leuker kunnen we het niet maken – gerardus
het is een 1 aprilgrap
van de belastingdienst
dat 32 maart
niet bestaat
het is een 1 aprilgrap
van de belastingdienst
dat 32 maart
niet bestaat
niet ik, maar zij is een hond
vals als de nacht in een stad
die tandenbloot als een
blinkend mes naar je lacht
wat is het koud en wat mis ik Alice
ik denk dat ik goed schrijf
vroeger wilde ik geen dichter worden
maar gelukkig
Ik heb het wit gekierd
voorbij het dralend peinzen
een zinsnede gegrift
behoedzaam kartelranden
geraffineerd ontplooid,
opdat jij geen kwetsuren
Ontwaak en daag mij licht
verwek verscholen woorden
tot een herboren beeld
mijn handen vruchten dragend
langs lijnen ongevuld,
het wit opnieuw bezieling.
Als je morgen doodgaat
je glimlach lijkt verstomd
je ogen zo verdomd
onzichtbaar, je gelaat
een dichtgeslagen boek
waar ik jouw zinnen zoek
in huid van perkament
je blikken afgewend
naar verder dan het hier
waar ik niet reiken kan
zo zal ik deel daarvan
en immer jou nabij
in wat jij schreef en zei
je lach een ornament
voor morgen en wat later.
We hebben brood gedeeld
in kilometerstanden
Ik hapte jou , jij mij
en boter smeerde vegen
langs de ruitenwissers
We zwaaiden naar twee
dooien, de lach verstopt
in onze handen
Sporen zweet ontnamen
ons het zicht, maar jij
was wijs en likte alle ramen
Je kuste mij komijnekaas
al had ik geen verstand
van mode
Ik had mijn eigen tanden nog
en jij je acculader.
Ik heb ze dichtgedaan
onze bevruchte ogen
ze liepen vol met water
en de kamer stroomde over
we nestelden de bank
de opgetrokken benen op
het droge
dit is geluk, dacht ik
terwijl de kat voorbij zwom.
ze plakt de sterren op vandaag
ze wikkelt goud en strepen
lepelt lam geslagen beelden
door een ring en krijt pastel
een naam eronder zegt een kind
is alles wat het weet het ziet
het voelt vooral het wil een veilig
zijn en zeker geen verbaal geweld
in deze wieg ik trek mij alles aan
tot op mijn heupen heb ik namen
staan als mamma, pappa, liefde
alle restjes van een nooit beleefde
jeugd met plaatjes ingeschreven
Het heeft ook allemaal wel iets
bijvoorbeeld
al dat tragische verlies
van alles in de wereld iets dat zwijgt
over hoe de lente binnen sluipt op
kattenpoten langs een struik streelt met
haar staart de hyacinten bloeien laat
en ruiken ook. Het heeft ook allemaal
geen donder het schreeuwt dwars door
je nachten heen het heeft
een donkerzwart en zwaar
doorvoederd ego het kijkt klok
het tikt de tijd per sms en stuurt
het op naar eenzaam klein behuisde
wezen van achtentachtig en het zegt
dat alles waardeloos en krachtig is
en aaibaar als een stalinorgel.
op het graf van mijn oma ruist de wind
papieren dromen op ze fluisteren over
stille kracht en hoe je door de kampong
liep om te gaan zwemmen in de kali
en in bomen klom je deed alles
wat niet mocht alleen maar ja
je deed het toch passeerde
tijd en hoe de meester zei
op school wanneer je iets niet
wist oh jij garnalenkop
z’n gezicht kwam heel dicht
bij je. Ik weet nog hoe je levend
was je ogen vol verwachting om
wat was geweest stond je je
blijdschap uit te stralen
schaterend soms en hoe ik
begrijpend knikte zweeg
het verhaal al in mijn hoofd
vermalend en nog niet wist
hoe alles op te schrijven
ik dacht dat het zolang
geleden was het was alsof
de aarde was ontstaan
en jij en opa toen
de eerste mensen waren.
mijn dag begint naam loos met krijt
op de lippen likt het de blauwgeruite
hemel af op zoek naar bestemming
het kiest dan het overige gaat
door zakken machines en handen
mijn dag arriveert op de plaats
van bestemming een vrouw scheurt
de nacht een vrouw vouwt mij open
en leest het begin ziet dat ik
naamloos ben ze schrijft me op
ze zegt dat ik het ben op wie
de wereld wacht ze vindt me heel
bijzonder vandaag en morgen is
er weer een dag die liefde heet
om open te vouwen te lezen en
door te sturen naar een ander.
het is
de hartstocht
die ons
in vervoering
brengt
ongrijpbare dans
tot in het oneindige
vervullend
aan het Singel
op de bloemenmarkt
kocht ik
een zakje zaad
papavers zaaien
wilde ik
middenin de winter
want dat kon best
had ik ergens gelezen
en terwijl de regen drensde
gooide ik het zakje leeg
in volle grond
het nieuwe jaar begon
achterom kijkend
over mijn schouder
zie ik verleden
klauwend toeslaan
lappen vlees gescheurd
van mijn rug
tot op het botmerg uitgebeend
vlees en vet
vernederd op straat gesmeten
orgaanvlees voor de honden
bloed door de goot
mijn knoken uitgekookt
vermalen tot gruis
hersenen op sterk water
als anomalie ten toon gesteld
op de kermis
van de huidige maatschappij
zie dan je boeltje
maar weer bij elkaar te rapen
nummertje trekken
achteraan in de rij
met een vinger
volg je een fontanel
tot een ruimte gevonden is
waar hij wijkt
tastend verken je het gebied
en drukt door
mijn hersenen in
je duwt verder
als in gelei roer je
die vinger
in mijn zielenpap
vermorzeld tot moes
ik had liever
dat je me gewoon sloeg
schemer gordijnde
voorbije dag
duisternis werd gelaten
zwervend door mijn huis
als blinde,
dook ik voor een spiegel op
vervaagde contouren
indringende blik
alleen mijn ogen
waren helder
ik zag
hoe mri-achtig
mijn zijn
tevoorschijn kwam
gefascineerd onderging ik
draaide mij plots om
en zag nog net
hoe mijn schaduw
schoudertastend oploste
als de gloed in je ogen stijgt
ga ik gloeiend roepen in het ijle
tot het schrikbeeld is gedood
ik wil je weer zien blaken
het rood van je kaken slaan
de toorts met mijn vingers doven
en parels betoveren tot
druppels blussend vuur
mijn stappen achtervolgen me
tot in de donkere huiskamer
waar mijn vader en moeder
me kruisen op het voorhoofd
ze zijn jong en bij elkaar
de trappen zijn licht en eindeloos
ik houd mijn kleren aan
voel het bloed kloppen
druk mijn onderbuik op bed
ik ben heet in een naakte kamer
waaruit het heelal vertrekt
zij is het maarts viooltje
dat ik bespeel
gevoelig
liggen haar paarse snaren
in het voorjaar bloot
voor de schaduw
haar schoonheid overwoekert
en zij schijnbaar dood
ontrolt
rond het tokkelen
van mijn ondoorgrondelijke vingers
waar ik woon
was het huis van de liefde
toen zij, laten we haar Meisje noemen
er nog was en het gras niet om te maaien
waar ik woon reed zij mijn hart aan puin
sprak van ademnood na de laatste zucht
noemde liefde een kaartenhuis, ze blies
niet eens, maar zuchtte het omver
waar ik woon staat nu nog slechts een huis
Kijk mij eens functioneren!
Precies op tijd loop ik door de draaideur
en begroet de receptioniste op een wijze
die het perfecte midden houdt
tussen interesse en gezonde afstandelijkheid
en zie mij zonder problemen in de lift omhoog zoeven
te midden van vage bekenden
die ik in een kloeke mix van charme en neutraliteit
hun eigenwaarde volledig laat behouden
en neem waar hoe ik op de juiste etage
de koffiemachine passeer
en niet eens hoef te spelen dat ik dat ding niet zie staan
in mijn tomeloze drang het meest werkzame te doen
kom ik aan bij mijn bureau
en groet de naburige collega’s
zo natuurlijk
dat er geen complicerende factoren voor hen bij komen
wat in mijn beoordelingsgesprek welwillend werd betiteld als
‘een gemeende en prettige vorm van collegialiteit’
kwalificatie die mij meer salaris en aanzien bezorgde
reden dat ik nu met een vrolijke zwier
mijn jas aan de kapstok hang
mijn handen wat verder uit mijn mouwen steek
met een tevreden blik om me heen kijk
in de wetenschap dat ik ben aangeland in een positie
die als voornaamste eis stelt
niet de verkeerde vragen op te werpen
of onhandige opmerkingen te plaatsen
een taak die ik mezelf wel tot een goed einde zie brengen
te beginnen met nu
als ik mijn hand op de schouder
van de junior verzekeringsagente leg en zeg
‘ik hoop dat er geen problemen zijn en alles naar wens verloopt’.
Zodra ze omhoog kijkt
lees ik in haar ogen de gedachte
dat ik inderdaad ongelofelijk aan het functioneren ben
voor het bedrijf
en voor haar.
Ik bedenk dat er slechts een marginaal verschil bestaat
tussen functioneren
en klaarkomen.
leuk die hakjes
klinkt rood
uit zijn mond
ik draai rond
mijn volle rugzak valt af
het weertje klaart op
achter haar aanrecht
krijgt ze een zoen
op de mond
hij zorgt
zij is gelukkig
Melkwegen
kris kras
splijtsterren explosies
Vuurmuziek
als de nacht valt
de glooiing is wit
wijnranken hebben de
opdracht om de
steen bekleding
van dijken te versterken
en bladeren door
zwarte golven van de zee
vlaggen zijn
in elkaar verstrengeld
verenigd met
in elkaar
verstrengelde lichamen
op het hete zand
de hemel kleurt
ingo als een blauwe
dolfijn gevangen wordt
nog voor haar
dans ten einde is
Een uitdagende melodie galmt door de straat
De één krijgt de vis en de ander de graat
Een beetje ver gezocht nietwaar?
Terwijl ik verder loop
Denk ik aan de buurman van vroeger
Hij speelde graag met graten
Verorberde vis en graat
Tegenwoordig is hij tanden Stoker. magnaat.
Wat als je opstaat en zachtjes
uit mijn dromen begint te lopen?
Wat als je opeens uit het dakraam
van de buurman naar buiten kijkt?
Wat als ik je tegenkom
en je duikt voorlangs?
of erger nog, je blijft staan
en lacht de lach van een vreemdeling?
Wat als ik koppig onder mijn oksels kruip
en blijf hangen in de tijd?
Wat als ik op een zondag opeens de zomer mis
als een karatetrap in mijn gezicht?
Wat als jij de zomer begroet
met onverklaarbare martini’s in je handen?
Wat als ik heel hard je naam roep
in het donker tegen stille muren?
Wat dan?
In de remise van de ziel
is geluk stilstand van alles
wat ooit is geweest
niet wachten op signalen
maar de stilte vragen
niet de roestplekken tellen
maar de strepen in de lucht
niet gissen naar een plan
of zoeken naar de zin ergens van
Terug het donker in
de deuren hermetisch op slot
‘hineinhören in sich selbst’
In één keer zichzelf opbergen
In één keer grondig aanvaarden
In één keer de stilte snoeihard laten vallen.