onlosmakelijk – dio the cilany

wanneer het hoofd soms even opzij zakt
dan weten we dat geluk een horizon kent
even recht als gebogen

als wij elkaar in de armen nemen
vermoeden dat het goed komt
ook zonder zoals daarvoor

het eerst overal groen is en bloeit
zelfs ontworteld op dood hout
houvast vindt ogenschijnlijk in niets

geeft het dan nog iets
of staat alles stevig overeind

can’t fake love – pallas van huizen

Dat je zoveel voor iemand kan betekenen.

Je koude lichaam onder de te warme deken.
In het donker kijk je door het raam,
door de nacht heen.

Je bent zo moe, zo moe, zo moe.

Ik zou me zo graag herkennen, meedoen.
Echte dingen, daar moet je doorheen.

Kattenverdriet, de dood klaagt nooit.

Dat je behang bent, traangas voor de blinden,
psychiatrisch patiënt, uiteen gereten, teruggetrokken
in een dimensie van rottend tandvlees en verloren respect.

Rijstwafelsporen, klontjes suiker, instant coffee
en als je ligt: De beleefdheid van een barmhartige definitie.

Als je eigen rouwadvertentie.

In de lach gestorven sta ik mijn plek af.

vriend – martin m aart de jong

Laat ik het hebben over jou. Ik maak
me zorgen. Hoe je de dagen doorstaat
en iedere dag toch trouw blijft posten.
Het is allemaal niet veel zaaks, los

strooigoed voor de vogels alsof je in
jezelf praat. Maar dan nog, wat zeggen
statistieken, wat zegt een “vind ik leuk”
Twijfel je nooit? Wil je niet opgeven

klap je nooit dat boek eens dicht en stap
je naar buiten, groet de vreemde die je buur
vrouw is. Dit is het leven niet. Beschermd

gebied vol onnatuurlijk heden. Geen dood
voor wie een status heeft. Profielen staan
onopgeheven voor eeuwig langs de lijn van tijd.

op natte planken – pallas van huizen

Het is dat ik je ken of eerder gezegd denk te kennen.­
Ik was dichtbij, heel dichtbij.­
Jij ver weg, heel ver weg.­
We konden elkaar aanraken,
maar niet bereiken.­

De weg kwijt.­ Er was geen jij in deze wereld.­
Kromme tenen en ik weet dat ik weer eens zoekende was,
diep in het rood ondergedoken bij de gratie van 10 euro.­

Daar zaten we dan in onze indianentent.­
Geen woord gezegd, broodnuchter, lege en lage wolken
en we filmden de toekomst in onze frontale hersenkwab,
door onze maag, langs het ruggenmerg,
in een adem naar buiten.­

Blind voor het leven nu we de tunnel zien komen,
lichtje voor lichtje,
een voetstap verder weg en dichterbij.­

De dood ruik je hier op een afstandje.­

stellingbouw – martin m aart de jong

Er is een tijd van komen en gaan
daartussen sta je op een scheermes
blaffende menigtes toe te hoesten
dat de poëzie geletterde zuurstof
is zonder welke we hersendood tussen
de stenen bewegen van geboorte en dood.
Als je nooit zegt dat iets mooi is omdat
je niet kunt zien wat van een ander eeuwig
deelbaar is ben je net als het heelal
alleen tril je negatief in een hoekje,
ook als er geen hoekje is omdat er zoveel
hoekjes zijn met trillende ego’s. Je trilt
altijd mee met de energie. Je weerkaatst
klanken van werelden die je niet kent omdat
leven een voortzetting is van alles wat koolstof
verbindt aan de hartstocht. Het staat steviger
als je geschiedenis de jouwe weet meedeelt in
de draaiing van de as.

gevallen dag – vincent corjanus

Nu de dag van de trap gevallen is
en de gebeden verleden zijn,
Zwaait een engel vanuit de hemel.

De dag is kapot gevallen in stukken
daar onderaan de trap.

Pijlen in een brandende roos.

Het sterfbed van het geluk.

De bijna dood ervaring.

gedicht voor een dood meisje – maaike klaster

Zwart leer omringd door
stilstaand rubber.

Wij zoomen in.
Dit zijn haar schoenen.

O meisje,
o meisje toch.

Hier heb je een hand en een
pen. Wat zal ik zeggen?

Het is zulk warm weer,
een laken is voldoende.

de dichter is dood – elsje de wit

De weduwe heeft op handen en voeten
al zijn gedichten bij elkaar geveegd
en afgelopen woensdag met pijn in haar
rug en knieën, drie zakken vol in
de oud papier container geleegd.

fifteen minutes of fame – sacha vreling

Vandaag mocht ik je van mijn vriendinnen
helemaal dood schoppen. Ze maakten filmpjes,
twitterden zich gek en kwamen bijna klaar
toen ik de allerlaatste druppels glasvocht
met een papieren zakdoekje
van mijn stiletto-hakken veegde.

laatste bus – bennie spekken

de chauffeur veert op
en neer in het donkere
vooronder

scheert boom na boom
de groene tunnel
door lichtbundels betast

de mond van de engel
op mijn schouder hangt
wagenwijd open

haar hoofd een speelbal
van de automatische idioot
ze lijkt wel dood

het einde is inzicht
er is geen weg
geen land meer

alleen het vuur
van de zon
onder

drenthe – jan holtman

je zou de kerkklok niet meer horen
en niet meer weten wie er dood is

XVII – jan holtman

lang leve de unie van Utrecht
en dood aan Noord-Korea

wanneer gaat de klok vooruit?
elke dag mevrouw

miss montreal – maaike klaster

Ja, je kunt wel zingen schat, maar hebt voor jouw medezangers, -mensen
bijzonder weinig oog of oor, waardering of aandacht, zoals wij dat noemen.

In de krant stond een interview met jou waarin jij koelbloedig van jouw
hoge toren blies, als een ijskoningin op haar troon gezeten. Nou ja, een
klapstoel was het. Met welke bedoeling? Om ons te laten weten dat jij
zo’n zeldzame kunstenaar, een bijzonder bekwame artiest met een kut bent?
Wel ja! Misschien ben je op zoek naar een vader, een papa. Dat zijn er wel
meer. Zonder vader verder leven is geen verdienste, maar een gegeven.
Daar win je geen zieltjes mee. Jij wel? Prima. Bedenk dan in ieder geval
dat de mannen die jij uitkiest om jou Groot en Heel Belangrijk te maken,
je kent ze wel, eigenlijk op minderjarige meisjes geilen. Wie ben jij?

“Ik ken (bijna) geen vrouwen die iets kunnen.” was wat jij in dat interview
zei. Goh. Ik ben een vrouw en ik kan een pen vasthouden en deze alfabetische
taal op papier zetten; ik kan op mijn knieën een man zitten pijpen – of ik dat
goed kan, is niet aan mij; ik kan mijn eigen reet afvegen. Wat kun jij? O ja,
zingen, dat was het. Nee hoor, lieverd, ik vind jou niet zielig en je hebt niet
heel veel meegemaakt vergeleken bij andere mensen. Wij maken allemaal
vanaf het moment dat die ene eicel zich door de zaadcel van haar keuze met
liefde heeft laten penetreren heel veel mee. Of wij bereid zijn dat ten volste te
beleven, is in wezen het enige wat telt.

Ik weet het, schat, jij zat al heel vaak bij Matthijs van Nieuwkerk aan tafel en
hij kan het weten! Wat heb ik te vertellen? Niemand kent mij! Maar ik ken
Matthijs van vroeger, toen ik niet bij hem, maar hij bij ons thuis regelmatig
over tafel ging, als de protegé van mijn vader, die chef van de kunstredactie
was bij dezelfde krant waarin jij alle vrouwen uit jouw omgeving en ver
daarbuiten, behalve jouzelf en jouw moeder misschien, triomfantelijk onder
hebt zitten kakken. Die vader van mij had vaak het hoogste woord, net als jij,
maar hij kon schrijven, leerde Matthijs het journalistenvak, vertelde ons
‘s avonds verhalen over zichzelf en zijn collega’s, ook over Matthijs, die hoorde
erbij, daar aan die Amsterdamse tafel in het hart van de Bijlmer. Juist, daar
woonden wij en zo kwam Matthijs ‘s avonds voorbij. Volgens mij heeft de beste
man nog eens tijdens een huisfeest van mijn ouders met smaak staan smikkelen
van een lekker gevuld eitje dat ik als negenjarige klaar had staan maken.
Vroeger hoorde Matthijs bij mijn vader, in mijn beleving als kind. Nu niet meer.

Toen mijn vader stierf, deze maand achttien jaar geleden, sprak Matthijs op de
begrafenis. Hij vertelde over de vriendschap die zij hadden als collega’s, over
die lange vader van mij met dat belachelijk kleine, plastic koffertje dat hij
gekregen had van mijn Zeeuwse oom die veearts was, waar medicijnen in
bewaard werden voordat mijn vader het een nieuwe functie gaf. Mooi vak,
veearts. Mooi landschap ook, daar in Zeeland. Mijn vader dus, die zelf met een
ziekte leefde, maar daar nooit over schreef. Een ziekte die schijnbaar ook in mij
huisde en waar ik als negentienjarige in mijn eentje mee achterbleef nadat ik
samen met met mijn broer, zusje en wat ooms van mij de kist met het lichaam
van mijn vader, in gedachten op hem scheldend, over een natgeregend
begraafplaatspad, onder een blauwe lucht met felle zon en witte wolken naar
zijn winterse graf heb gedragen. Wat waren hij en die die klote kist zwaar! Hij
had zichzelf moeten dragen, daarom schold ik zo op hem; niet omdat ik hem
mijn liefde wilde onthouden. Hij was weg, maar die ziekte bleef en ik dacht nooit
meer verder te kunnen leven. Volgens mij heb ik hem een klootzak genoemd.
Schelden op iemand die je lief, maar die dood is, terwijl je diens loodzware lijk
voortsleept, ken je dat? Kun jij dat? Ik deed het. Zet er maar bij, op mijn lijstje.

Bij die tafel waar het allemaal om draait hoef ik dus niet aan te schuiven.
Uiteindelijk schuiven ze allemaal aan bij mij en kom ik zelf veel meer te weten.
Over welke artiest een kleine piemel heeft bijvoorbeeld. Iets wat je als achtjarige
niet al hoort te weten, maar ik wist het. Dat werd mij verteld tijdens het eten.

Hoe mijn vader dan wel niet heette? Ga dat maar aan Matthijs van Nieuwkerk
vragen. Er was een tijd dat ik hem papa noemde.

onder invloed – mattijs deraedt

Ik wil nog allerlei dingen zeggen
maar ik weet niet hoe en niet wanneer en
heel soms weet ik zelfs niet wat.
Dan weet ik dàt er iets is
maar niet wàt precies.
Ik wil nog een heleboel dingen doen
maar de tijd is kort en ik krijg geen tweede portie.

En ik ben niet vrij.

Het pad onder mijn voeten lag er al voor ik er was
en er werd reeds uitgepluisd op welk koord ik zou dansen,
welk papier ik zou kopen en welke woorden ik zou lezen.
Zelfs de woorden die ik schreef zijn niet zuiver.
Maar wat doe ik eraan? Huilen als een hond?
Door de knieën gaan en zwijgen?

Of kleur ik buiten de lijntjes?

En dan is er natuurlijk nog altijd de gulden middenweg:
je bent een slaaf van het geld tot je dood.
Ja, de zanger heeft weer maar eens gelijk.
Daar staat hij nog, in het diepe licht,
met zijn bruine krullen en zijn zonnebril.

Eerst niets en dan de waarheid,

want alles begint en eindigt met niets.
De sprong is de uitzondering,
het foutje, de onregelmatigheid.
Het niets is de donkere nacht, het lange wachten,
de zoete ochtenddauw.

En uit niets komt niets voort.

Het idee is de grootste leugenaar,
het duikt op als een dampend veulen,
net gevallen en verblind,
maar houdt tussen zijn hoeven de waarheid,
de oorsprong, de blinde duif die hij vertrappelt,
sneller dan je kunt zien.
De tijd van liegen is voorbij.
Eerst was er niets.
En dan de waarheid, het vuur, de toorts, de kever.

Het is tijd, alle slapers liggen in hun bed!

De tijd van de wakkeren is aangebroken.
Het is tijd om te schrijven wat nooit gelezen wordt.
Want een doener leest niet, een doener schrijft niet.
Een doener doet wat hij doen moet.
Een doener doet, sterft en maakt plaats
voor een nieuwe doener, een nieuwe leugenaar,
een nieuwe gemaskerde dichter.

De wolf, het varken en de modderman
met zijn korsten en granaten,
zijn oude ogen, zijn nieuwe rimpels,
zijn lange haar en zijn schuchtere baard.

En de bomen en bloemen zullen nooit vergaan
dus waarom ze hier vermelden?
Ga naar buiten en zie:
dit is het forum, dit is het spreekgestoelte,
dit is de toren, dit is de kerk, dit is de long
waar de gevederden wonen.

franse frietpraat – monique methorst

Punt is dat het allemaal zo gevoelig ligt. De pijntjes van zolder, catastrofe na strofe schrijven alsof het niet lijden kan en wij maar zo goddelijk zingen van: “Hij weet niet hoe, hij weet niet hoe, hij weet niet hoe.”

Op het verkeerde been uit woorden gezet, met de inkt amper droog achter de oren… zette je een keel van een aardappel op en droop alle shit af in jouw voetsporen. Even naar zijn schoenen kijken… super, hij loopt er nog steeds naast.

Om door een vingertje te halen… kom likken aan wie zo dik er bovenop ligt. Het is niet de kers of de ouwe taart, maar het vervelende van spanning is dat het zo lekker weg snijdt… net zo dwars tegen alle wetten van jouw natuur in, luistert het ook zo nauw om in alle vrijheid te schrijven: snuif je wel vaker in de spiegel van de kapper voor de smaak… wat weer niet in het juiste perspectief valt te lijmen en dan moet het nog zeker rijmen ook…

Dan ben je zeker ook van de partij Tegen etenstijd vervuilde poëzie en het kwijl aan de muren zit? Wat zure regenbogen erbij, heb je een dijk van een gedicht met als enige beperking dat je pas na de dood er beter door wordt.

met kromme handen – joost de jonge

jij met dagloners in mijn tuin
droom over ik
hoezeer waardeert de tuinman
‘t groen van de boomstammen
je beweegt in een stroom
een stroom beweegt in je
één ogenblik steekt mijn rug
volvoert
de bewegende dood is
opgestaan uit een verlammende angst
mijn tafelgenoot

het ritme van de tijd – jan van heemst

Een zwarte vogel op een wilde tak
pikt nu de bessen van mijn levensboom.

Ik voel de onderstroom der eeuwen.

Laat nu de dood maar komen
en laat mij dromen
op het ritme van de tijd.

Eens zul je bij mij komen
in die oneindigheid.

verhalen van de aarde – maaike klaster

De maan door een vergrootglas boven een stad zien hangen.
Zij verlangt naar haar straten, geeft zich aan de menigte over.
Hier is niemand die haar ziet zoals wij haar zien. Hier is zij wit
en verveelt zij zich nooit, vervelt zij alleen, ademt zij haar
eigen stof weer in. Hier gooit zij hoge ogen, kijken zij naar haar
volle gezicht op, wassen zij zich in haar licht, wassen zij haar
haren. Hier hoeft zij nooit meer dood te gaan. Hier ben ik niet,
maar ik kan zien waar zij is geweest, herken de weg die zij wil
gaan, hoe zij de maan gedag zwaait en zich in het neonlicht
begeeft, de nacht kust met haar gulle lach, hoe alles wat
bevreemdt al heel lang bekend terrein geworden is, hoe de stad
terugpraat met iedere straattegel, met iedere hoer op iedere stoep,
en op iedere hoek een nieuwe kans om een andere weg in te slaan,
dealers die naar specerijen ruiken die je thuis alleen uit keukens
kende, luchtige overhemden, een zonnehoed – ook na
zonsondergang, en het klikken van je hakken, de zolen van de
sandalen aan je half ontblote voeten, een deur die voor je opengaat.

Zo ben je altijd onderweg, veeg je al die oude tranen weg, maar
niet echt, veeg je de vloer aan met je vader die jouw taal nooit
heeft gesproken, geef jij jezelf een nieuwe moeder kado die van
iedereen nog het meeste op de jouwe lijkt, vind je een geheime
tuin om steeds in terug te komen, andermans thuis om in te wonen.

aard-man – hanny van alphen

de aardappelen gepoot
en sjalotten geplant
rechtte de moede man zijn rug
wees omhoog
naar een vlucht vogels
boven zijn heilig land

kijk, alles vliegt en vreet
de tijd aan flarden

leven noch dood
of iets van waarde
zal beklijven
en toch
sprak de man
met vuile vingers
zou ik hier graag nog wat blijven

bode – bennie spekken

schijnmaan
schaduwpad

windvlaag
brievenbus

schaterkraai
kippenvel

luchtpost
dood blad

uit de hemel haal ik de grond – b. vogels

Waar ontkiemen verzen?
In de dood misschien!
Zoals schimmeldraden onder een bos,
of los daarvan vers in een hoofd.

In het kind dat nog leeft,
waar nooit één woord is geweest.

* – maaike klaster

Amaryllis
    bloeit, breekt
  open.
Rood vloeit
  als bloem
achter mijn
    ogen.
Knop kleurt
    groot, wordt
aneurysma.

Bloed geurt
naar de dood.

verborgen land – jos van daanen

Er lopen kloven over je voorhoofd en ze druppelen
vertraagd langs je slaap naar beneden, één ooghoek
meeslepend in hun val. Het leven elixert op den duur,
maar daar kon ik vroeger al niks mee.

De schors schilfert van gedroogde kerven in je huid
en je ruikt sterker naar de dood, dan ooit.

Hoe ooit ruikt herinnering? Als een grot vol vleermuizen?
Een rottende hoop vernederingen, een ravenmoeder?

Met een blik in je heldere oog ontdek ik nog net het land
dat je voor me verborgen hield, de bomen die reiken
tot waar je gedachten zweven op de leegte, het kind,
van geen schuld bewust.

groene kathedraal – pj sas

de taal is een groene kathedraal
waarin ik afdaal, ik laat mij zakken
door een bladerdek van letters
langs katrollen van grammatica
en verder langs knoestige vertakkingen
van onderwerp en gezegde en nog verder
langs formele bomen als pilaren
op pilaren, als kolommen op kolommen
tot ik kom bij de aarde in het duister
en ik luister naar de stilte, de koralen
van de vogels hoog in het groene glas in lood
en ik ruik de dode bladeren en ik weet
hoe de wortels wortelen in de dood
in massagraven van uitgestorven beschavingen
hun humus voedt de bomen zoals onze woorden dat ooit
ook zullen doen

belofte – bennie spekken

om de van dood doortrokken verzen
werd hartelijk gelachen
de enige die het begreep
was een klein meisje
dat begon te huilen

men vond het mooi prachtig
knap dat je dat kan
daar stond je dan tussen
de grijze muizen en nergens
een plaatselijke schoonheid

versteend met de bloemen
met je ijskoude hand
op je hart te beloven
nooit meer een gedicht
te zullen schrijven

of het moest over haar gaan

het doorzichtige gelaat van de avond – maaike klaster

I.

Wil je weten hoe het voelt, de pijn
die jouw haat dagelijks veroorzaakt?

Daar kom je nog wel achter
en dan zit ik allang bovenop een heuveltop,
onder een dadel-, vijgen-, appelboom,
uit te kijken over het paradijs, de tuin van God,
van Jahweh, Vishnoe, Allah. Alles.
 
 
II.

Wil je niet weten hoe het voelt om tegelijk vlees en liefde te zijn?
Ik ben beide.
 
 
III.

Nu je over de dag uitkijkt, toont de straat het doorzichtige
gelaat van de avond, de laatste zonnestralen.

Alsof er een fles met ranja lekt en alle limonade
over onze daken stroomt. Alsof ergens een heel groot feest is
en degene die altijd aan ons denkt met uitgestrekte hand van ver
ons allemaal een glas inschenkt.

Met gulle stralen dooft het licht, sijpelt de avond ons leven binnen.
Alsof je het ontwaken ‘s ochtends hebt gedroomd,
want je zwemt zo door het raam naar buiten, dompelt je in
oranje onder, trekt baantjes, maakt rondjes, houdt je adem in
en duikt zo naar de dood omhoog.
 
 
IV.

Hoe ze mijn ziel, mij geest, mijn lichaam vermorzelden.
Hoe mijn hart hen nog steeds in gedachten had.

Hoe ik mijzelf uit die doodskist bevrijd heb
en nooit meer terugkeer
naar de haat waarmee ze mij wilden begraven.

Ik heb lief, dus ik besta.
Vraag maar na.
 
 
V.

Deze planeet zal ik verlaten
zonder schuldgevoel, spijt of schaamte.

Mijn huid, vlees en geraamte
laat ik achter voor de moeder die het maakte
en elk deel terugneemt in haar schoot,
tot iedere dochtercel is opgenomen in de grond
en koolstof uit aarde opnieuw tot leven komt.
Hoe vruchtbaar is een graf.

Er zullen appelbomen groeien waar ik lag.

venster – stien van der wal

de moeders klagen
hun kroost brokkelt af
zij hebben niet beseft
stervenden te baren

de kinderen spelen
hun vlees vergaat
van dood geen weet

wie niet bezig is
geboren te worden
is bezig dood te gaan

de kroeg op de hoek – hans goudart

In het café op de hoek
hebben we eerst kunnen genieten van
en-van-je-hela-hola
en drinken-totteme-zinken-muziek
Mijn buurman ging daar zo in op
dat de bar er van schudde
De kastelein kiest nu welbewust
voor zoetgevooisd, iets
in het Hawaaiiaans of Tahitiaans,
wat zal het zijn…
met veel paloma en aloha en zo meer
en van die gitaarfliebers
aan het eind van elke zin
Aan een tafeltje snottert
een betraande dame de overgang in
De middelbare heer in kennelijke staat
raadt haar pas ná het weekend
een nieuw leven te beginnen
Hij meent dat moet ze nu niet doen
Een schone lei vraagt
om een goed moment
Drie hinderlijke hanen in lange leren jassen
staan kortstondig in de weg
Dan is er ineens zo’n ongeschoren
die al jaren geen goeiedag meer zegt
alstie hier binnenkomt
Even later zit-ie te eten van
een broodje dood dier
Na elke hap spoelt-ie duidelijk hoorbaar
tot alle resten tussen zijn kiezen
vandaan verdwenen zijn
Mijn blik dwaalt langs de etiketten
op de flessen en de tekens aan de wand
Is het hier nu zo gezellig ?
Wie weet
Wij doen ons best !
Spiegelend de vraag ooit
een normaal mens ontmoet
En of het beviel ?

brief aan vlinder, merlijn en isa hoes – maaike klaster

De Nederlandse roddelpers is uitgerukt.
Opgeruimd staat netjes, trut.
De Nieuwe Kleren Van De Keizer, Manolo Blahniks
met een zelfmoord vergelijken!

Bijna reed ik mijzelf op een rotonde dood, toen mijn
leraar mij tijdens de les tussen neus en lippen door
vertelde wat Antonie Kamerling had gedaan:
Zichzelf opgehangen aan een balk in de schuur
waar zijn vrouw hem aantrof na het vinden van
de brief die binnen lag.

Zij houdt zich goed; dat is niet goed.
Nu is het de tijd van Grote, Wijze Tovenaars en
hun Glimlachende Nachtvlinders, van kinderen die
naar hun papa vragen, die te allen tijde woedend
mogen zijn omdat je daarmee wonden heelt die
anders nooit genezen.

Ik zag hem wel, in gesprek bij Life & Cooking,
met ogen die zichzelf haatten, en ik heb hem in
mijn ziel gevraagd die Ouwe Duivel thuis te laten.
Hij heeft niet geluisterd.

Antonie, je brak ons hart.
Nu kost het ons een leven om jou steeds opnieuw te
moeten vergeven. Maar het leven duurt soms maar
één seconde, zo snel reis je door de tijd en kun je
jouw vader met terugwerkende kracht alsnog dat
leven geven, met hem over vanalles in gesprek gaan.

Want niet zijn dood doet pijn, maar wat hij tijdens
zijn bestaan heeft gelaten: een liefhebbende vader,
echtgenoot, broer, zwager, collega zijn; zich
herinneren wie zijn ouders waren.

Dus verwijder dat koord, noem het moord en zie
hem terug bij zijn geboorte, hoe hij lachend op jullie
wacht, in de tuin, bij de schuur, bij de hemelpoort.

later, lang geleden. – martin m aart de jong

Gek genoeg altijd geloofd dat er niets vastlag
dan een hond in de kamer van mijn jeugd blaffend
van angst en frustratie naar een dronken baas
die op zijn beurt ooit moet zijn gekooid, hij
moest toch dromen hebben gekend als kind dacht

ik nog, later toen ik allang niet meer wist
hoe het voelde te happen naar lucht. Soms zwijg
ik nog bij sterke verhalen hoor ik het aan hoe ze
ooit – ik heb er geen goed antwoord op – hoe kun je
het verklaren dat je… nooit. Ik probeer het nu
te aaien. Zwaai naar de morgen van een verre dood.

Hij nadert. Iedere zin die ik schrijf is er een
veroverd op de leegte van kindertranen. Een jongen
aan de wand. Blijf maar even in mijn gedachten.
Zie hoe groot ik ben. Ik slok je op. Vergeten
zal ik nooit. Al blijf je ingekooid.