ter info – b. vogels

ik ben een vader
met het hoofd uit een rijdend raam

een ramkraak in de hemel
ligt binnen stembereik

ik hoef geen daken
noch een toren
ik draag de stad wel naar de wieg

en beraam een aanslag
op elk zwijgen
voor ik door de voorruit vlieg

terug naar de natuur – bennie spekken

morgen vroeg of laat
gooit hij zijn bagage af

dan jaagt de angsthaas
de stuipen op het wijf

het hoofd van de afdeling
Communicatie

morgen gaat hij
gewoon aan het werk

jas van rouw – pallas van huizen

Ik draag je

op mijn schouders
over mijn hoofd
in mijn huis
achter mijn ribben

ik draag je

met veel tranen
veel eenzaamheid
veel afstand
veel pijn

ik draag je
ik draag je
ik draag je

laat je niet los

ik draag je
ik draag je

zolang ik kan

draag ik je bij mij.



YouTube: jas van rouw – pallas van huizen”

glinsterscherf – tibbes punt

Van zicht ontnomen
riep ik naar een hand die zocht.
De wind roept en brengt.
Nu dwaal je hier rond op verloren momenten
houdt op tast de deur open voor water wat niet stroomt
maar een begin klopt in mijn tenen.
Zes jaar diep verdronken op een foto dwing
ik mijzelf nog steeds niets af.
Klamp vast aan twijfel en ik kan wel
koorddansen als mijn hoofd maar eens de grond
zou laten.
Probeer je een vreemde te laten zijn.
Maar
zodra jouw
dwalen
voelbaar is
wil
ik
in
je
armen.
Stukjes zielenspiegel draag ik met mij mee
als doekjes voor op wonden
er heerst hier oorlog weet je
dus blijf
blijf…
al is het maar in een zoekend moment.
Dan geef ik je wat glinsterscherven
die pijlsnel door je bloedbaan schieten.

onlosmakelijk – dio the cilany

wanneer het hoofd soms even opzij zakt
dan weten we dat geluk een horizon kent
even recht als gebogen

als wij elkaar in de armen nemen
vermoeden dat het goed komt
ook zonder zoals daarvoor

het eerst overal groen is en bloeit
zelfs ontworteld op dood hout
houvast vindt ogenschijnlijk in niets

geeft het dan nog iets
of staat alles stevig overeind

moederdag – sandra v.

voorspeld is er
nattigheid

maar dit heb ik
totaal niet voorzien

komt dochter met schaal
onze slaapkamer binnen

m’n man z’n hooofd
rolt er net niet af

zegt ze zo
hoeven jullie ook
niet meer te scheiden

schijnt namelijk pijnlijk en lastig

met de kinderen en zo…

lopen – pallas van huizen

Lopen,

over de weg, lopen in mijn hoofd.

Het is stil, zo stil,
zo stil,
zo stil.

Lopen, lopen, alleen maar lopen.
Eenzaam, alleen,
ook in gedachte.

Het is zo stil,
zo stil,
zo stil.

Alleen.

Lopen, lopen,
de wereld ligt open.

Het is zo stil alleen.

laatste bus – bennie spekken

de chauffeur veert op
en neer in het donkere
vooronder

scheert boom na boom
de groene tunnel
door lichtbundels betast

de mond van de engel
op mijn schouder hangt
wagenwijd open

haar hoofd een speelbal
van de automatische idioot
ze lijkt wel dood

het einde is inzicht
er is geen weg
geen land meer

alleen het vuur
van de zon
onder

kissy-kissy bye-bye – maaike klaster

Hoe oud ben je nou?
Inmiddels zou je toch moeten weten welke vrouwen
je wel en welke wijven je niet aan je lijf wilt hebben?
Hier heb ik er één voor je: eigen schuld, dikke bult.
Op je hoofd dus; niet in je broek. Als je zo doorgaat,
kun je het schudden. Kissy-kissy bye-bye. Zwaai zwaai.

ansichtkaart – robert kruzdlo

een baai vol bootjes, zeewit
-te snorren ploegen voort

waaiers zeewater, pauwenveren
kleuren glijden langs de rotsen

dobbert een blank blote kont
achter een zwemmershoofd

niemand speelt hier een hoofdrol
het is een al spel

in mijn hoofd wordt
in een flits alles bepaald

verhalen zonder een ik
dat zal hij bedoelen

veel lawaai en geronk
van heel veel woorden

ongeletterd blijf ik
taal gerangschikt dom

niemand weet waarom.

bevestigen – janus duprie

dat je voor de wet
mag trouwen

met jan en allemans
vrouwen mannen

dat is nog daar
aan toe maar

dat je perse een paar moet
zijn voor belastingvoordeel

en geen huishouden van
tien vrouwen en zeg drie mannen

en bij wijze van spreken
50 kinderen…

ben je nou helemaal gek
gestoord in het hoofd ziek
je lijkt me alternatief

pleurt op en neem
je geitenwollen sokken
ook meteen mee

snelweg naar de nacht – b. vogels

de nacht kent begin
noch grenzen
hij overvalt je
als een trage trein
je indommelt
en inspiratie steelt

het spoor heeft geen einde
de tunnel graaft zichzelf
het verleden draaft vooruit

en toch
het hoofd moet uit de armen
wat je lief is houdt je wakker

mevrouw zijlstra – kizan

Zij lijkt niet op zichzelf!
Een ander geeft haar ook niet weer.
Wie is zij?

Een ongekend wezen
Dat groeit in wezenloosheid,
Bloeit in vorming
En ten ondergaat aan herkenning?

“Volgens de vreemde niet,
Maar wie vertrouwt hem”,
Herhaalt zich in haar hoofd.

Maar zij mag zichzelf niet worden.
Dat heeft zij de wereld,
Bovenal zichzelf beloofd.

uit de hemel haal ik de grond – b. vogels

Waar ontkiemen verzen?
In de dood misschien!
Zoals schimmeldraden onder een bos,
of los daarvan vers in een hoofd.

In het kind dat nog leeft,
waar nooit één woord is geweest.

je kan – b. vogels

de zon in je handen dragen
tot de einder buigt
het zwerk verschroeit

je hoofd geen aanstoot neemt
aan gedonder van zwarte gaten

en wat de dag niet bracht
vermag de nacht

renaissance – maaike klaster

Ik heb een heel deel, half deel, van mijn stem
teruggevonden, een luchtkoker waar oude en
nieuwe noten, tonen, klanken, zinnen, woorden,
melodieën door naar buiten stromen, een stuk
van mijn luchtpijp dat al die jaren afgeknepen
was, waar niets uit tevoorschijn mocht komen.
Horen jullie die hoge C terwijl ik dit schrijf?
Ik was er bijna! Wie had dat ooit gedacht?!

Nu kan ik niet meer stoppen met zingen en
herken ik mijzelf niet meer, of liever gezegd:
ik herken mijzelf na zo’n 32 jaar weer terug.
Er kriebelt zelfs een dikke giechel in mijn keel
die mij vertelt dat ik wel degelijk ooit een meisje
en alle dagen vrolijk ben geweest, en dat is een
zegen.

Dat wilde ik jullie even laten weten, intellectuele
broers, zusters, vadervrouwen van deze wereld
die nog steeds denken te kunnen beweren dat
één zinnetje van een uitermate luie donder
(René Descartes, ja. Dat luie sekreet, die in z’n
bed liggen ruftende, slome pijproker) ons bestaan
op aarde bepaalt. Wat Een Goeie Grap. Want
Verlichting, dat is een hoofd op sterk water.
Uiteraard ja.

Misschien dat we dan volgende keer van plaats
kunnen wisselen en jullie je als tweejarige laten
afranselen, vastbinden, uithongeren, betasten;
je op je vierde zo bruut laten verkrachten dat
niemand tegen je wil zeggen hoe erg dat voor
je is geweest; op je vijfde je vader chronisch
ziek zien worden; op je zevende te horen krijgen
dat papa’s ziekte nu ook in jullie lichaam huist
en op je achtste, met je knuffelbeesten en
kleurblok op schoot, aan de zijde van je vader’s
dialysestoel af kunnen vragen waar jullie, als
jullie later groot en ziek zijn, die twee dikke
naalden zullen laten plaatsen, in jullie dijbeen of
in jullie arm, want de huid op een vrouwenarm is
dun en als zo’n shunt te vaak geprikt wordt, kan
het voorkomen dat dialyse niet meer mogelijk is
omdat de naalden niet meer houden en als
nierpatiënt ben je zonder dialyse binnen een week
dood.

Misschien dat het vooruitzicht van aan een
machine gekluisterd; door een pompje en een
vezelachtige kunstnier in leven gehouden
worden jullie idee van plezier is. Jullie hadden
niet meer nodig dan jullie gedachten, toch?
Een lichaam, dat is maar iets vies. Daarom mag
je blijkbaar als volwassene zomaar een kind te
grazen nemen. Had ik maar niet met een mond,
een kut en een paar nieren geboren moeten
worden. Eigen schuld, dikke bult, zullen we maar
zeggen. Die ziekte heb ik overigens overboord
gegooid. Wie hem wil, mag hem hebben.
Mijn zegen heb je.

maxime van de consistentie – joost de jonge

Geen idee wat er gebeurt
Waar er iets begint
Het is als het krijgen van een kind
Van binnen losgetrokken, opengescheurd
Mijn hoofd is ademende ruimte
Die geel ontbloeit
Een kortstondige verschijning

spoor – b. vogels

Waar plaats je de vrouw met lijfgeur in het paradijs?
Alvast niet in de trein, ze stoot me aan.
De hemel keert zich om in mijn hoofd.
Ik staar naar de studente met de spelende tong.
Voor de grijsaard, met gehoorapparaat,
naast haar is vast niet alles roze.

vrije meningsuiting – pj sas

wonen in je hoofd is lang niet zo leuk
als neuken
in de open natuur

de weegschaal van de werelden
balanceert
op het scherpst
van de taal, op de punt
van een
pen

daarom sturen redelijke extremisten
suicide bombers
naar de republiek der letteren

voordat de wond
begint te etteren, dat krijgt je ervan
als je er geen doekjes om windt
jij ouwe rukker

jij Khadaffi, aan je schaakbord
verliezend van je eigen grootheid

de zee is rond – b. vogels

met haar dansende benen
stroomlijnen die in dijen verdwijnen
speel ik eb in mijn hoofd en vloed in mijn buik

de duik in haar golven is een wanhoopsdaad
waar de nacht van vol is
loopt zij van over

zand in de ogen betovert mijn voeten
de zee is rond en zij loopt aan de horizon

ik – yvette rombouts

‘De vrouw met de rode haren, dat ben jij,’ zegt de buschauffeur.
Ik schrik, ik ben onverwachts gezien.
Schuifelend, gebogen, grijs en onzichtbaar maar wel met fel rood haar.

Ik weet niet waarom ik niet duidelijker ben.
Om alles wat ik heb gedaan.
Om alles wat ik was en nooit zou worden.

In mijn hoofd ben ik niet gezien, geen ruimte in nemen, wel gillen.
Praat niet met me want mijn stem is onvoorspelbaar.
Hoog piepend, zacht fluisterend of plots omslaand, veel te hard.

Nee, ik wil niet mee klagen over de te langzame caissières.
Maar jij, voor mij in de rij, met je blauwe jurk, dwingt mij.
Met mijn glimlach sluit ik een pact met jou, perfecte blauwe vrouw, tegen de caissière.
Vreemdeling zie mij,
Vreemdeling hoor mij,
Vreemdeling voel mij,

Vreemdeling negeer mij.

het verscholen dorp – joost de jonge

voor Henk van Loenen

We keken naar links en naar rechts
midden op de weg stonden we even stil,
alles is kleiner geworden.
Kleiner zijn mijn gedachten
alsook het denken dat ik wil.

Wij kennen elkaar
er bestaat een zekere band,
gedragen door verstand en gevoel.
Wij zijn zwervers in hart en hoofd.

Stenen liggen op hun kant,
onregelmatig gewelfd
kromt de Kerkweg zich hier en daar,
kraakhelder drijft een schaduw op het water onder de brug.

Als wij maar niet te veel vragen
en als de haagbeuk lijdzaam verdragen
tot een genoegzaam schikken
boven de rug van een meikever
de hele ruimte zien.

heaufdpijn – occludin

zevenendertig uur niet gegeten
twee nachten doorgehaald
en dat maakt wat uit
ik heb nu wodka nodig
anders droog ik verkeerd op

professor V. wil dat we sms’en
geen sarcasme in zijn stem
zijn witte Macbook hapert
digibetisme in de twintigste eeuw
hij deelt papiertjes uit
gedrenkt in een chemisch iets
leg maar op je tong en proef
trek niet zo’n vies hoofd
je bent een genetisch unicum

en ik flikker nog maar eens
mijn telefoon in de afvalbak
houd mijn lege blikje goed vast

tot zover en bedankt voor alle vis. – brigje otterloo

je missen
en dan zeggen dat er
nooit meer iets als toen
zoals je hier ligt;
een incontinentaal
plat op een kussen

je hoofd een uitgebloeide
bloem waartussen zich
een adem vleit
wanneer de laatste
komt weet je niet

je pols al haast
te dun om aan te
voelen je ogen
kijken uit

de kassen

je moet
gaan vliegen
liefste
moet gaan vliegen
vlieg maar uit.

monstertruck – maaike klaster

Jullie hebben – wij hebben allemaal – de kracht van een goed
gevoel voor humor onderschat. Het mijne komt in ieder geval
met een optocht aan Australische vrachtwagens over jullie
asfaltwegen, landpaden, straatjes in Madurodam gereden,
en ik maar zwaaien: Op naar Legoland!

Dat vinden jullie waarschijnlijk prima, want een speeltuin
platrijden mag best, Het zijn tenslotte maar kinderen; niet
jullie hoofddoeken, moederkoeken, papa’s volgestopte pijp,
opa’s pruimtabak of het naaigarnituurtje van oma.
Waarom ik over die hoofddoek begin? Omdat het, net als
mijn onderbroek, een lullig lapje stof betreft, maar volgens
sommigen kostbaarder is dan mijn kut, mijn vagina.

Waarom vinden wij dat laatste nog steeds zo’n vies woord,
dames? Laat het door een Spanjaard uitspreken en je hebt,
met een beetje goede wil, een levenslang boek om in te lezen.
Dat klinkt dan weer heel verheven, vinden jullie ook niet?

Terug naar dat beeld van mij achter het stuur van die wagen,
die Monstertruck, met het raampje opengedraaid, mijn arm
aan de buitenkant lekker tegen het door de helse zon verhitte
metaal aangevleid, mijn vingers tegen het portier steeds een
andere roffel trommelend en een slap sjekkie in mijn bek
- in het echt vind ik dat ontzettend smerig, shag, maar hier
op papier mag ik alles.

In gedachten verzonken, met die donderwolk boven mijn hoofd,
boven mijn wagen, boven die Route 666, vraag ik mij af – en
terecht, als ik dat mag zeggen – waarom meisjes, maaikes,
vrouwen, maagden, slettebakken, snollen, porno-actrices, oma’s
en je eigen moeder nooit boos mogen kijken, maar al die sjieke
hoeren wel.

Omdat ze meer betaald krijgen, Maaike, daarom – zegt een bord
langs de kant van de weg, met daarnaast een pijl die alle kanten
op wijst, en de tekst: voor uw goedkoopste grijns, daarheen!

vandaag hou ik het droog – jelou

met boter op mijn hoofd
glijdt alles beter

kop in het zand
geen strobreed te veel
en wie de pet past
laat hem stuurman zijn

ik staar de kast
vol stoute schoenen
leer om leer gelooid
de zolen afgesleten

aan wandelen had ik
altijd al de pest

vooral met pijpenstelen

sportschool – bennie spekken

mijn hoofd barst
van de spiegels

een vervormde stem
roept hoogste tijd
voor de buikspier

en het vet beweegt
de verzadigde mens

de rolmodellen
aan de muur

zonder genade – b. vogels

nooit voorheen hoorde ik
het gonzen van hun metalen kleuren
ik droeg mijn hoofd
in de kruinen van een wolkenbos
onder mij krioelden ogen
uit het niets
kittelden sprieten
als trillend riet aan reuzenvoeten

nu moeten mijn zinnen
getuigen van hun ruige haren
de schilden en vleugels
van een kriebelleger
dat in een onderwereld schuilt

en steekt zonder genade

love-suicide – calvin smith

Ze verdwaald pijnlijk langzaam tot
ik stik van echt plezier
is er nooit spraken, waar
ik niks meer vind dan
haar naam, bonkend in mijn hoofd

Pijn is slechts mistig als
mijn kleine wereld zwart vervaagt
onze liefde in grote inkt druppels
likken we droevige wolkenkrabbers af
grond lijkt te hoog,toch springt ze 50 meter

Sirenes gillen door de straten
flats draaien om me heen
staat onze leven stil
zit ik hier te bidden voor
haar laatste zonde, zelfmoord

pacman – mattijs deraedt

Ik sta te grazen in de velden van de zon,
ik sta te kijken naar de voorbijrazende trein
die ik missen wou.

Ik draai mij om en staar in de oneindigheid
van de poëzie: loeiend in een raadsel dat
onopgelost mooier is.

Verwondering klautert uit de gracht.
Achter het hek staat een catatonische jongen,
hij draagt een wit masker met lange neus.
Hij wandelt traag naar je toe.
Eerst ren je weg maar uiteindelijk
draai je je om, samen met de menigte in je borst.
Je voelt geen angst meer
en je handen waden door de mist die hij is,
ook al spert hij zijn hoofd open als een haaienmuil.