het ei in de nacht – b. vogels

ik bezwijk onder de stad
waar ik dacht dat liefde eenvoudig is
als gescharrel op een dansvloer

kippen gaan op stok
en tegen het gloren
kraait er geen haan

als ik er over nadenk – b. vogels

uitgespit tot op het bot
ligt hij blootgesteld

op het laatste bed
van kankercellen

als ik er over nadenk
hoe hij koffie maken kon

zijn ringbaard een grap
niet mocht verbergen

de prostaat de man
de das omdoet

maak ik me op
voor één ontbijtkoek meer

scheer mijn kin en begin
de dag met een lach

om mijn moeiteloze plas

de parabel van de dode snip – b. vogels

er zit een roek onder de grond
een dode roek
hij moet zijn veren kwijt
en dat kan even duren
de kop met de snavel
wil ik voor een eeuwigheid

ik ben op zoek naar dode vogels
vogels zijn als goden
je ziet ze nooit verdwijnen

vogels zijn duurzaam
en van alle tijden
zelfs het ijstijdperk
werd overvleugeld

in de diepvries ligt een snip
met een knip komt zijn vlerk
in mijn levende verzameling

zand er over – b. vogels

hij heeft alles
ogen van parfum
het lichaam van praline

hij kan harten vullen
het debiet opjagen
in aders en behagen

maar hij is soldaat gemaakt
weer tot vlees gemaald

zo zonder naam ligt hij daar

de rode stad – b. vogels

er hoeft geen kraag omhoog
iemand die langs ging heeft haar gezien
in de schemer van rood licht

is zij verdwaald achter grijze gordijnen
zijn de straatstenen haar laatste uitzicht

hier past enkel modder bij
druil en vuile dingen

het rood zou haar kaken kleuren
bij het daglicht van de mensen

heeft iemand vuile was

snelweg naar de nacht – b. vogels

de nacht kent begin
noch grenzen
hij overvalt je
als een trage trein
je indommelt
en inspiratie steelt

het spoor heeft geen einde
de tunnel graaft zichzelf
het verleden draaft vooruit

en toch
het hoofd moet uit de armen
wat je lief is houdt je wakker

zwijg – b. vogels

voel het doorzicht
naakte takken raken aan
het laatste woord

het jaar droogt uit
het laatste blad
wordt voor je mond genomen

nu ijlt de winter
bij wijze van
alledaagse taal

heil – b. vogels

ik wens je geld zoveel
dat je het niet kan tellen
handenvol bergen
te veel om op te noemen

een onoverzichtelijke heuvel
een miljoenenoceaan
zuigende korrelstromen
stortvloeden gulden regens
glinsterende rivieren
zilverberkenwouden
slikken zilverreigers
bronnen bubbelplassen
moerassen goudplevieren
fonkelvalleien
rollende gletsjers
klinkende massieven

en een woestijn
waarin niemand je komt zoeken

uit de hemel haal ik de grond – b. vogels

Waar ontkiemen verzen?
In de dood misschien!
Zoals schimmeldraden onder een bos,
of los daarvan vers in een hoofd.

In het kind dat nog leeft,
waar nooit één woord is geweest.

je kan – b. vogels

de zon in je handen dragen
tot de einder buigt
het zwerk verschroeit

je hoofd geen aanstoot neemt
aan gedonder van zwarte gaten

en wat de dag niet bracht
vermag de nacht

blos – b. vogels

tot over je oren
in een oeverloze plas
kringen walsen

synchroon curven
op het water baltsen
en dan kunnen zoenen

en niet durven

l’ escapade – b. vogels

Bij het vuur zingen sterren:
het is goed om knoken te warmen.

Aan de kleren herken je de verlangens:
ze liggen in een plas aan haar voeten.
Ik streel de kilte weg,
begeerte verdampt bij zoveel bloot.

Nu ben ik het bos.
Mijn armen de beschutting.

tattoo – b. vogels

ze zeggen dat je lasten draagt
in jouw kom draait alles om
kracht en man zijn bij pijn
waarom krom je

in je slaap zal je voelen
dat je me niet terzijde laat
gedane kerven nemen geen keer

de blote zee – b. vogels

Vrede is een zee van naakt zijn.
Een zaak van anderen
raken bij de huid.

De kleuren wissen in de massa.
Golven verankeren op een lens.

De mens is een druppel.
In zijn kleren valt hij op,
het netvlies van de visser
trilt in niets dan water.

loos – b. vogels

niets fonkelt nog
bubbels vergaan
de chroom verdwijnt
als schone schijn

hij staat rijkelijk op straat
zij werkt
met de laatste fles

dan heerst de glorie van plat water
zelfs het dak dreigt plaats te ruimen
voor briljanten sterren

loops – b.vogels

ik klamp me vast aan de jogster
bries op het ritme van haar neus-

vleugels overschrijden alle grenzen
zij is een griekse godin
bij haar staart wil ik haar grijpen

ooit liep ik ook
over van talent

na haar – b. vogels

Ze laat een kamer na,
wit als haar lichaam,
in het licht
van hoe ze was.

Een zwart potlood ligt verloren in een hoek.
In haar oogschaduw blijf ik nog even,
de levende lijn.

kiem – b. vogels

toen ik een kind was en nog speelde
met de gedachte dat dit eeuwig was
liet ik me strelen

handen waren dekens
huid een bad
van aarde voor een plant

nu klimmen mijn woorden
langs de tralies van volwassen zijn

spoor – b. vogels

Waar plaats je de vrouw met lijfgeur in het paradijs?
Alvast niet in de trein, ze stoot me aan.
De hemel keert zich om in mijn hoofd.
Ik staar naar de studente met de spelende tong.
Voor de grijsaard, met gehoorapparaat,
naast haar is vast niet alles roze.

oostduinkerke – b. vogels

Het peloton, in de zon gedoopt met onschuld.
Een god beklimt de zandberg, kinderspel.
Kort door de haarspeldbocht naar de zege.

Het strand van Oostduinkerke,
de jaren zestig liggen er verwaaid.
Het zweet vertrappeld,
het schuim als speelgoed voor de vloed.
Enkel de wind hijgt nog na.

de zee is rond – b. vogels

met haar dansende benen
stroomlijnen die in dijen verdwijnen
speel ik eb in mijn hoofd en vloed in mijn buik

de duik in haar golven is een wanhoopsdaad
waar de nacht van vol is
loopt zij van over

zand in de ogen betovert mijn voeten
de zee is rond en zij loopt aan de horizon

vuile bril – b. vogels

De vlekken van consumptie zijn op mijn bril te lezen.
Een vaag teken, ik wrijf vergrijzing weg.
Hoe lang is de duurzaamheid van groene blaadjes?
Als ik naar hun benen kijk staat de stad op stelten.

Alles is genomen worden.
Slikken en wegwerpen.

Ik ga uitwaaien in een windmolenpark.

antiloops – b. vogels

je bent de gazelle
rank op mijn oog

dansen je haren
je dijen verdwijnen
in de steppe
van mijn lakens
blaakt jouw huid
klopt het bloed
als hoeven
in de onderbuik

maar jouw naam
is schichtig als de nacht
die onderduikt

stamvader – b. vogels

hij kijkt op naar bomen
ziet einde in hun kruin
omarmt de ringen van

de tijd verzwijgt beleefd
de leeftijd recht de rug
als booghout van essen

hij stamt uit een kringloop
losse kinderstappen
wortelt in het strooisel

en ik kijk op naar hem

zonder genade – b. vogels

nooit voorheen hoorde ik
het gonzen van hun metalen kleuren
ik droeg mijn hoofd
in de kruinen van een wolkenbos
onder mij krioelden ogen
uit het niets
kittelden sprieten
als trillend riet aan reuzenvoeten

nu moeten mijn zinnen
getuigen van hun ruige haren
de schilden en vleugels
van een kriebelleger
dat in een onderwereld schuilt

en steekt zonder genade

del – b.vogels

Haar mond gaat vreemd.
Over de rode lijn rollen roddels
van hoek tot tong.

Haar stiftpunt kent geen schaamte.
De huig walmt van likeur.

Je hoeft geen liplezer te zijn.

reacties – b. vogels

hij oogst handen op elkaar
eenwoordzinnen in een open mond

terstond groeit zijn pen
waarmee hij maait en hakt
de inkt druipt van zijn zeis

het is een kind dat zich
nu nog op zijn velden waagt
een dorpsgek zonder klompen

mythe – b. vogels

schuw mij even niet
in het flitslicht schuilt een leven
de vleugels van een veulen
de leugens van de rimpels
het simpel dartelen van een vrouw

zwart is slechts een schone schijn
waarin een jeugd verdwijnt

mode – b. vogels

een naaktzwemmer kleedt zich met de stroming
doorzichtig en op de huid gezeten
hij laat het niet aan zijn hart komen

vertaald – b. vogels

jouw ogen zijn mijn handvatten
vul ze met betekenis
in het ijle wit lijkt alles kil

jouw handen trillen in mijn oor
ledig ze tot diepe stilte
teken zinnig in het licht
met vingers uit een ver verleden

ik hoef niets meer te benoemen
woorden zijn nog enkel spatten
geboren uit een levensbel