verdwijnen, vasthouden en terugvinden – pallas van huizen

Wees gewaarschuwd
zelfs de barbaren lopen in pakken,
vergeten te vragen,
zakken al bij hun eerste woord of daad.
Windstoten stompen in mijn gezicht,
ik word geduwd door kinderen van bijna vijftig,
geschopt en geslagen door jonkies van tien,
vrouwen van veertig negeren me en verjagen me,
overal ben ik een eerlijke hinder,
maar niet voor jou.
Het kleine stukje beschaving op aarde,
daar waar we rust hebben
zonder elkaar echt te kennen.
Het is hier, ergens hier, ik weet het zeker,
gisteren nog kon ik het vinden,
en vandaag herken ik het weer

manke nachten – dio the cilany

nog één gelaarsde ronde

retegaaf regelen strakke biezenaren
streefdata voor nachtgespuis met wijdopen muilen
zo een nicht met neveneffecten analen klieft

daar staan ontriefde pederasten onpas te krassen
als raven hun veren laten vallen op de vlucht
naar het rulle nest leegt de man van draaimuziek
zorgvuldig bijeengeschraapte koralen in het aalmoeskabinet

het is te rusten

ongezochte vondst – janine jongsma

Jij, die weet dat ik geen onbeschreven blad ben
maar getekend door woorden
mij kunt lezen nu ik naakt voor je lig
en ik mijn ziel in je lichaam schrijf

Jij, die behoedzaam de blaadjes van mijn hart
omdraait als ik er hardop uit voorlees
ezelsoren vouwt in mijn kwetsbaarheid
zodat ik weet waar ik gebleven ben

Jij, die weet hoe je onderhuids kruipt
onder mijn vel beweegt
mij van mijn zinnen berooft
ze teder uit hun verband haalt en omwikkelt met liefde

tijdsein – elsje de wit

Als wolken zwaar boven de akkers hangen
de koningen hun kroon verliezen in de strijd

Als angst het wint van een ondragelijk verlangen

dan wordt het tijd
dan wordt het tijd

je bent er niet – pallas van huizen

Ik vervang de afvalzak,
doe de afwas, de was, boodschappen,
eet en drink.
Leegte, leegte, leegte.
Het leven gaat door.
(Als een stampende motor vol met benzine.)
Ik zet de computer aan, de tv,
youtube, teletekst.
Deuren en ramen open. Frisse lucht, zuurstof.
Ademhalen, kleine traantjes.
Het licht uit en aan.
Leegte, leegte, leegte.
Het leven gaat door.
(Als een stampende motor vol met benzine.)
Mensen gaan naar hun werk, naar huis,
naar vrienden, naar hun geliefde.
Lopend, met de fiets, de auto of de trein.
Het leven gaat door.
(Als een stampende motor vol met benzine.)
Leegte, leegte, leegte.
Het leven gaat door, door, door.
Keihard door, door en door en door.
Ik sta nog steeds stil alleen.

milieuvervuiling – pallas van huizen

Dieper onder het oppervlak werd het zichtbaar.
Alsof je door een verlichte gang liep,
de tekenen waren zowel aanmoedigend als onheilspellend.
Even leek het alsof hij zou gaan stikken.

Met haar vingertoppen testte ze het water,
ze zag er weinig bijzonders in,
haar neus prikte door de schijnheiligheid heen.

De vervuilde wanhoop en roestige ideeën,
bespaar me de moeite van een excuus.

Het afval voor het koninkrijk der Eendenlanden.

De kraaien, de zwarte kraaien
en de meeuwen, de witte meeuwen,
zaten gebroederlijk en gezusterlijk
daar aan het meer van zijn gedachte,
te pikken, te vissen, te fladderen en te vrienden.

Langzaam drongen de dampen van verzuurde planten
en verteerde vissen door
ze kregen ruzie, de diplomatiek ging verloren.

De sterkste deed een greep naar de macht.

Er werd niet meer geluisterd,
dichtgesmeerd zonder zeggingskracht,
stonden ze machteloos tegenover de gewone man of vrouw
die gewoon naar huis wilde en niet genoodzaakt was
zich bloot te geven aan de inzichten van het medisch personeel
van de instelling letterland.

Ze zouden 150 jaar lang niet luisteren.

Te dom om hun eigen troep op te ruimen

polariseerdingetje – quirien van haelen

Ze hebben heel hun leven krom gelegen
Wat hadden ze het al die jaren zwaar
Ze hebben niets, geen cent, cadeau gekregen
Een leven lang geploeter en geplaar

Ze werkten allen meer dan vijftig jaar
Een zevendaagse week, van vijf tot negen
En geen gezeur, geëmmer, of gemaar
Ze stonden er, in hagel, sneeuw en regen

Nu zijn ze grijs en gaan ze met pensioen
Voorzichtig dooft hun laatste levenslicht
Het reis is bijna klaar, ze zien de haven

Toch vinden ze de kracht iets groots te doen
Ze zien het op de valreep als hun plicht
Een diepe generatiekloof te graven

* – bianca hendriks

Ze staan tegenover elkaar
Handen naast hun zakken,
vingers gespreid, de voeten
wijdbeens, met losse kaken
haken hun ogen zich vast

Ze wachten
op een teken
in het spiegelbeeld van zichzelf

Ze wachten
op die ene wimperslag met losse handen
op de asterix met gespreide benen

Maar die blijft hangen
boven het onuitgesproken woord

geruchten en verbeelding – martin m aart de jong

Soms doorloop je de tijd in de stad
trek je weer aan. Koop je wolken
in de winkel voor meisjes die van
wanten weten; meet je stappen op
straat en brult dat je de grootste
bent. Je hijst een moeizaam beeld
van verontwaardiging briest speeches
de raadszaal in en benoemt open deuren
tot vondsten van krakende antiquiteit
-wat dat ook moge betekenen- woorden
hebben hun betekenis jij spelt alles
fout omdat je het zo niet bedoelt. Jij
schrijft alleen als het uitkomt dat je
schrijver bent. Het werd al lang
gefluisterd, zeg je dan.

doden dromen niet – lesley adriaansz

Doden dromen niet.
Zij spelen alleen toneel,
herhalen van ster tot ster
de eenakter van hun leven
tot waar de lichtval reikt.

Doden dromen niet.
Zij zijn ondergeploegd verleden.
Zij schieten soms
kortstondig op
als schoten uit een akker.

Doden dromen niet.
Zij weten fantasieloos zeker
wat er loos is.
Hun kennis neemt niet toe of af
bij meer of minder universa.

vissen – lesley adriaansz

Levenloze vissen zijn doder
dan andere dode dieren.
Zelfs bij leven leven
hun ogen niet echt
en zijn zij koudbloedig
als een kadaver.
Vissen kletsen met petsen
op natte tegels.
Het klinkt als oorvijgen.
Onder water zijn zij onzichtbaar
van boven. Van onder van zilver.
Hoe groter en tandrijker
des te gevaarlijker
zijn zij.

winter – maaike klaster

Ik zou een deur in de zon willen zijn
met sneeuw op de stoep, aan het eind van een wintermiddag.

Daar zou ik het voorbijgaan zien van wandelaars, fietsers, licht, de tijd,
terwijl ik blijf staan met schemer binnen raakbereik,

het kraken horen van bevroren water, van mijn eigen hout in de kou
en het niet erg vinden dat ik krimp en het niet erg vinden dat ik kraak.

In de verte zou ik de voeten zien die thuiskomen bij mij,
traag van vertrouwen in mijn richting lopend.

Hen zou ik verwelkomen met mijn knop in hun hand.
Zij zouden mij openen en naar binnen stappen,
over de drempel naar mijn warme hart.

december – p. krauwinkel

De dag kruipt gestaag voorbij

Tanden bijten in de wintertijd

Gelaagd gelach van vreemden
sluipt door de kroeg en vergeet:
waar ik was en hoe ik heten

Buiten wordt de kou mij steeds
vreemder en de mensen op afstand
zijn bezig met hun verval

Ze dwalen door de stad
terwijl ze lachen en zuipen

De wind beukt de ramen
en fluistert de steeds dieper
wordende duisternis

Straks ga ik slapen
en ontwaak ik
in het nieuwe jaar

Als de straten bezaait
en rood zwijgen
over afgelopen jaar.

lacrimosa – maaike klaster

Huilen in de sauna. Zweten in mijn eentje.

Droog hout, smeulendhete, grauwe kolen,
een handdoek en ik. Tijgerin met roze-gele
streepjescode, snikkend in de oerwoudhitte.
Dit is een stralend begin.

In het midden van iedere druppel vind je
een atoom dat gemaakt is om te stromen,
de kern vol parelende protonen op zoek naar
negatief geladen partners – waarom zou je?
Pure natuurkunde, hun aantrekkingskracht.

Onder de koude douche reken ik met de tropen
af, spoel ik ionen, hun vruchteloze paringsdans
door het afvoerputje, maak ik plaats voor
de stenen adem van een stervende zwaan,
stamp ik een zoetwaterballet, trek ik de lege
ruimte, geruite tegels aan, verdamp ik waar ik
bij sta. Ik stoot af. Daar gaan mijn feromonen.

love’s doves – maaike klaster

Er loopt een zoon rond op aarde
die ik nooit heb mogen aanraken,
nooit welkom heb mogen heten op
deze planeet, zoals ik wel met zijn
broertje en alle andere pasgeboren
baby’s in mijn omgeving deed
en ik wil dat iedereen weet dat het
tranen zijn waarmee ik dit schreef,
omdat ik het slabbetje met de
vogels en LOVE in hun midden uit
de panterprintkadoverpakking heb
gehaald en het op heb geborgen voor
de eerstvolgende geboorte, terwijl
de vogels en ik nooit zullen vergeten
voor wie deze liefde was bedoeld.

magenta – maaike klaster

De weken zijn van steen. Vandaag
ligt Italiaans graniet aan
mijn vingertoppen. Ik sla mijn
vuist erop kapot.

Wat glad was, barst. Het tijdsbeeld
spat tot gruis uiteen, wordt
nacht. Kogelronde, roze
korrels, tollend om hun eigen as,

snellen op een driekwartsmaat
door het gapend zwart. Mijn hart
pompt magma door haar kamers,
geeft zich vloeibaar over zodat

mica kan zwemmen als ionen in bloed,
de stonde bezaaid raakt met gloednieuwe sproeten.

anemogaam – maaike klaster

Wanneer het middagvuur speels de slaap
uit verwaaide kamers wist, slist
daarginds ons steels gerucht.

Buren wieden, zien het niet, maar
lispels druipen naar hun grasveld af.
Glijden zoals slakken slijmen.

Hun spinsels kruipen naar mijn huid omhoog,
bewegen mee en blijven bij me.

De dag gaapt sleets.
Grond staat droog.
Er is geen wolkje aan de lucht.

De buren met hun hark en spade
spitten in de rulle aarde,
kijken op, verwachten water.

De wind neemt loof mee in zijn vlucht.

ik droom – joost de jonge

Ode aan Jean Cocteau

I

Het enig werkelijke
Ben ik, zelf in de crypte
Van mijn eigenheid

De driehoek slaakt een zucht
Een zucht in glas tussen lood
Goud, geel, groen en blauw licht

Hier nemen wij afscheid
Van hem die nu de doden nader aan het hart ligt
Voorheen was hij een en al levenslust
Jong en vol dromen sterk en
Bezwangerd door al wat moest komen

Het groene licht vluchtte zojuist
In een verbogen voluut

Ik herinner mij de kracht
Van jouw zinderend vergeten
Van jouw ziedend stoomwit
Gestaalde gedachten

De vrouw die jouw schede was
Hoefde niets te verwachten
Zij behelst de drang van jouw groei

Tot in de kleinheid van herkenning
Tot in het kleine voelen
Tot in het stille bloeien
Van planten in de tuin
Tot in het oneindig doorgroeien
Van het aantal sterren
Aan het begin van de avond
Je omhelst hun schittering
Je stort je blind
In het verlangen
Naar hun glans
Gedwongen en onteerd
Alsof niets van al wat ik zei
Je kan veranderen

Zonder woorden ben ik niet vrij
Dacht je bij jezelf
Nee, je schreeuwde het in je hoofd
Ik hoorde je

Gekweld door kleinigheden
Gekweld door lasterlijke taal
Een mens is in zijn streven
Altijd ondergewaardeerd

Mijn ziel, de kinderen
Zij plooien hem in de
Duistere krochten van hun
Onberispelijke lofzang
Jij bestaat net als ik
Net even iets anders
Ik droom

II

Het goud van glas
Dat nu over je ligt
Streelt de plooien
Die giechelend schroeien
In de dans van jouw liefdesspel

Zoals zij glooien
Gladgestreken, dat wel
Als een antwoord
Je verslinden van top tot teen
Ik droom

Ik droom zonder schroom
Van een warm bad
Van klotsend vloeibaar goud
Dat mijn geest likt
En mij vult
Al mijn openingen
Zachtjes kussend binnensluipt
Hoorde jij mij
Of ben jij mij geworden

Ik droom


III

Dwang drukt op liefde
Van een onderdaan
Dwang drukt op de levenslust
Van een onderdaan

Een hersengolf die je
Bijna om doet slaan
Rijs nu, ga staan
En eer dit dode lichaam
Was het bijzaak
Dat je hier nu ligt
In een beschilderde kist
Gesloten, jij bent al naar huis
Wij eren hier de
Voetafdruk van jouw ziel
En zijn verwonderd
Dat je bent vertrokken
Wij zijn bang om te erkennen
Dat jij niet jouw lichaam was

Ik droom

halve maen (half moon) – maaike klaster

Natuurlijk weet ik waar de hippe mensen wonen.
In het hart van iedere stad; we zijn er allemaal geweest.
I HEART New Amsterdam, zoals NY ooit heette.
Bijna was mijn moedertaal die wereldtaal geworden.

New Yorkers weten na zelfs de afgrijselijkste
(nee, niet ramp of tragedie) daad van haat met glans
en een nieuw gevoel van liefde voor hun plaats op aarde
verder te leven; hebben zichzelf een geboortegrond teruggegeven.

Daarom willen wij daarheen, om in de Hudson ondergedompeld
en door Mannahatta eens goed gedoopt te worden, en we weten het.

laatbloei – jos van daanen

Ze werpen te snel hun muren op,
de voeders, de slaanders, meesters
in het bedwingen van de vrijheid
om niet bang te zijn, niet klein,

noch burgerlijk netjes, ontalig,
door god verlaten, te zijn, te stil
te leven, geen leven in coulissen
of silhouetten van schaduwen
van ons.

Laat komt zo de bloei, te klein
en naakt, te voorzien van dons
zoals het jonge blaadjes betaamt,
maar gebleekt uit het donker
van een herfstdecor.

de binnenstad – yvette rombouts

De binnenstad leeft altijd, slaapt nooit.
Daar roken jonge jongens in hun witte hemden, bovenop hun dak.
En er is altijd geld.

Daar wordt alleen gewerkt als het leuk is.
Daar is het non-stop mooi zonnig weer en anders sneeuwt het.

Sexy vrouwen met tassen vol mooie jurken.
Jonge ouders zijn gelukkig, drinken ijsthee op terrassen met hun toevallig tegengekomen vrienden.
Decadente mannen lachen en ze lunchen geitenkaas met pijnboompitten.

Hippe studenten, lijken er altijd te zijn.
Daar waar het leven is, het goede leven dat blijft doorgaan.
Tijdloos en geldloos, regenloos en vol leven.
Ook nu het koud, donker en guur is bij ons, in de buitenwijk.

stamvader – b. vogels

hij kijkt op naar bomen
ziet einde in hun kruin
omarmt de ringen van

de tijd verzwijgt beleefd
de leeftijd recht de rug
als booghout van essen

hij stamt uit een kringloop
losse kinderstappen
wortelt in het strooisel

en ik kijk op naar hem

groene kathedraal – pj sas

de taal is een groene kathedraal
waarin ik afdaal, ik laat mij zakken
door een bladerdek van letters
langs katrollen van grammatica
en verder langs knoestige vertakkingen
van onderwerp en gezegde en nog verder
langs formele bomen als pilaren
op pilaren, als kolommen op kolommen
tot ik kom bij de aarde in het duister
en ik luister naar de stilte, de koralen
van de vogels hoog in het groene glas in lood
en ik ruik de dode bladeren en ik weet
hoe de wortels wortelen in de dood
in massagraven van uitgestorven beschavingen
hun humus voedt de bomen zoals onze woorden dat ooit
ook zullen doen

* – joost van gijzen

Begrijp me goed: ‘t is heerlijk om naar haar te luist’ren;
Mijn vingers krijgen prachtig kreunen uit dit instrument
Van erogene snaren en verborgen toetsen,
Het afgelopen uur met alle aandacht afgestemd.
Maar ‘k ben gekomen voor haar ogen – in hun duister
Gelokt, en toen die diepe gloed: alsof vandaag de zon
Híer onder was gegaan. Ik zou ze zonder moeite
Véél verder zijn gevolgd dan deze kamer; minibar, balkon,
Het bed en in haar armen – en wat ‘k zag… Prometheus
Heeft nog een vlam, speciaal voor haar, gestolen. In ‘t café
Bekeken we elkaar niet steeds, met tussenpozen:
Één lange blik: genoeg – zou zij De Ene zijn? (“Hij bleef
Romanticus, zelfs in hotels”). De klankkast zweet, druipt;
‘k Speel tweeëndertigsten trashmetalgitarist-exact -
En met harmonisch slotgeschreeuw gaan z’ eindelijk weer open;
Besluit ze d’ avond zoals die begonnen is: met oogcontact.

relatie – dani nacca

‘Te gepassioneerd?’
vroeg hij haar.
Ze vertelde hem dat er
geen antwoord was.

Geslagen met gerijpte woorden,
lichtloos opgegroeid in het
bewustzijn. Woorden zo bitter
op een mens eerlijk als hij.

Haat is liefde, zei ze na de
zoveelste ruzie. Vertrouwen
is woede, op zijn beurt vindt
woede plaats in het hart.

Maar toch verhuisden ze
samen naar andere dorpen,
zagen andere mensen, tuinkabouters
en tuinhekken. ‘God ik heb nooit
geweten dat er zoveel verschillende
tuinhekken bestonden!’ Zeiden
ze weleens, plezierig verbonden
door gezamenlijke binnenpretjes.
Niemand vroeg zich af, of er meer moest zijn.

Zo verfden ze hun schilderij egaal blauw,
beetje bij beetje, totdat op een dag
de laatste centimeter ingekleurd was, en
ze gedwongen waren afstand te nemen,
een meter naar achter te lopen en het
resultaat van hun bestaan te aanschouwen.

Bruin

hubschrauberabstürz – j.b. gruinbroen

de film doet een hoop stof opwaaien
het open einde ligt er dik bovenop

de piloot stapt uit zijn heli en voegt zich
bij het zwaarbewapende arrestatieteam

de vergezochte geliefden zien hun kans schoon
de stijgende verbazing van de scherpschutters

in slow motion klimt het toestel hoger en hoger
kleiner en kleiner ins blaue hinein

eenmaal buiten stralen de sterren haar na
en in het kleine donker van haar kamer

gaat een lampje branden

klokkenspel – philippe diepvents

“Mannen lopen altijd achter hun klokkenspel aan,”
zei ze fronsend en wereldwijs in haar knapperige tongval.

Ik niet, liefje, ik niet.
Of beter: ik wel
Maar het spelen leidt me naar jou. Alleen naar jou. Naar de pionnen en dobbelstenen verborgen in je jurkje. Naar het speelbord dat jij etaleert en dat zich geurig aan me opdringt wanneer ik mijn ogen sluit.

Ik heb de regels goed gelezen en wil me met plezier ernaar buigen zonder gekruiste vingers achter mijn rug. Vakje per vakje vooruit. Het kost me geen moeite, echt niet, of toch niet veel. Spel mét grenzen, deze keer. Ga niet opnieuw langs start, om de gevangenis te vermijden. Jij bent het die elke schoonheidswedstrijd wint.

“Ook als ik oud ben en verlept en mijn lijf zich door de artritis niet meer zo soepel buigen kan?”, snoefde ze argwanend.

Natuurlijk, liefje, natuurlijk. Voor alle leeftijden, zo staat er op mijn doos. En trouwens, wie tegen kleuters speelt, geraakt al gauw verveeld van al dat winnen en gejengel.

“Ook als het leven zwaar weegt, zoals het onvermijdelijk wel eens zal doen? Als de spontane speelsheid ons geleidelijk of tijdelijk dreigt te ontglippen? Als het speelgoed even aan de kant geschoven dient om serieuzere zaken ter wille te zijn en we mekaar niet meer op onze wenken kunnen bedienen?”

Ook dan, liefje, ook dan. Ik speel misschien gretig en vol vuur, maar niet zonder geduld, bedachtzaamheid of alleen maar om te winnen.

“Dan is het goed.”, monkellachte ze me toe en herschikte uitnodigend haar pionnen.

“Zo lang,” aarzelde ik, omdat onzekerheid de meest charmante zwakheid is, omdat de waarheid vage randjes heeft, “zo lang… Zo lang je me maar niet te veel beurten doet overslaan.”

En toen, toen zat het spel op de wagen.

zonder genade – b. vogels

nooit voorheen hoorde ik
het gonzen van hun metalen kleuren
ik droeg mijn hoofd
in de kruinen van een wolkenbos
onder mij krioelden ogen
uit het niets
kittelden sprieten
als trillend riet aan reuzenvoeten

nu moeten mijn zinnen
getuigen van hun ruige haren
de schilden en vleugels
van een kriebelleger
dat in een onderwereld schuilt

en steekt zonder genade

hoe alles schuift – sabine kars

ik voel de jaren die niet passen en het slippen van
de grond en de meeuwen – die niet langer
voor me spreken – werden uit de lucht gegrepen
kunnen amper hun regen nog bedwingen

de rode kunststof sterren kauwen op mijn vragen
niet wetend waarheen laat staan waarom ze zijn
te luid voor het horen tikken van de stilte
zo is het altijd geweest

dit donker moet verzonnen zijn

het is niet zo lang geleden dat ik een storm opstak
nu lig ik voor het rapen weet dat mensen werkelijk
kunnen breken de waanzin is in iedereen en tegen
de binnenkant van een oorlog is niets bestand

nog even en ik hervat mijn vallen en de
onnoemelijke behoefte aan het bijeenroepen
van een winter het stillen van een landschap
en het afscheid van ons gelijk

hier leg ik mijn wijzers af en vlecht me in op de
hartslag van grijsgeworden bomen luid geluidloos
luister – want als er niet meer wordt gesproken
dan zeg ik je het meest

venster – stien van der wal

de moeders klagen
hun kroost brokkelt af
zij hebben niet beseft
stervenden te baren

de kinderen spelen
hun vlees vergaat
van dood geen weet

wie niet bezig is
geboren te worden
is bezig dood te gaan