herfstdoorsnede – janine jongsma

Ik lig verstild in het grijze ochtendlicht
ons mooie overtrek toont slijtage
zojuist zag ik het najaar er voorgoed in vallen

Wij, enkel nog een doorsnede van de herfst
de zomers in ons zullen verjaren
steeds verder bladerend achteruit

Jij, die nog slaapt
in de zachte trekken van jouw gezicht
waarin de seizoenen sneller gaan dan ooit verwacht

Hoe kan ik onze zomers bewaren?
anders dan in mijn ontbladerde vel
aan jouw handen vragen mij nooit te laten gaan

Door je ogen dicht
de jaren terug te strelen
in de nerven van mijn huid

lentissimo – martin m aart de jong

Je zei vandaag, vandaag nog niet
het regent en de wereld ziet er
te mooi uit. Met zacht gebogen
kleuren en een natte huid waar

op de vers geperst lente druipt.
Wacht nu maar af totdat de tijd
in echo’s tussen bergen dreigt
met nachtelijk gedonder totdat

de hemel plots verscheurd wordt
door een flits en vrouwenstemmen
in een nis van eeuwigheid en spijt

je naam vertalen in een kus. Dan zul
je dansen als een Rus. Je zult stom
dronken vragen wie ik was. Dus wacht.

rivieren en zijarmen – elsje de wit

hoe blank haar huid ook bleek
hoe heet de thee die jullie dronken en al
het moois dat ze je te eten gaf rond dat uur
de rebel lacht goddomme, slaat duizend nieuwe wegen in
met genoeg geld en lef in zijn zakken
de maan boven alles en een kop vol vuur

ik heb de rivier op de voet gevolgd
smeet zesendertig stenen in het gras
pas nu mijn vinger over de landkaart glijdt
weet ik dat de man die mij de tiende steen gaf
onbetwist
de rebel was

* – maaike klaster

Kan iemand mij een huid aangeven?
De mijne viel eraf.

linda (1993 -) – phillipe te bar

Wallen lagen onder haar
ogen als donkere dames
met lusten die zij
juist niet wil voelen

op haar snoeppapieren spookvel dat vaak zo smakelijk
zou kunnen knisperen, maar waaronder nou net weer
botten tot spiesen splijten om daar haar huid door te steken,
waardoor een weg uit die nachtzwarte uit pees en vlees
geweven holte zich opent; vanuit die ultrasone onderwereld
der labbekakorganen, meent zij, dat zij juist dat weer heeft;
onrustig gebeente, mergvol gestut van die bloedlauwe hel, dat
levenslang zinderend kraakt in haar zak van vaal en vlezig vel.
Haar botten willen zich ook wel eens in het volle licht warmen

aan de zon, waarvoor zij zich juist verschuilt als pasgeboren,
baarmoedernatte reeën doen die ook maar verloren rillen
in hoog, dorgeel gras.Voor even verlaten door hun moeder
die, zoals het hoort, gevaren afleidt als wolven en mensen.

De wereld is haar carnivoor waarvan zij, verloren lopende
polonaise van een meisje, de opengesperde muil inhost. Ze
offert zich liever lallend en alleen. Niemand waagt haar zo

aan te raken. Gelieve dat ook nooit te doen.
Teken haar; het is een nadrukkelijk verzoek.

romp – maaike klaster

Scharrelaar, man met de kippenborst,
ik bereid je als een kok zijn hoender.

Dan, bedaard, vanuit de schoot,
kluif ik langs jouw romp naar boven

tot mijn neus ligt aan die kruidige
holte, het zwaar beweende, pezige vlees

en ik met tepelscherpte zie,
mijn tong nog naveldiep,
waar ik nesten wil,

waar jouw huid omsluit,
waar ik veilig ben
en kan bijten.

alleen mijn huid – janine jongsma

alleen mijn huid verzet jouw zinnen
maar de woorden glijden van mij af
ik word niet warm of koud van je
je zet me in de stoel neer voor de spiegel

haalt snel een washand over mijn gezicht
en zet mijn arm zorgvuldig terug in de kom
in de badkamer huil je de vlekken uit mijn lingerie
je borstelt mijn haren en telt hardop honderd slagen

vraagt of ik mijn lievelingshaarband in wil
maar besluit uiteindelijk tot een paardenstaart
beneden kus je mij teder gedag, ik staar naar de tv
mijn borsten kijken jou onbewogen na

de kat telt de uren af, gebruikt mijn been als krabpaal
jij belt vanaf je werk hoe het gaat, dat je laat bent
en of het goed is dat we Chinees eten
ik neem niet op, dat doe ik nooit

kleine mis in mineur – maaike klaster

Hier zit ik
middenin de kamer
te wachten op sneeuw

Door licht omringd,
omringd door licht,
maar alles wat ik zie is nacht

Ze zegt: een warme reet voor de winter
Nee, zeg ik, sneeuw. Je weet wel, een deken

Vijfendertig en alleen
Pel van top tot teen mijn
huid eraf en je zult het
vlees meteen zien wenen

Wat is je favoriete woord voor sneeuw?

Dons
Een deken
Een vacht voor de anders kale stad

de ezeldrijver en de buurvrouw die van haar huid huivert – delphine lecompte

De ezeldrijver probeert vuur te spuwen
Het loopt verkeerd af
Zijn gezicht is verminkt
Tijdens zijn verblijf in het brandwondencentrum
Worden zijn ezels over het strand gedreven door zijn jongste broer.

De eerste dag na zijn ziekenhuisontslag schrijft
De ezeldrijver sonnetten over zijn oudste broer
Die vuurspuwer in Bosnië was tot hij werd omgebracht
Met de letter ‘k’ van een reisscrabblespel
Door zijn minst vergevingsgezinde schuldeiser.

De tweede dag na zijn ziekenhuisontslag maakt
De ezeldrijver pudding voor zijn buurvrouw
Ze slaat de pudding af
Maar ze blijft zitten tot de zon ondergaat
En na de ondergang staat ze recht om te rouwen.

De buurvrouw van de ezeldrijver rouwt
Om de verdwijning van de elasticiteit
Van haar huid, ze wordt oud
Op het vel van de pudding landt een nachtinsect
Aan de maan kun je niet zien dat ze ooit bezocht werd.

De eerste dag na de seks met zijn buurvrouw trekt
De ezeldrijver zijn werkkleren aan
Zijn jongste broer zegt dat de ezels gestorven zijn
‘Waaraan?’ vraagt de verminkte ezeldrijver
‘Als je antwoordt: aan jouw afwezigheid, dan maak ik je af!’
De jongste broer antwoordt: ‘De ezels zijn gestorven aan jouw afwezigheid.’

De tweede dag na de seks met zijn buurvrouw schiet
De ezeldrijver zijn jongste broer dood
Na de moord gaat hij naar de hobbywinkel
Waar zijn buurvrouw werkt
Ze is hardop hazen in piepschuim aan het tellen.

De ezeldrijver bekent
Dat hij geen ezels meer heeft
De buurvrouw is de tel kwijt
Ze vraagt: ‘Wil je met me trouwen?’

de blote zee – b. vogels

Vrede is een zee van naakt zijn.
Een zaak van anderen
raken bij de huid.

De kleuren wissen in de massa.
Golven verankeren op een lens.

De mens is een druppel.
In zijn kleren valt hij op,
het netvlies van de visser
trilt in niets dan water.

anemogaam – maaike klaster

Wanneer het middagvuur speels de slaap
uit verwaaide kamers wist, slist
daarginds ons steels gerucht.

Buren wieden, zien het niet, maar
lispels druipen naar hun grasveld af.
Glijden zoals slakken slijmen.

Hun spinsels kruipen naar mijn huid omhoog,
bewegen mee en blijven bij me.

De dag gaapt sleets.
Grond staat droog.
Er is geen wolkje aan de lucht.

De buren met hun hark en spade
spitten in de rulle aarde,
kijken op, verwachten water.

De wind neemt loof mee in zijn vlucht.

kiem – b. vogels

toen ik een kind was en nog speelde
met de gedachte dat dit eeuwig was
liet ik me strelen

handen waren dekens
huid een bad
van aarde voor een plant

nu klimmen mijn woorden
langs de tralies van volwassen zijn

verborgen land – jos van daanen

Er lopen kloven over je voorhoofd en ze druppelen
vertraagd langs je slaap naar beneden, één ooghoek
meeslepend in hun val. Het leven elixert op den duur,
maar daar kon ik vroeger al niks mee.

De schors schilfert van gedroogde kerven in je huid
en je ruikt sterker naar de dood, dan ooit.

Hoe ooit ruikt herinnering? Als een grot vol vleermuizen?
Een rottende hoop vernederingen, een ravenmoeder?

Met een blik in je heldere oog ontdek ik nog net het land
dat je voor me verborgen hield, de bomen die reiken
tot waar je gedachten zweven op de leegte, het kind,
van geen schuld bewust.

* – serpil karisli

Words, words, words
Een boel weze letters
Zinnen maken is betekenisloos
Iedere taal mij vreemd
Een schip dat strandt in de golven
Voordat hij de haven bereikt
Een verlaten stad
Een verbannen pen
Is taal

Had ik maar niet de beperking van vertellen
Dan zou ik je bereiken met kleuren
Ik zou licht zijn en jouw huid strelen
En verhalen verbeelden in de lucht
Rennend in een wind
Zou ik jou aanraken
Een nacht zou ik zijn
Soms een maan zo nu en dan een ster

Was er maar geen afstand
Dan zou ik smelten in je huid
En vrijen met je geur
Ik zou een stem zijn
Een fluistering in je oor

antiloops – b. vogels

je bent de gazelle
rank op mijn oog

dansen je haren
je dijen verdwijnen
in de steppe
van mijn lakens
blaakt jouw huid
klopt het bloed
als hoeven
in de onderbuik

maar jouw naam
is schichtig als de nacht
die onderduikt

gevoel – hanny van alphen

tasten is voelen ik voel niets
anders dan mijzelf

ben ik

een vreemde onder de huid
die te lang in het water heeft gelegen

een vrouw die nooit weten zal
waarom liefde uit de wortel is geperst

gedood eer ze leven zou

flessenpost voor chris zegers – maaike klaster

Chris, lekker ding dat je bent, waar ben je? Op t.v. zie ik jou met oceaanhaar
(droog van zon en zout) een verzekering aanprijzen en je ziet er zowaar
gelukkig uit. Is dat waar? Want waarom mogen wij hier in Nederland niet
meer van jou genieten, moet jij ergens op een onbewoond eiland in de
branding staan? Hoewel ik jou een mooie man vind, een stuk ja, zeg maar
gerust een flink brok goedaardig testosteron, val ik niet op je. Althans, niet
hier vanaf de bank. Jij bent voor mij te tweedimensionaal; ik heb ze liever
dicht op mijn huid. Echt, ik ben niet zo’n vrouw die steeds aan andere
vrouwen moet bewijzen dat ze tieten en een kut heeft door naar spierbundels
op een film- of televisiescherm te wijzen. Doodvermoeiend vind ik dat.
Liever word ik vastgehouden door iemand die van mij houdt en ik van hem.
Dat lijkt me logisch, want liefde staat altijd (altijd) voorop bij mij, en na een
lange rij daaraan verbonden kwaliteiten (wederzijdse waardering, trouw,
elkaar in vrijheid ondersteunen, verantwoordelijkheidsgevoel en meer van dat
soort zaken) komen met Heel Grote Letters: Communicatie en Seks. Daar kan
ik geen genoeg van krijgen. De meeste mensen neuken met haat, slaan die
eerste, belangrijke stap over, dus daar is geen reet aan, om het zachtjes uit te
drukken. Jij niet, dat kan ik zien, want jij bent lief. Maar zo’n grote vent die
(en ik zeg het heel voorzichtig) van seks houdt en dan ook nog eens een hart
heeft dat de hele dag liedjes afdraait alsof het om zo’n speelgoedmuziekdoosje
van vroeger gaat, die wordt de Lage Landen langzaam maar zeker uitgebonjourd,
want die is voor velen te bedreigend. Wat een slapjanussen, vind je ook niet?!

Als ik het mij goed herinner, las ik ergens dat jij onlangs vader bent geworden.
Mocht dat inderdaad het geval zijn: Hoera!!! Gefeliciteerd! Volgens mij ben jij
een fan-tas-ti-sche papa. Dat doet mij deugd en ik wens jou alle vreugde toe.
Eén verzoek: stap in dat bootje, dat zelfgemaakte vlot, en kom terug naar
Nederland, want ik kan jou hier niet zien en een man zoals jij erbij maakt alle
verschil. Zou jij dat voor mij willen doen? Texel is trouwens ook heel mooi!!!

Heel veel liefs, alle hens aan dek,
Maaike (wat o.a. zee betekent) Klaster

op dit schip – marc robbemond

We zijn jongens
we hebben huid, een laag
die we aanraken
en vergeten

we zijn op dit schip
en verdwijnen
via luiken
de vloer in

daar
mogen we zelf weten
hoe belangrijk het gaat worden.

verhalen van de derde etage – maaike klaster

1.

De zee is er bijna.
Zie je!
Er zijn vliegtuigpassagiers die het water al kunnen zien liggen.
Wij zien hun kerosinestaart, zwaaien de piloot gedag:
Dag meneer in de cockpit daarboven!
Hij laat op die ene witte streep na ons uitzicht blauw achter.

Wij wachten op de zee, die nu bijna hier is,
het strand door de wind vooruit heeft laten blazen.
Nog even en we duiken vanaf het dak in haar onbezorgde golven,
wrijven de slaap uit onze ogen, de laatste korrels van Klaas Vaak,
groeten de morgen.


2.


VENICE BEACH

 
Alles is omgekeerd.
Gisteren ligt voor me als een geïnverteerde woestijn -
nergens zand te bekennen.

Op t.v. zie ik L.A.,
die oceaan, die zee, de kustlijn die altijd een film blijft

en ik wil in dat water zwemmen, uit golven opstaan,
mezelf op het scherm tevoorschijn zien komen,
aan land gaan, in haar beloftes baden,
dromen achter me laten, alles waarmaken,
vanuit de stad het strand zien liggen en
nooit meer om zand hoeven vragen.
 
 
3.

Shampoo tussen mijn haar en hand.
Het parfum verdampt,
een vleug van een droom uit mijn jeugd.

In Italië op het strand
met mijn handdoek bijna in de branding
en de geur van zonnebrandolie op een gebronsde huid.
Dit is hoe vrouwen in bikini ruiken
als zij iedere dag in zonlicht baden – en de zee ruist.

Hier sta ik op een granito vloer
met de zee weer aan mijn voeten.
Het water dat langs mijn roze huid stroom, schuimt
en ik weet dat het niet te laat is,
dat er een branding in mij huist.

kortsluiting – jos van daanen

Ik trek een regel over je rug,
hals over kop, huid op huid.
Wat doe ik? Smeer ik mijn
vingerafdruk uit? Ga je vanavond
overwegen om met mij…? Stroom
tart de elementen. Diagrammen
leggen je zwarte haar uit naar
je dromen, je kussen verdwijnt,
net als de kramp onder je voeten.

Zo schrijf ik, de rest is niets dan
wie je bent, niets dan de schelp
die ik aan mijn oor zet om er
het ruisen van de zee in te horen,
de meeuwen op zoek naar land,
een eiland, groen en ongerept,
zwemmend in een school van vis
achter mijn gedachten naar jou als
een idee dat niet bestaat.

zocht je mij soms… – monique methorst

Alsof er iets te ritselen valt
een laatste sierlijke flauwekrul
het wisselen van huid in plaats

de zon straal vergeten
stopt een godganse wereld
op het hoogtepunt van kijken

en wat er ook stijgt… een wonder is het niet
als ik ze zie vliegen
zuiver uit de lucht gegrepen

komt een gerucht op z’n best
mooi niet uit om van de rest
maar liever te zwijgen.

buiten mijn huid – elize augustinus

je schroeit
mijn naam
met zwarte
letters in
mijn huid

kakelende
hordes
links en
rechts

het is
hier dat
we de dag
zien dalen

als een
bolvormig
vlies dat
uit elkaar

spat in de
mooiste
kleuren
ondergaat

laat me onderdompelen – debby visser-neale

Zie je me niet in mijn bad
ondergedompeld tot warmte
in mijn botten vreet verdwaald in
gedachten denk ik aan jou
rauw verdriet maakt vlekken op
mijn huid de kraan
draait haar stroom open en
zak ik verder weg
zoek dekking tegen kou
omdat ik van je rouw

luister dan – debby visser-neale

Als God me horen kon
Zou ik zachtjes praten, nee fluisteren- zodat hij- net
als ik- moeite zou moeten doen om hem te horen.
Dan zou ik hem alles vertellen over het verleden
zou hij de wespensteekherinnering op mijn huid,
of de brandnetel die mij prikte- of nog ergere dingen
wegnemen bij mij.
Dan zou er waarschijnlijk, onzichtbaar als lijmoplosser,
een dun laagje plak overblijven.

huid – stijntje van der wal

ze wist niet hoe
huiden en mensen
bijeen kwamen, hoe
men zich verwarmde
wist ze alleen in de zon
achter vellen
vachten en veren
wist ze de scheiding
ontwaarde daar
behoedzaam tastend
een wonderlijke warme stroom
verontrust zag ze, hoe
hoofden en handen
vlees en vleugel scheurden
en voelde hoe ze stolde
onder het stugge vel.

holte – stijntje van der wal

ik zocht je gisteren toch echt op
hoorde je kraken waar
verroeren een bewegingsloze
holte voorspelt en waar
na verloop van tijd
huid en laken veinzen
samen te zijn, waar
het hoofd op het kussen
onafwendbaar
al doe je nog zo stil
kraakhelder en kreukloos
gaan ten onder aan
droom en werkelijkheid.
waarom zag ik dan niet
een omgewoeld ledikant maar
een onbeslapen plaats waar
keurig recht, koud en glad
ik naast stond en
slechts een holte waarnam.

voor morgen – jelou

Als je morgen doodgaat
je glimlach lijkt verstomd

je ogen zo verdomd
onzichtbaar, je gelaat
een dichtgeslagen boek

waar ik jouw zinnen zoek
in huid van perkament

je blikken afgewend
naar verder dan het hier
waar ik niet reiken kan

zo zal ik deel daarvan
en immer jou nabij

in wat jij schreef en zei
je lach een ornament
voor morgen en wat later.

de moeder stond bedroefd – jos van daanen

In de muren van ‘thuis klonk haar natuurlijke ritme:
eenmaal dag en tweemaal ondoordringbaar de nacht,
maar in haar schaduw dacht ik slechts aan ademhalen,
strijdend om de macht haar in het felle licht te trotseren.

Ik zag de golven van de zee niet naderen, hoorde
noch het bulderen door de stukgeslagen ramen.

Instinctief sneden de scherven mijn huid in vellen
die ik over holle dromen spande en bespeelde:
eenmaal dag en tweemaal ondoordringbaar de nacht.

Tot buitengaats, in zijn eigen schaduw, de man stond
die zich een vader staarde tegen een blinde muur.
Zijn armen grepen in de lege hemelsblauwe lucht
om linten op te hangen die hem van haar genezen konden.

zestienjarig bloed – anouk smies

Ik zag je direct
Je biogenetisch lijf
pulserend
bij het electriciteitshuisje

Een huid van gedichten
en maar lullen
over zingevingsproblematiek

van je lippen
Ik wou aan ze nippen als Turkse thee
de exotische print
op het roestvrijstalen opbergblik

Geen kik gaf je trots
Zacht als stukgelopen schoenen
mocht ik ezelsoren
in je mondhoek vouwen

Het kwam niet van zoenen

behoudzuchtig vers – anouk smies

Ik verblijf uren aan je blik
kleine stalen dood
kampeer aan je oogopslag

Het sneeuwt als er pauzes worden ingelast
Verrast
door klokslag contact

staan wij een jas
van huid
op de drempel af