jezus eet crèmepaté – delphine lecompte

Jezus de loodgieterzoon eet bijna elke nacht
Een blok paté met een theelepeltje in bed
De brute haan moet nog kraaien
Moeder roept in haar slaap: ‘Laat me los, schurk!
Ik wil niet verkracht worden door een ezeldrijver!!’

Maar de verkrachter verandert iedere nacht van beroep
Moeder roept net voor de paté volledig verzwolgen is
Jezus noteert: imker, touwslager, kaarsenmaker, orgeldraaier,
Kaasboer, stierenvechter, ritsenhersteller, goochelaar,
Gynaecoloog, olifantenverzorger, kinesist, beul, matroos.

Om 5u staat Jezus als eerste op
Eerst schrijft hij een vriendelijk sonnet over zijn vader
En daarna een helende haiku voor zijn moeder
Ook al weet hij dat ze niet wil genezen
Hij weet niet dat ze niet kan lezen.

Jezus heeft niet de juiste naam gekregen
Zijn moeder zei na de vlekkeloze bevalling tegen haar man:
‘Noem het kind Simon naar wijlen mijn astronomische stiefvader alsjeblieft.’
Maar het bliefde de loodgieter niet
Want hij had een aversie voor alle ontnuchteraars van de Melkweg.

Dus ging de loodgieter naar zijn stamcafé
Na zes glazen rode wijn van Kaapstad
En 37 teugjes calvados van zijn heupfles
Was Jezus de enige aanvaardbare,
De enige uitspreekbare jongensnaam.

betekenis – jan holtman

als twee vrouwen zich
op dezelfde dag afvragen
of ik nog leef
en een parkeerprobleem
oplossen dan moet ik toch
van enige betekenis zijn

enkelvoudig – martin m aart de jong

Zal ik haar schrijven morgen,
zeggen dat het toch niet lukt
dat ik gebukt ga onder zorgen
last van rijmdwang heb en als

ik buk dat ik dan de flarden
van een gedicht ruik in de wind?
Of zal ik aanbellen. Een rode bos
met rozen in mijn handen. Losjes

blozen. Stamelen over woorden
als “jij” en “de enige”. Of
zal ik schrijven dat het toch

niet lukt. Dat alles toch gewoon
blijft zwijgen. Dat dat juist dat,
dat dat geluk.

kan iemand mijn ouders leren lezen? – delphine lecompte

Mijn moeder leest een gedicht dat ik gisteren heb geschreven
Ze wordt met een tapijtschaar vermoord in mijn gedicht
Niet door mij
Maar door een labiele schoorsteenveger
Ik heb hem wel het moordwapen aangereikt
Mijn moeder kijkt op en geeuwt
Dromerig streelt ze mijn kruin
Alsof ik een goedkope tochthond ben.

Ze denkt kortstondig terug aan het martelen van de fret die
Veertig jaar geleden het huisdier van haar enige broer was
Ze heeft toen enkel haar handen gebruikt
Hij heette Samuel, haar broer
Hij is een misnoegde stukadoor geworden
Marterachtigen interesseren hem niet meer
Al bij al was het een geslaagde kindertijd
Er waren appelsienen in overvloed en
Tuinmannen mochten nog van kinderen houden.

Mijn vader mijn gedicht doen lezen
Dat is een ander paar mouwen
Ik moet hem vastbinden en
Zijn bovenste oogleden met elastiekjes aan de kroonluchter vastmaken
Ik zou mijn gedicht kunnen voordragen
Maar ik ben te lui en te nasaal.

Hij leest en beeft
Want ik heb zijn kleren moeten verwijderen
In het gedicht dat hij leest is hij een korzelige kruidenier
De kindertijd van de kruidenier was miserabel
Zijn vader was een communistische terrorist en
Zijn moeder was verslaafd aan het sap van cactussen
In de derde strofe wint hij de eerste prijs van de tombola van de zeescouts
Het is een smaakvolle houtskooltekening van een verkrachting op het strand.