waterrad gul-
zig in ‘t
langsstromend leven

uitzicht II – frido welker

rijen auto’s de verbeelding van dagenlang willen,

gordijnen voor kamers dichtgetrokken, niet dat
er geslapen kan worden maar er moet wel
terugbetaald worden straks,

een prachtig veld met prachtig groen gras en
lauwe bomen met zachte schaduwen om je handen
in te laten liggen
daar kan het maar is het leeg alle weken lang,

het ongeluk samengevat van de maatschappij

lollypopland – jacques santegu

I
 
Hollandse smoelen
verwilderde honigbij
Beatrix’ hofnar

 
II
 
Rep noch roer gezind
oceanische stilte
grachten krimpen uit

 
III
 
Manoeuvre Rutte:
fierljeppende islamiet
houden in Nederland

het eeuwige verlangen – jan holtman

I

Wat is de bestemming
van het woord

in dit genadeloze wit

wat is de bestemming
van een zin

die vragend begint?

 
II

mijn lief, mijn letter,
mijn woord, maar is,

is dat voldoende?

 
III

Nog genadelozer dan
dit wit ben ik

in het eeuwige
verlangen.

brieven II – jan holtman

Dat ik je schreef
en niet meer schreef,

weet je nog dat we brieven
van anderen verbrandden,

het vuur laaide op,
oude brieven,
branden goed.

balkonscenes – jan holtman

I

Gezeten op het balkon
knarst alles, behalve het grind
van vroeger toen hij het
nog harkte en de tuin in een
zinloos wieden vorm gaf om

zich ‘s avonds in de schaduw
van de ondergaande zon
de rijkdom te beseffen van
haar voeten op zijn been,
haar enkels om te strelen.


II

Gezeten op het balkon
van het nieuwe appartement,
het huis verkocht, de tuin
werd hem te veel, zegt zij
zwijgt hij en kijkt minzaam

naar de dampende thee,
haar enkels enkel nog
vleesgeworden herinnering,
een rollade in sandalen,
haar voeten zijn niet meer.